‘Het geluid bij een goal, de massa mensen, ik blijf er voor thuis’

FC Groningen verhuist. In januari betrekt de club een nieuw stadion: Euroborg. Het legendarische Oosterparkstadion verdwijnt. Het terrein aan de Zaagmuldersweg wordt bebouwd....

Een rode bakstenen muur is het enige dat hen scheidt. Aan de ene kant de bewoners van bejaardenhuis Oosterparkheem, aan de andere kant de selectie op het trainingsveld van FC Groningen. Terwijl Ron Jans in een dik sportjack de gure wind probeert te trotseren, is het in Oosterparkheem koffietijd. Vanuit de ontmoetingsruimte kijken de bewoners uit op de voetballers, op de achtergrond de hoofdingang van het stadion.Arend Nijborg (83) kan zelfs vanuit zijn kamer de training volgen. Maar dat doet hij niet. ‘Oosterparkers voor alles, tot mijn dood’, roept hij hard. ‘Ik ben al zeventig jaar een echte Oosterparker en heb niets met FC Groningen. Dat is geen voetbalclub, maar een bedrijf. Maar het stadion hoort bij de wijk. Er komen flats voor in de plaats, daar kunnen ze beter een bom onder leggen.’Nies Klemens (70) huivert en kijkt in een automatische reflex de andere kant op als het stadion ter sprake komt. Ze werkt als vrijwilligster in het winkeltje in het bejaardenhuis en woont aan de Zaagmuldersweg tegenover de oprijlaan van het stadion. Ze komt uit een GVAV-familie, tot 1971 de voorloper van FC Groningen.In het stadion komt ze zelden, maar elke zondag zit ze op het trottoir voor haar huis om de groenwitte stoet supporters voorbij te zien komen. ‘Het geluid van een doelpunt, de massa mensen, ik blijf er voor thuis als ik kan. Het zal stilletjes worden, ik zie er tegenop. Zelfs de baksteen door de ruiten, de angst van politiepaarden voor de deur, het hoort erbij.’ Nijborg is eveneens geboren en getogen in de Oosterparkwijk. Net zoals de meeste bewoners is hij een echte aanhanger van de voetbalclub Oosterparkers, die tot 1989 haar wedstrijden speelde in het stadion aan de Zaagmuldersweg. De ene week FC Groningen, de andere week Oosterparkers, dat in de jaren vijftig nog even betaald voetbal speelde.Het huidige sportpark van de Oosterparkers ligt aan de rand van de stad, eigenlijk heeft de vereniging zich er nooit thuis gevoeld. ‘Weet je’, stoot Nijborg zijn buurman aan, ‘gisteravond is in de raadsvergadering besloten dat ‘we’ weer een veld krijgen in de wijk.’ Een brede glimlach, een weifelende blik bij de buurman. Het kan niet en het hoort niet, zo is de eensgezinde mening van de tachtigplussers die met Nijborg aan tafel zitten. Het stadion is het middelpunt in de wijk, de spil van een grote familie. In Oosterparkheem wonen zo’n vijftig bejaarden, allemaal afkomstig uit de wijk. Terwijl andere bejaardenhuizen in de stad met leegstand te maken hebben, is er voor Oosterparkheem een wachtlijst. De navelstreng met de wijk – in het bijzonder het stadion – kan niet zomaar worden doorgeknipt.‘Wat was het een sfeervol en intiem stadion’, mijmert Nijborg. ‘Een kleine tribune waar misschien vijfhonderd mensen op konden. Er werd niet gezongen, maar gejuicht. Dat was tenminste sfeer. Rijtuigen door de straten toen we kampioen werden, tranen toen we in 1954 na één jaar al degradeerden uit divisie A van het betaald voetbal.’Zelf is hij tot zijn 73ste twintig jaar bestuurslid geweest van Oosterparkers. Herinneringen genoeg. De man die in het geniep een koe slachtte in de kleedkamer. Gejat uit een weiland. Of de rechercheurs die op een plat dakje in het kleedhok lagen om ‘portemonneedieven’ te betrappen. Of de geheimzinnige brandstichting van het clubhuis onder de Tonny van Leeuwen-tribune. ‘Een keet’, roept de buurman. ‘Een clubhuis’, reageert Nijborg tamelijk gepikeerd.In het gloednieuwe stadion, Euroborg, zal hij misschien één keer komen. ‘Ik moet het toch gezien hebben’, geeft hij toe. Nies Klemens huivert. ‘Ik wil er niks van horen, ik klik het weg als het op tv komt, en rij er niet langs. Voorlopig.’