Voorproefje op het Holland Festival in de etalage van de Bijenkorf met een optreden van hoofdrolspelers Sahr Ngaujah en Paulette Ivoryeen van de Broadway hitmusical Fela!
Voorproefje op het Holland Festival in de etalage van de Bijenkorf met een optreden van hoofdrolspelers Sahr Ngaujah en Paulette Ivoryeen van de Broadway hitmusical Fela! © ANP

Ja, kunst is te veel voor ingewijden

In plaats van te keer te gaan tegen de bezuinigingen, moet de kunstsector de eigen zwaktes onder ogen zien.

In alle toonaarden wordt geklaagd over de gevolgen van de huidige bezuiniging op de kunsten. Weinigen vragen zich af hoe het mogelijk is dat de huidige politieke machthebbers dit beleid met bijval van de meeste stemmers uit kunnen voeren. Het wordt tijd om na te gaan waar die binnenlandse weerstand tegen de kunsten vandaan komt.

Want in het buitenland is men goed te spreken over het Nederlandse kunstenaanbod. Zo stelden zestig prominenten uit de internationale podiumkunstenwereld in een open protestbrief aan de Tweede Kamer dat de voorgestelde bezuinigingen buiten de grenzen doorwerken, omdat Nederland zo veel steun biedt aan innovatieve kunst. Dit zorgt voor een bovennationale kwaliteitsimpuls.

In Nederland is men minder enthousiast over de unieke infrastructuur. Daar kleven dan ook bezwaren aan, die de politicoloog Hans Blokland in zijn dissertatie uit 1991 al blootlegde. In die tijd was er in het Nederlandse cultuurbeleid vooral aandacht voor het realiseren van een omvangrijk, goedkoop en geografisch verspreid kunstenaanbod. Dit zou vanzelf tot interesse daarvoor leiden. Een misvatting, want uit divers onderzoek is bekend dat belangstelling voor kunst ontstaat door opvoeding thuis of prikkels elders, veelal op school.

Prikkels
Om ander en meer publiek te interesseren dan alleen mensen die van huis uit met kunst vertrouwd zijn, moet de overheid zorgen voor kunsteducatieve prikkels: in het onderwijs, maar ook daarbuiten. Dit gebeurde te weinig, waardoor de uitbreiding van het aanbod niet synchroon liep met de belangstelling daarvoor.
Een complicerende factor was dat de subsidies voor de kunsten werden verdeeld door in kunst ingewijden, die graag verrast wilden worden. Zij ontwikkelden kwaliteitscriteria die de nadruk op vernieuwing leggen.

Zodoende ontstond er een enorm aanbod van door experts en kunstliefhebbers hoog gewaardeerde kunsten, waar buiten die kring steeds minder belangstelling voor was. De overvloed van kunst waar niet-ingewijden geen affiniteit mee hebben, geeft menigeen het gevoel dat er onbegrijpelijke kunst door de strot geduwd wordt: niet alleen in musea, galeries, theaters en concertgebouwen, maar ook in de openbare ruimte en in de media.

In de reacties op de bezuinigingen wordt gerept van een schrikbewind van de meerderheid. Dit type verongelijkte en hautaine reacties uit de kunstsector bevestigt het vooroordeel dat het kunstenaanbod wordt gedicteerd door een hermetische incrowd.
Hierdoor neemt de steun voor de bezuinigingen alleen maar toe. Dat veel kunstenaars hardwerkende, bevlogen mensen zijn die nauwelijks verdienen aan hun inspanningen wordt over het hoofd gezien.

Het zijn vooral adviseurs, makelaars, ambtenaren en medewerkers van kunstinstellingen en sectorinstituten die profiteren van de kunstsubsidies. Het is zuur dat in de algemene opinie vooral de kunstenaars aan de kaak worden gesteld en er voorbij wordt gegaan aan de rol van de belanghebbenden die om hen heen zwermen. Hun distinctiedrift leidde tot het afkalvende draagvlak voor de kunsten.

Rancune
In de kunstsector overheerst vooral de mening dat de huidige bezuinigingen voortkomen uit een willekeurige rancunepolitiek. Wie het bezuinigingsrapport Meer dan kwaliteit leest, moet echter toegeven dat er wel degelijk sprake is van zinnige standpunten. Zo wordt de ineffectieve wildgroei in de cultuureducatieve sector aan de kaak gesteld en is het de bedoeling dat er wordt geïnvesteerd in meer duurzame educatie. Een goede zaak, want dit kan de wanverhouding tussen aanbod en vraag corrigeren.

Een andere intentie is om giften aan cultuur door particulieren en bedrijven te stimuleren. Prima, want dit kan de vernieuwingsdrang van de ingewijde kunstkenners inbinden. Het voornemen om vooral te bezuinigen op sectorinstituten en intermediairs in plaats van op cultuurproductie kan een einde maken aan het fenomeen dat te veel mensen carrière maken over de ruggen van kunstenaars.

In plaats van louter te keer te gaan tegen deze plannen, zou de kunstsector ook de hand in eigen boezem kunnen steken. Waarom kost het zo veel moeite om ander publiek te vinden dan de ingewijde kunstkenners? Is de overhead aan imponerende gebouwen, glossy drukwerk, feestelijke openingen en premières werkelijk nodig? Kan er niet veel minder highbrow over kunst geschreven? Waarom wordt er zoveel geld besteed aan ineffectieve kunst­educatie en marketing? Zijn er echt niet meer eigen inkomsten te realiseren?

Verongelijkte reacties zonder te reflecteren op eigen zwaktes werken averechts. Laten we de mechanismen die hebben geleid tot de enorme kloof tussen aanhangers en tegenstanders van kunst onder ogen zien en trachten die kloof te dichten. Met het aan weerszijden van die kloof tegen elkaar schreeuwen en schamperen, komt er geen kentering van het cultuurbeleid tot stand. Die omslag is toch echt nodig om het draagvlak voor de kunsten in Nederland te vergroten.

Letty Ranshuysen werkt als zelfstandig onderzoeker in de cultuursector.