'Van oude Indiase muziek weten we niets'

Bijzonder hoogleraar en sarangi-speler Joep Bor adviseerde het Concertgebouw over muziek en dans op het grootscheepse Indiafestival. ‘Hier duurt een raga-nacht slechts tot vier uur in de ochtend.’ Door Roland de Beer..

Joep Bor woonde met vrouw en kind in het hartje van New Delhi, toen het nieuws zich verspreidde dat premier Indira Gandhi was doodgeschoten door twee Sikhs, nota bene haar lijfwachten. Vanaf zijn terras zag Bor de navel van India in brand staan. ‘In één nacht werden tweeënhalf duizend Sikhs vermoord.’ Bor ging de stad in en zag hysterie. Achteraf denkt hij dat de acties georganiseerd waren. ‘Ze wisten waar elke Sikh in Delhi woonde. De Congrespartij heeft gewoon beslist: afmaken die handel.’Dat was weer iets anders dan het botanisch onderzoek en de studie van ochtend- en avondraga’s waar Bor, bioloog en leerling van de muziekmeester Dilip Chandra Vedi, al jaren voor naar India kwam. De Indiase paradox van spiritualiteit en uitbarstend geweld mocht bij de moord op Indira Gandhi anno 1984 nog een voor de hand liggende verklaring hebben. Afvallige Sikhs hadden de Gouden Tempel van Amritsar bezet. Gandhi had bevolen – foutje – het vuur te openen op het heiligdom. Ingewikkelder lag het met de stadsbranden waar Bor later in verzeild raakte toen het in de miljoenenstad Bombay plotseling tot een algeheel treffen kwam tussen moslims en hindoes. Bor reed er in een autootje doorheen.‘Ik ben niet bang uitgevallen’, zegt hij. ‘Maar bij die ellende rond de moord op Gandhi kneep ik ’m. Ik zat er met een baby en een Amerikaanse vrouw. Er werd geroepen dat de CIA in het complot zat. Dat voelt onprettig.’Joep Bor (1946), zoon van een violist en broer van de violisten Dick Bor (1944-2007) en Christiaan Bor (1950), was 24 jaar toen hij zijn spaarpot omkeerde en voor het eerst in z’n leven het vliegtuig nam naar Bombay. Met drieduizend gulden op zak kon je het toen best twee jaar in India uithouden. Gegrepen door de kunst van de sitarspeler Ravi Shankar, wiens wereldfaam niet meer kapot kon na zijn samenwerking met de Beatle George Harrison, had de biologiestudent Joep Bor besloten sarangi te leren spelen. Zo’n Indiase viool, die de speler rechtop op schoot houdt. ‘Het was een obsessie geworden. Sarangi spelen en de toonschalen begrijpen, de raga’s.’ Het was een tijd waarin India werd overstroomd door liftende of in oude Volkswagenbusjes reizende cannabis- en waarheidszoekers. Het land kreeg ook bezoek van grote aantallen westerlingen wier leven niet meer compleet was zonder de klank van sitar en tabla. ‘Er zat romantiek in’, zegt Bor. ‘Ook bij mij. Maar ik ging echt voor de muziek.’Bor trof het nog redelijk: ‘Ik had boekjes gelezen. Dat je een meester kon zoeken die voor niets les gaf, een goeroe. Nou, ik heb het geweten. Het grootste deel van de tijd heb ik zitten verdoen. De man die ik vond, Ram Narayan, gaf alleen les als hij er echt zin in had, en dat was niet vaak het geval. Heel zwaar. Goed, hij is nu 82 en we zijn nog steeds vrienden.’Honderden muziekzoekers keerden onverrichter zake terug naar het Westen (‘je kan wachten tot je een ons weegt, voor je een keer goed les krijgt’). Met India-idylles, verbrijzeld door ziektes (‘ik heb óók geelzucht opgelopen en 250 steenpuisten’). Met communicatietrauma’s (‘naar huis telefoneren was een dagtaak: wachten op het telefoonkantoor en schreeuwen’). Met beelden van honger en armoede op het netvlies (‘Calcutta was het choquerendst’). Bors vriend Wim van der Meer, die nu les geeft aan de Universiteit van Amsterdam, bleek in Delhi een oude zanger te hebben gevonden. Dilip Chandra Vedi. ‘Een geweldige vent. Met enorme kennis. Iemand die serieus onderwijs gaf. Hij had er geen moeite mee een sarangispeler les