Overweldigend oorlogsrelaas van de familie Berberovic uit Bosnië

ASIMA BERBEROVIC woonde met haar echtgenoot Hilmija in de gemeente Prijedor. Het ging het echtpaar en hun twee zoontjes, Mirza en Dino, uitstekend....

Omarska benoemd tot manager van de afdeling BTO, een modern, volledig computergestuurd systeem om ijzerertslagen op te sporen.Zijn hobby was handballen en hij had het gebracht tot aanvoerder van de club Bosna Montage, die werd gesponsord door de firma Kras 'voor al uw chocolade, koekjes en bonbons'. Echtgenote Asima was ook ingenieur. Ze hadden een mooi huis, een Joegoslavisch autootje en veel vrienden.Ook de rest van de familie - Hilmija had in het nabij Prijedor gelegen dorpje Ljubija twee broers, drie zusters en zijn ouders wonen - ging het voor de wind. De broers werkten ook in de mijnen, zij het in minder prominente functies. Broer Hamdo was trots op zijn bijdrage aan de inrichting van de nieuwe kleedruimte van de mijn Omarska.Vader Omer, die de Tweede Wereldoorlog nog had meegemaakt ('Tweede Oorlog' zeggen ze in Bosnië), was trots op de zilveren medaille die hij als beloning voor dertig jaar hard werken had ontvangen. Dank zij Omer's inspanningen had de familie zich al snel een jaarlijks vakantiereisje naar de kust van Kroatië kunnen permitteren.Zo ongeveer was het gesteld met de familie Berberovic in het voorjaar van 1992, voor het begin van de Derde Oorlog, in april. Twee jaar later, in de zomer van 1994, was de situatie veranderd. De helft van de familie Berberovic woonde in een opvangcentrum voor asielzoekers in Haarlem, anderen zaten in het Zweedse Uddevalla; Hilmija, de vroegere pacifist, vocht met het Bosnische regeringsleger in de buurt van Travnik. Oma was als een van de weinigen nog steeds in Ljubija; tantes, ooms, neven en nichten zaten - voor zover nog in leven - in Duitsland, Oostenrijk, Noorwegen, Engeland, Zwitserland en Spanje.Hamdo, Hilmija's broer, had in de zomer van 1992 de kleedruimte van Omarska, die hij zelf had geschilderd en ingericht, opnieuw van binnen gezien. Hij moest er, op bevel van de bewakers van het door de Bosnische Serviërs in Omarska ingerichte concentratiekamp, afgehakte ledematen opruimen en bloedplassen wegspoelen. Zelf was hij er, zoals alle gevangenen, ook verhoord. Hij had geluk, hij hoorde tot de 50 procent die dit verhoor overleefde.In de allereerste oorlogsdagen had Asima Berberovic een woordenwisseling met een Servische collega. In sommige delen van Bosnië waren de Serviërs begonnen steden met granaten te bestoken. De collega verdedigde dat. 'Daar wonen moslims', zei hij. 'Dat zijn toch mensen? Daar leven toch ook vrouwen en kinderen?' 'Het was Servisch land.' 'Maar dat is fascisme', antwoordde Asima. Ze schrok van haar eigen woorden. 'Serviërs zijn nooit fascisten geweest.' 'Dan zijn ze het nu.'De verloren wereld van de familie Berberovic van de journalist Alfred van Cleef, waaraan het bovenstaande is ontleend, vertelt de geschiedenis van de oorlog in Bosnië op micro-niveau. Het boek heeft een stijl die buitengewoon down to earth is, nuchter, zou je bijna zeggen. Waarschijnlijk juist daardoor komt de familiesaga onstuitbaar en overweldigend als een lawine op je af.De kern van het verhaal - de lotgevallen van Hamdo voor, in en na Omarska - had Van Cleef al eerder beschreven in een artikel in NRC Handelsblad. Voor het boek sprak hij met alle nog in leven zijnde familieleden, in exil en in