Asbesthandel: te lucratief om mee te stoppen

Met de stof asbest zijn fortuinen verdiend, hoewel de gevaren al lang bekend waren. Steeds meer slachtoffers van ex-marktleider Eternit zoeken genoegdoening....

Zelfs toen hun bedrijf Eternit dit jaar het eeuwfeest vierde in aanwezigheid van prins Filip, trad de familie Emsens niet op de voorgrond. Een van de rijkste geslachten van België – de Emsens zijn miljardair – viert zijn successen het liefst in beslotenheid. Een kleine zevenhonderd kilometer zuidwaarts huist de nog rijkere familie Schmidheiny. De broers Stephan en Thomas, de vierde generatie van dit Zwitserse zakenimperium, zijn volgens het blad Forbes (maart 2005) goed voor een vermogen van 2,8 miljard respectievelijk 3,8 miljard dollar.De families hebben gemeen dat zij op een omstreden manier de basis voor hun fortuin legden: met asbestcement. Hun fabrieken, meestal Eternit genaamd, stonden in tientallen landen inclusief Nederland. Veel vestigingen waren actief tot diep in de jaren negentig. Ofwel: lang nadat bekend was dat asbest kankerverwekkend is. De afgelopen jaren zijn talloze rechtszaken gevoerd tegen Eternit – het bedrijf bestaat nog. Nederlandse ex-werknemers en hun familie hebben intussen recht op schadevergoeding bij ziekte. Moeilijker ligt dat bij consumenten en bij omwonenden van de Eternitdochters in Goor en Harderwijk, die gratis asbestafval kregen voor op hun erf of tuinpad. Vorig jaar gaf de rechtbank in Almelo voor het eerst een zieke omwonende gelijk, maar Eternit ging in hoger beroep. In november oordeelt de Hoge Raad over de zaak van een – inmiddels overleden – vrouw (53) die asbeststof inademde tijdens de bouw van een schuur. Het probleem in veel zaken is echter dat Eternit beweert lange tijd niet te hebben geweten dat asbest schadelijk is. Verder stelt de Nederlandse tak, waarvan een ex-directeur (60) dit jaar overigens zelf overleed aan asbestkanker, geen relatie te hebben gehad met buitenlandse Eternitbedrijven. ‘Ze zouden alleen de naam gemeenschappelijk hebben, beweren ze in de laatste rechtszaak’, zegt advocaat Bob Ruers. Hij deed intussen zo’n duizend asbestzaken, en geldt ook buiten Europa als een van de belangrijkste asbestexperts. Tijdens een twee jaar durend onderzoek naar de geschiedenis van Eternit deed Ruers echter een ‘opzienbarende ontdekking’: de diverse Eternitbedrijven waren onderling sterk verweven, en operereerden bovendien samen met concurrenten al sinds 1929 in een kartel. In deze Sociétés Associés d’Industries Amiante-Ciment (Saiac) wisselden ze ervaringen uit. Ruers: ‘Uit de stukken blijkt dat hun kennis over asbest op een verbazingwekkend hoog niveau stond. Dit is van groot belang voor alle toekomstige zaken tegen Eternit. Ze kunnen niet meer beweren dat ze van niets wisten.’ Zo werd de Nederlandse tak in 1950 door een kartellid nog eens gewezen op de situatie in Engeland, waar bijvoorbeeld ademhalingsapparaten al in 1931 bij wet verplicht werden. In het SP-rapport Het asbestdrama. Eternit en de gevolgen van honderd jaar asbestcement schetst Ruers met co-auteur Schouten in 120 pagina’s hoe de asbestindustrie in elkaar zat. In veel landen wisten bedrijven wetgeving lange tijd te omzeilen of te vertragen.In 1905 waren de gevaren nog niet bekend. Alphonse Emsens begon met het maken van asbestcement, een procédé dat door een Oostenrijker was bedacht. Vijftien jaar later namen ook de Schmidheiny’s belangen in de Eternitfabrieken, die in talloze landen uit de grond werden gestampt.Maar al in die beginjaren rinkelden de alarmbellen. In 1918 constateert het Amerikaans bureau voor arbeidsstatistiek dat grote levensverzekeraars geen polissen meer verkopen aan werknemers van asbestbedrijven – uit statistieken bleek dat zij eerder stierven. De eerste bekende schadeclaim dateert uit 1929, tegen het Amerikaanse bedrijf Johns-Mansville.Het verband tussen asbest en kanker wordt evenwel pas in de jaren vijftig en zestig keihard aangetoond. Daarom trekken Britse en Amerikaanse spelers zich geleidelijk terug. Johns-Mansville gaat niettemin failliet aan claims. De activiteiten in Azië en de VS komen in handen van de firma die tot de eeuwwisseling goud blijft verdienen aan asbest: Eternit.Volgens Ruers heeft dit bedrijf een loopje genomen met de gezondheid van mensen. In 1997 bezocht SP-Kamerlid Poppe onaangekondigd een Eternit-fabriek in België. Daar bleken zelfs de simpelste hygiëneregels niet te worden nageleefd .De grootste zorgen heeft Ruers over de verwachte asbestepidemie in ontwikkelingslanden. Op veel plaatsen waar Eternit als laatst overgebleven westerse asbestbedrijf het hazenpad koos, hebben lokale ondernemers de lucratieve handel voortgezet. Het gebruik van asbest neemt daar zelfs toe bij gebrek aan wetgeving. ‘Alleen al in Vietnam staan veertig florerende asbestfabrieken’, zegt Ruers. ‘Ze werken daar nog alsof er niets aan de hand is. Maar ook in Indonesië, India en China gaat men gewoon door.’ Dat een ‘zogenaamd beschaafd land’ als Canada – via een staatsbedrijf – asbestvezels blijft exporteren, noemt hij ‘een regelrecht schandaal’. Alternatieven voor asbest zijn al dertig jaar beschikbaar.Maar internationaal dringt langzaam door dat asbestbedrijven hun verantwoordelijkheid moeten nemen. Zo keert Eternit in Nederland smartengeld uit, maar niet in landen waar dat niet hoeft. Zelfs België heeft hiervoor nog geen wetgeving. Bij Ruers hebben zich recent honderden ex-Eternitwerknemers uit Nicaragua gemeld. ‘We kijken nu of we naar de Belgische of de Zwitserse tak stappen.’De families Emsens en Schmidheiny zelf hebben weinig te vrezen. Ze gaan verscholen achter bv’s en genieten aanzien in eigen land. De Emsens bezitten een Belgische multinational, Etex (twaalfduizend werknemers in 35 landen), actief in bouwmaterialen. Thomas Schmidheiny is mede-eigenaar van beursfonds Holderbank/Holcim, een van ’s werelds grootste cementmakers. Broer Stephan is een veelgeprezen filantroop.Laatstgenoemde zit echter niet rustig. Justitie in Italië doet sinds eind 2001 onderzoek naar de Zwitserse tak van Eternit, inclusief de ex-topman zelf. Het bedrijf huurde Italiaanse gastarbeiders in, waarvan er velen dodelijk ziek werden. Bovendien liet het bedrijf een zwaar vervuild terrein in Turijn achter. In The Wall Street Journal reageerde een verongelijkte Schmidheiny vastberaden: ‘Ik ga nooit naar een Italiaanse gevangenis’.