te geven.’Bor zocht hem in 1975 op, verruilde zijn Indiase gewaad voor westerse plunje en een diplomatenkoffertje, en bleef, zijn tijd aanvankelijk nog verdelend tussen plantencellen onder de microscoop en snaren onder de strijkstok, Vedi’s leerling tot de dood. Met tussenpozen en ‘felle cultuurschokken’. De meester stierf in 1992, 91 jaar oud. Bor was inmiddels coördinator wereldmuziek van het Rotterdams Conservatorium.Opgeklommen tot een bijzonder hoogleraarschap in extra-European performing arts studies aan de Universiteit Leiden, vloog Joep Bor twee jaar geleden naar Bombay met enkele kopstukken van het Amsterdamse Concertgebouw aan zijn zijde: directeur Simon Reinink, adjunctdirecteur Anneke Hogenstijn en producent Bubo Damen. Bor was hun adviseur.Van Bombay in West-India, waar Bollywoodstudio’s en de privéschool van de fluitgrootmeester Hariprasad Chaurasia werden bezocht, vloog het gezelschap naar Bangalore in het oosten. Daar stapte men over in een terreinwagen, waarna in gloeiende hitte een traject van uren werd afgelegd ‘naar een dansschool in de rimboe’, zoals de Concertgebouwdirecteur het ervoer (Reinink: ‘ik voelde me Indiana Jones’). Van Kerala in de zuidpunt van India, waar het kathakali-danstheater floreert dankzij spartaanse trainingen, en waar het gestel van een danser wordt getest door hem neer te leggen en de rest van de groep over hem heen te laten lopen, ging het naar het noorden, naar Delhi.Er werd een land doorkruist van 1,1 miljard inwoners, waar de economische groei de laatste jaren alle records heeft gebroken. Waar Tata Steel met miljarden uit de kontzak Corus ofwel British Steel/Hoogovens heeft gekocht, waar Europese bedrijven hun technologiedivisies hebben geparkeerd, waar snelle breinen de communicatie regelen van Amerikaanse telefoon- en luchtvaartmaatschappijen. Waar de export van film- en plaatproducties uit Bombay (‘Bollywood’) die van Hollywood naar de kroon steekt, en waar de raga en de tempeldans op onverminderd prestige rekenen. Genoeg reden voor het Concertgebouw – graag alert op kunst en zaken – voor een Amsterdam India Festival waar haast alle prominenten van de klassieke Indiase muziek en dans van dit moment wel in een of andere rol zijn te vinden. Het begint komende woensdag met een kathakali-spektakel van kleurig opgemaakte dans- en mimevirtuozen, begeleid door zang, cimbalen en reuzentrommels. Het eindigt twaalf dagen later met een Bollywood Bazaar, waar India volgens Bor een innoverende kant zal laten zien, met het Dhroeh Nankoe Ensemble, zij aan zij met Holland Symfonia, het Nationale Ballet en de Indiase dj Bally Sagoo. Ertussenin treden groten van de traditie op als de luitspeler Amjad Ali Khan, de zingende Niyazi Brothers, en de bamboefluitist Chaurasia, die ook bekend is van het conservatorium in Rotterdam. En daar zien we de tablaspeler met de ‘sprekende handen’ Zakir Hussain, volgens Bor ‘India’s bekendste musicus sinds Ravi Shankar’. Puur en alleen al met het oog op de rijkdom aan Indiase tradities, bedachten Hogenstijn en Bor een concept van double bills: per avond verschillende coryfeeën op het affiche. Bor: ‘Het heeft soms moeite gekost, maar ook de grootste namen hebben zich erbij neergelegd.’ Dat daar ook nog eens bijkomt dat concerten zich vaak tegelijkertijd afspelen (Bor: ‘Zo kan ik helaas dus niet alles horen’), is een complicatie waar Bor zich op zijn beurt bij moest neerleggen. Hij zal, letterlijk, cross overs maken van Grote naar Kleine Zaal en omgekeerd.De kracht van de Indiase muziek – ultieme concentratie van kunstenaars in minimale opstelling, die eindeloos ritmische elementen toevoegen en/of de mogelijkheden van één tonaal gegeven uitpluizen – leidt tot illusies van opheffing van tijd en plaats. Zo kunnen raga-nachten in India tot zeven of acht uur in de ochtend duren, zegt Bor, ‘waarna iedereen weer gewoon naar zijn werk gaat.’ Het Concertgebouw heeft besloten dat het bij zijn Amsterdamse raga-nacht wel welletjes is om vier uur in de zondagochtend. Dat zal, denkt Bor, ‘een zekere tijdsdiscipline’ vergen van de zeven of acht deelnemende coryfeeën, die onder elkaar ‘ongetwijfeld’ een pikorde zullen opstellen waarbij de grootste autoriteit als laatste optreedt. Als die voor vieren aan de beurt weet te komen.Met de fototentoonstellingen, filmvertoningen (de Keukenhof blijkt een geliefde Bollywoodlocatie), de architectuurexpositie en symposiumthema’s als kinderarbeid en gay India heeft Bor zich niet bemoeid. Dat alles speelt zich af – ook al niet bij te benen – in de Balie, het Tropenmuseum, het Filmmuseum en twintig andere locaties in Amsterdam, Utrecht en Den Haag. Over de oude paradox van het kastenverschil wil hij wel vast kwijt dat ‘als iets duizenden jaren heeft bestaan, je niet kunt verwachten dat het in een paar jaar weg is.’Het raadsel van India – de ouderdom van zijn tradities, waarvan niemand kan zeggen hóe oud ze eigenlijk zijn – brengt de hooggeleerde Bor, eindredacteur van een wereldwijd geprezen Raga Guide en auteur van het eerste standaardwerk over de geschiedenis van Indiase strijkinstrumenten, soms tot geschater. Waarom de muziek- en danstradities in Noord-India (‘hindoestaans’) en het zuiden (‘karnatisch’) totaal verschillend zijn: ‘Niemand weet het, haha.’ Hoe oud de strijkstok is, waaraan ook wij in het westen onze Janine Jansens danken: ‘Heel jong nog maar, pas sinds 900 of 1000 na Christus.’ De niet-zo-eeuwenoude Indiase harmoniums waar Dhroeh Nankoe en anderen van onze tijd op excelleren: ‘Dat was hét instrument van de courtisanes.’ Eigenlijk, concludeert Bor, die op zijn 19de bij een Chinese winkelier in de Amsterdamse Leidsestraat zijn eerste sarangi of Indiase viool kocht (‘een lor’), weten we van de Indiase muziek tot 1903 helemaal niets. ‘Als het om de muziek-sec gaat, weten we pas van de hoed en de rand sinds ze werd opgenomen. Daar hebben de Britten werk van gemaakt, want er was een enorme afzetmarkt. Iemand heeft uitgezocht dat er vanaf 1903 een half miljoen plaatopnamen zijn gemaakt.’Goed dat in Parijs anno 1839 voorverhalen werden afgedrukt, waarin te lezen viel dat de Zuid-Indiase danseressen of bayadères die in Bordeaux voet aan wal hadden gezet voor een Europese tour geen hoeren waren maar tempeldames. Goethe dichtte, eerder al, over Der Gott und die Bajadere. Bor: ‘Maar het komt van het Portugees, bailladera, wat weer gewoon ‘danseres’ betekent.’ Zo ziet Bor ook in de Westerse interesse voor India ‘een al eeuwen bestaande golfbeweging’. En zo zal hij Pierre Boulez, de profeet van de muzikale avant-garde die rond 1960 de Indiase muziek ‘morsdood’ verklaarde, graag gelogenstraft zien in de bijdragen van Indiase musici uit India, respectievelijk Westerse strijkers die zich Indiaas lieten scholen (de violiste Lenneke van Staalen, de celliste Saskia de Haas). Ook Indiase musici die zich in het Westen in Indiase muziek lieten scholen zijn van de partij (Dhroeh Nankoe). Respectievelijk Westerse musici (Ensemble Modern, de violist Daniel Hope) die de raga induiken. ‘Ooit zal er een moment komen, dat een westerling het allerhoogste niveau bereikt.’ Nee, Bor ziet zichzelf of Saskia de Haas niet 25 jaar op één been staan, ‘zoals een vent die ik in Jaipur zag’. Ook de heiligen die hun vingernagels door hun handpalm laten groeien en naar festijnen reizen waar gelovigen ‘bij bosjes worden vertrapt’, hij hecht er ‘geen overdreven belang’ aan. ‘Ik denk dat veel grote Indiase musici ook niet erg religieus zijn. Af en toe een tempel langs, en verder valt het wel mee. Het blijven musici.’