'Gaza-activisten zijn uit op conflict'
© REUTERS

'Gaza-activisten zijn uit op conflict'

De organisatoren van het Gaza-konvooi proberen andermaal gebruik te maken van het feit dat Europese regeringen voor Israël andere maatstaven hanteren dan voor andere landen. Dat schrijft Manfred Gerstenfeld.

Nog steeds kan niet worden uitgesloten dat binnenkort een aantal schepen met hulpgoederen vanuit Griekenland naar Gaza vertrekt.Een analyse van de geschiedenis van het eerste transport verheldert de context van dit initiatief.

Eind mei 2010 stoomde een eerste konvooi van zes schepen op naar Gaza. De Israëlische marine gaf het in de internationale wateren bevel naar Israël te varen. Een van de schepen, het Turkse Mavi Marmara, volgde dit bevel niet op. Daarop enterden Israëlische mariniers het schip om het te inspecteren. Zij werden aangevallen door een aantal opvarenden. Bij de gevechten die daarop uitbraken, werden negen gewelddadige passagiers gedood en raakten enkele Israëlische soldaten gewond. Het incident werd wereldnieuws.

Vele bloedige gebeurtenissen
Sindsdien hebben vele bloedige gebeurtenissen in Arabische landen plaatsgevonden. Vele duizenden burgers zijn gedood in onder andere Syrië, Libië, Jemen, Egypte en Tunesië. Soms is in Syrië het aantal doden op een enkele dag vele malen groter dan op de Mavi Marmara. Als de politici die zoveel kritiek op Israel hadden proportioneel op dit geweld in de Arabische wereld hadden gereageerd, waren ze al lang overmand door 'veroordelingsvermoeidheid'.

Toen de Europese veroordelingen van de Israëlische actie tegen de Mavi Marmara uitgesproken werden, was al bekend dat Israël de organisatoren van de 'humanitaire missie' gewaarschuwd had dat de boten Gaza niet zouden bereiken. Israël had aangeboden om de hulpgoederen in de Israëlische haven Ashdod uit te laden. Daarna konden de goederen, bijvoorbeeld onder toezicht van de Verenigde Naties, naar Gaza vervoerd worden. De weigering van de activisten maakte duidelijk dat het hun voornaamste doel was om Israel te provoceren.

Contacten met Al Qaida
In 2006 had het Deens Instituut voor Internationale Studies onderzoek gedaan naar de Turkse IHH, de voornaamste organisator van het eerste konvooi. In het verleden had deze organisatie contacten gehad met Al Qaida en andere islamistische netwerken. Desondanks was barones Catherine Ashton, de hoge vertegenwoordiger van de EU van Buitenlandse Zaken, erg ijverig na het incident met de Mavi Marmara. Binnen enkele uren, zonder gedetailleerde kennis van zaken, veroordeelde ze het geweld en eiste ze op korte termijn een onafhankelijk onderzoek naar de confrontatie. Ook eiste ze een einde van de Israëlische blokkade van Gaza.

Een maand later veroordeelde het Europees Parlement de Israëlische actie tegen het konvooi. Het verweet Israël tegen het internationaal recht te hebben gezondigd. Vooraanstaande internationale juristen hadden toen allang verklaard dat de Israëlische actie legaal was volgens de zogenaamde San Remo Conventie voor het Internationaal Recht van Toepassing op Gewapende Conflicten op Zee.

Eerder had de Duitse Bondsdag al unaniem voor een resolutie zonder precedent gestemd. Volgens deze motie waren er veel indicaties dat Israël disproportioneel had gehandeld. Israël zou met het ingrijpen bovendien niet zijn veiligheidsbelangen hebben gediend.

Meest inhumane staten
Critici wezen erop dat de Bondsdag nooit een dergelijke resolutie tegen de meest inhumane staten had aangenomen. Gert Weisskirchen, een voormalig lid van de SPD-fractie in de Bondsdag en antisemitisme-deskundige, schreef dat de Duitse volksvertegenwoordigers zich vóór de aanvaarding van de motie hadden moeten laten informeren over de organisatoren van het konvooi en over hun propagandadoeleinden. En hij vroeg zich af hoe de parlementariërs zonder overleg met Israelische deskundigen konden oordelen over de veiligheidsbelangen van dat land.

Ook andere Europese landen bliezen het incident tot grote proporties op. Daartoe behoorden Noorwegen, Zweden, Groot-Brittannië, Griekenland, België, Ierland, Portugal, Letland en Spanje. Italië, Nederland, Polen en Roemenië gaven gematigde verklaringen uit.

Al in de eerste dagen na het incident kwam er veel nieuwe informatie beschikbaar. Zeven van de negen doden hadden voor de reis verklaard dat zij als martelaren wilden sterven. De lading van de Mavi Marmara, veruit het grootste schip van het konvooi, wekte niet meteen associaties met een humanitaire missie. Tot de 'humanitaire goederen' behoorden camouflagenetten. Er waren meer wapens aan boord dan gangbaar is op een passagiersschip. De geldigheidsdatum van een gedeelte van de medicijnen was verlopen.

Turkse regering
Steven Merley, een specialist op het gebied van politiek extremisme, heeft een studie over de affaire gepubliceerd. Hij schrijft dat er duidelijke indicaties zijn dat niet alleen de Turkse regering bij het konvooi was betrokken, maar ook het bureau van premier Tayyip Erdogan en het netwerk van de Moslimbroederschap in Turkije. Kort voor het vertrek van de vloot ontving Erdogan een delegatie van de Moslimbroederschap samen met activisten uit Groot-Brittannië en Frankrijk.

Uit de reacties van bepaalde Europese politici op het Israëlische optreden tegen het konvooi blijkt dat ze willens en wetens de ogen sluiten voor het feit dat het de activisten te doen was om een provocatie van Israël. De organisatoren van het konvooi hebben handig gebruik gemaakt van het feit dat Europese regeringen voor Israël radicaal andere maatstaven hanteren dan voor andere landen.


Manfred Gerstenfeld is voorzitter van de denktank Jerusalem Center for Public Affairs.