De oppervlakte was diep genoeg

Martin Bril, schrijver en columnist, overleed woensdag aan de gevolgen van slokdarmkanker. Hij is 49 jaar geworden. Hij was iemand die, ondanks fysiek ongemak, nooit wilde verzaken. ‘Je moet je overgeven aan het lot.’ (met video)

(condoleances kunt u hierachterlaten) ‘Bril hier. Gebeurt er nog wat?’ Met licht verveelde intonatie belde hij geregeld de redactie. Martin Bril was dan op zoek naar een onderwerp voor zijn dagelijkse column op de Voorkant. Bril toonde zich meestal blij met suggesties uit de ANP-agenda, hing op, en ging vervolgens geheel zijn eigen weg. Enkele uren later mailde hij een bijdrage vanaf het marktplein of de brink van Harkstede, Slochteren, Garnwerd. Een bezoekje aan de Tweede Kamer of een straattafereel bij hem om de hoek – Bril was evenzeer schrijver als journalist. Een chroniqueur van het hedendaagse Holland, wiens vetgedrukte columns sinds oktober 2001 het paginabeeld bepaalden van de Voorkant, tot april 2009 de voorpagina van het tweede katern. De plek rechtsboven was het domein van de enige man die met behoud van fatsoen kon berichten over rokjesdag, ‘die ene dag in het voorjaar dat alle vrouwen als bij toverslag met rok en blote benen over straat gaan’. Toestand in de wereld
Met graagte schilderde hij de toestand in de wereld voorbij Amersfoort, een universum van de Wibra, C&A en Peek & Cloppenburg. Sudderlapjes en eenmaal per jaar naar Lebbis & Jansen of Youp van ’t Hek – ‘Er zit natuurlijk een element van treurigheid in, maar it breaks my heart’, zei hij in een interview. Hij kende die wereld maar al te goed: Bril werd op 21 oktober 1959 geboren in Utrecht, maar woonde later onder meer in de Veluwse legerplaats ’t Harde, in een gezin waar vader vertegenwoordiger in waspoeder was. Later zou Bril een studie filosofie aanvangen in Groningen, gevolgd door lessen scenarioschrijven aan de Filmacademie in Amsterdam. In zijn studententijd ontmoette hij Dirk van Weelden, met wie hij eind jaren tachtig een schrijversduo vormde. Ze schreven bundels als Arbeidsvitaminen (1987) en Piano en Gitaar (1990). Tekst loopt door onder video Jaren tachtig
In de jaren tachtig leefde hij hard en snel: ’s morgens vroeg schrijven, dan lunchen in steeds hetzelfde restaurant; biefstukje, omeletje, salade. ‘Vier bier erbij, twee calvados bij de koffie.’ De rest van de middag op kantoor ‘bellen, ouwehoeren, nog meer bellen, zuipen’. Dat laatste betrof vooral brandy. ‘Drank is niet het kwaad’, zei hij later in een interview. ‘Nee, verslaving is het kwaad. Later kwam er coke bij. Om die drank eruit te blazen.’De toestand was ernstig, zei hij terugkijkend. ‘Ik was onderweg naar de ondergang.’ Omdat hij ook die wereld gekend moet hebben, heeft hij altijd een zwak gehad voor mensen aan de zelfkant. Hoeren, beroepsgokkers, kaartspelers. ‘Niet omdat het daar zo interessant is trouwens, want dat is helemaal niet zo. Maar de zelfkant, de grens, de periferie vertelt iets over hoe het binnen is.’Redding
De hasjbaron Johan V., alias de Hakkelaar, noemde hij zelf zijn redding. Via Parool-verslaggever Bart Middelburg belandde Bril bij het proces tegen de handelaar. Niet voor een verslag, maar voor een typisch Bril-stukje vol terzijdes en terloopse observaties. Hij zei daarover: ‘Ik herkende mijn kans. En daar moet je voorzichtig mee omgaan. Niet dat ik het toonbeeld ben van stabiliteit en soberheid, maar ik ben toen overal mee gekapt. Met de drank, met de coke.’Het Parool vroeg hem voor een dagelijkse column op pagina 3 rechts bovenaan – de plek van illustere voorgangers Carmiggelt en Ischa Meijer. Hij heeft nooit veel voor hen gevoeld. Carmiggelts Kronkels vond hij ‘te melancholiek, te veel ellende in cafés en mannen met rode neuzen. Jenevertragiek.’ En Meijer? ‘Nooit veel mee op gehad. Ik vond die Dikke Man te veel op ideetjes leunen, en te weinig op emotie.’Zware literatuur was evenmin aan hem besteed. Te gewichtig. Melville, Conrad, Thomas Bernhard: hij las ze, en ‘vond er geen moer aan’. Bril hield van ‘literatuur waarin meer werd weggelaten dan er wordt gezegd’. De oppervlakte was hem diep genoeg, zei hij zelf bij zijn aantreden als Volkskrant-columnist. Die oppervlakte is namelijk niet oppervlakkig, je kunt er een hoop aan aflezen, vond hij. Inspiratie