Prijedor en Ljubija. De familie is trouwens moslim, ook al had voor 1992 vrijwel geen van de familieleden aan dat feit bijzonder veel belang gehecht. Voor het creëren van een moslim-identiteit waren de 'etnische zuiveringen' van de dichter en therapeut Radovan Karadzic onontbeerlijk. Zijn volk, realiseerde Hilmija zich in april 1992, werd 'bedreigd, ontslagen, verdreven, vermoord. Dus bestond het.'De parallel met de onthutsende, wrede manier waarop tijdens de Tweede Wereldoorlog geassimileerde of geëmancipeerde joden met hun joodse identiteit werden geconfronteerd, dringt zich onmiddellijk op. Ook het op gang komen van de 'etnische zuiveringen', doet - vaak tot in de details - denken aan de jodenvervolging van toen. Een buurjongen uit Prijedor die plotseling het huis van Hilmija en Asima komt opeisen; oude kennissen en collega's die - tijdens een razzia in Ljubija, of in het kamp Omarska - het hoofd afwenden of een partijtje meeslaan.Hoe is het mogelijk? Hoe kan zoiets gebeuren? Dat is de vraag die de overlevenden uit de Tweede Wereldoorlog levenslang is blijven kwellen. Dezelfde vraag staat tussen de regels door centraal in het ontroerende relaas van Van Cleef. Hij heeft het antwoord niet, hij beschrijft. En die beschrijvingen zijn des te schrijnender omdat we weten dat het niet gaat om voltooid verleden tijd, maar om iets dat nog steeds aan de orde is. Nu.Als lezer klamp je je haast wanhopig vast aan de uitzonderingen, de Serviërs die wèl hun nek uitstaken om hun buren en vrienden te beschermen. Die waren (zijn) er óók.Wie iets wil begrijpen van de sfeer van de 'oorlog binnen de oorlog' (de 'zuiveringen') in Bosnië, moet De verloren wereld van de familie Berberovic lezen. Dit boek, op de grens van journalistiek en literatuur, zou eigenlijk in het Servo-Kroatisch vertaald moeten worden en in heel voormalig Joegoslavië op de markt moeten worden gebracht. Het hoort, in zijn schijnbare pretentieloosheid, tot het beste dat er over de oorlog daar is verschenen.Tot slot een lang citaat, als voorproefje. Hamdo, Hilmija en hun vader Omer zijn door Servische soldaten van huis gehaald en worden met driehonderd andere mannen uit Ljubija naar het terrein van voetbalclub FC De Mijnwerker gejaagd. 'Een tiental mannen kwam op hen af met wapperende baarden en doodskoppen op hun uniformen. Aan hun heup hing een lang mes in een foedraal. Ze droegen mitrailleurs bij zich, pistolen en handgranaten. De meesten hadden een fles cognac of bier in de hand. Ze stonken naar drank en ze zeiden niets. Hilmija, Omer en Hmado waren doodsbang. Dit waren de beruchte Cetniks, dit zou hun einde kunnen betekenen.Hilmija zag nu opeens nog een Serviër die hij heel goed kende: Dzoko. Hun blikken kruisten elkaar en hij kwam onmiddellijk op Hilmija af. 'Het ziet er niet best uit', fluisterde hij hem in het oor. 'Deze kerels willen jullie afslachten. Wij Serviërs uit Ljubija zullen dat niet toestaan. Als we onderling slaags raken, neem dan de wapens van onze doden en vecht.' Hilmija gaf het bericht door aan Hamdo en aan zijn neven. De Cetniks stonden nog altijd grijnzend bij het toegangshek van het voetbalveld. Toen een van hen verder wilde lopen, kwam Dzoko op hen af. 'Blijf daar staan', hoorde Hilmija hem zeggen. 'Wij handelen dit zelf wel af.' 'Er vielen die keer geen slachtoffers.Anet BleichAlfred van Cleef: De verloren wereld van de familie Berberovic. Meulenhoff; 37,90. ISBN 90 290 4204 4.