Zijn inspiratie vond hij in Amerikaanse schrijvers: Joseph Mitchell, A.J. Liebling, Truman Capote, maar vooral E.B. White. Met zijn overstap naar de Volkskrant verruimde hij zijn blikveld van de grachtengordel naar de rest van het land. Waar hij ook was, het procedé bleef gelijk: Bril zocht de kleine, maar typerende zijdelingse observaties, koppelde ze vaak aan een persoonlijke bespiegeling. In de rechtszaal bij Willem Holleeder: ‘Zijn neus is er ook – inderdaad een fors exemplaar, net geen haviksneus, maar het scheelt weinig. Zijn gelaatskleur is grauw, zijn ogen schichten de rechtszaal rond, maar blijven nergens aan haken. Hij geeft zijn advocaat, Bram Moszkowicz, een hand, trekt zijn broek op en neemt plaats op het zwarte klapstoeltje dat voor hem bestemd is. Hij knikt naar zijn medeverdachten en haalt een hand door zijn haar. Het is te lang, het plakt in zijn nek. Hij heeft niet alleen een grote neus, maar ook grote, knokige handen.’Zijn schrijfstijl werd steeds soberder. Minder is meer: bijvoeglijke naamwoorden werden zo veel mogelijk vermeden; korte, simpele zinnetjes moesten het werk doen. Hij wilde een vakman zijn, zei hij. Onzeker, op het angstige af bij elk begin: ‘Je moet je overgeven aan het lot, aan de cijfers, de statistiek, de kaarten, de nummertjes en hoe ze vallen – daar heb je het gokken weer.’ De alinea’s enkel bestaand uit de woorden ‘tja’ of ‘enfin’ werden zijn – ook wel bespotte – handelsmerk. ‘Misschien iets voor op mijn grafsteen’, zei hij ooit. Later gebruikte hij ze nog maar spaarzaam. Aanzwellende werklust
De laatste jaren werd hij gedreven door een aanzwellende werklust die de ‘verloren jaren’ tot zijn 35ste leken te moeten compenseren. Zijn productie werd gigantisch: naast zijn dagelijkse column op de Voorkant stond hij wekelijks nog in het zaterdagmagazine, in Vrij Nederland schreef hij het wekelijkse feuilleton Evelien, dat later succesvol werd verfilmd voor Net 5; hij werkte voor de tijdschriften Schipholland en Noorderbreedte en in menig glossy verschenen al dan niet erotische verhalen van hem. Veel van zijn stukjes en verhalen verschenen later in bundels. Op tv was hij af en toe sidekick in De wereld draait door, onderwijl trok hij met Ronald Giphart en Bart Chabot langs theaters in het hele land. Zijn schrikbeeld was dat van de door hem bewonderde Rotterdamse schrijver Cornelis Bastiaan Vaandrager ‘en andere mislukte schrijvers’. ‘Ik prijs mezelf gelukkig dat ik gelezen word. En iedere dag. Misschien is het ijdelheid. En het is ook niet uit te sluiten dat dit weer een nieuwe verslaving is.’Gewaardeerd
Gelezen werd hij, gewaardeerd ook. In navolging van Het Parool, die het ooit rond Simon Carmiggelt deed, organiseerde de Volkskrant in 2006 een Bril-imitatiewedstrijd. Er kwamen meer dan vijftienhonderd reacties binnen. Het tekende niet alleen zijn populariteit, het legde ook haarfijn bloot dat zijn ogenschijnlijk simpele stijl onnavolgbaar is en vol zit met valkuilen, zodra de pen niet in handen is van de vakman. Zoals hij zelf het geheim achter zijn stukjes eens samenvatte: ‘Geen particuliere prietpraat, geen grachtengordelruzies.’In de vele openhartige en persoonlijke interviews spaarde hij zichzelf niet. Hij noemde zichzelf egocentrisch, geen familieman. ‘Het is heel vervelend om te moeten toegeven, maar het draait toch om mij. Ik roep wel dat ik ontzettend van mensen en gezelligheid houd, en dat is ook zo, maar ook dat moet toch ook weer om mij draaien.’Harde kanten
De vakman had zijn harde kanten, beaamde hij, maar zijn stukjes waren steevast mild, vervuld van weemoed of melancholie. ‘Als je een slager een klootzak vindt en je kijkt twee dagen intensief naar zijn werk, dan krijg je begrip.’ En: ‘Mensen verwachten dat je je ergert. Als je je in je tekst door iets laat ontroeren, zijn ze zelf ook geroerd. Zo werkt dat. Het feit dat we uit onze woorden kunnen komen, is troostrijk. Dat geeft de burger moed.’Hij was nog maar net werkzaam voor de Volkskrant, of darmkanker sloeg toe. Hij durfde en wilde niet verzaken, en was maar kort uit beeld. Hij leek genezen, in interviews sprak hij haast met onverschilligheid over het drama. ‘Het is een van die dingen die kunnen gebeuren. Shit happens, zeg ik altijd.’Noodlot
De dood boezemde hem geen angst in, zei hij. Eind juni 2008 sloeg het noodlot toe. Wat eerst op rsi leek, bleek slokdarmkanker. ‘Ik ben er nog, maar medisch gezien is de situatie tamelijk beroerd’, schreef hij de collega’s na de diagnose. ‘Technisch gesproken ben ik ongeneeslijk ziek. Wanneer die ongeneeslijkheid overgaat in de dood (mijn enige genezing) is evenwel niet bekend.’En: ‘Ik heb nog nooit voor hetere vuren gestaan, maar vuur trekt mij aan (nog altijd fiets ik als een dolle achter de brandweer aan als die door de straat davert, het zal mijn journalistieke instinct zijn, waar zie je dat nog), dus spannend is het ook.’Afgelopen maanden schreef hij steeds openlijker over zijn ziekte, waardig, zonder larmoyant te worden. De vakman toonde zijn meesterschap. Hij eindigde op een felbegeerde plek, waar ooit Stoker en CaMu hem waren voorgegaan: op de voorpagina.