Staatssecretaris Halbe Zijlstra bij de opening van het 41ste International Film Festival Rotterdam.
Staatssecretaris Halbe Zijlstra bij de opening van het 41ste International Film Festival Rotterdam. © ANP

Kunstwereld twijfelt: heeft Halbe Zijlstra dan toch gelijk?

Knarsetandend wordt binnen de kunstwereld toegegeven dat het harde kunstbeleid voordelen heeft. 'Blijkbaar heb je een botterik nodig voor echte veranderingen.'

'Het was natuurlijk hoog tijd dat de kunstsector eens echt werd aangepakt', zegt de directeur van een lobby-organisatie tijdens de afscheidsborrel van het Nationaal Historisch Museum, nu anderhalve maand geleden. 'Maar dat kan ik in mijn positie echt niet hardop zeggen.' De directeur van een grote kunstinstelling spreekt nagenoeg dezelfde woorden tijdens de opening van het International Film Festival Rotterdam, vorige week woensdag. 'Maar je begrijpt, dit is off the record.' De directeur van een andere lobbyclub: 'Dat de hele sector flink opgeschud mag worden, staat buiten kijf.' Maar ook hier geldt de voorwaarde van anonimiteit. 'Niemand wil de indruk wekken dat Zijlstra niet zo gek bezig is.'

Dat de bezuinigingen van 200 miljoen euro op de kunstsubsidies disproportioneel en schadelijk zijn, daar is iedereen in de kunstwereld het, on en off the record, nog steeds over eens. Maar tegelijkertijd wordt steeds breder erkend dat het beleid van staatssecretaris Halbe Zijlstra ook goede elementen kent. Grotere gerichtheid op het publiek, verzakelijking, samenwerking, nauwere banden met de stad en de regio, het terugdringen van het overaanbod: de kunstwereld wordt er mede door de hoge bezuinigingen toe gedwongen. En dat vinden zelfs degenen wier achterban daar last van heeft, eigenlijk wel een goede zaak.

Aanvragen
Het brengt de kunstwereld in een gespleten positie. Enerzijds bestaat er nog steeds de boosheid over de kortingen. En nu het kabinet nieuwe bezuinigingen moet doorvoeren door de eurocrisis, bestaat de kans dat ook de kunstsector opnieuw moet bijdragen. Zijlstra weigerde in november, bij de behandeling van de begroting over 2012, nieuwe kortingen op de kunsten uit te sluiten. En zolang dat het geval is, is het buitengewoon onhandig hem en plein public op onderdelen gelijk te geven.

Anderzijds zet het beleid aan tot nieuwe creativiteit en samenwerkingsverbanden. Of en hoeveel kunstinstellingen slimme plannen maken, moet nog blijken. In Rotterdam werden de aanvragen al eerder ingediend, in Amsterdam moesten ze dinsdagmiddag binnen zijn. Bij het Fonds Podiumkunsten moeten de aanvragen er begin maart liggen.

Afgelopen woensdag, om 17.00 uur, sloot de inzendtermijn voor de aanvragen voor subsidie van het Rijk. De ambtenaren op het ministerie van Cultuur werken met man en macht om ze te controleren en daarna door te sturen naar de Raad voor Cultuur. Die gaat erover adviseren.

Gered
Een aantal voornemens is al bekend. Kunstinstellingen, zo blijkt, zijn niet voor een gat te vangen. Eindhoven neemt mogelijk het Nederlands Kamerkoor (nu nog gevestigd in Amsterdam) onder zijn hoede. In Utrecht heeft Huis aan de Werf makers als Boukje Schweigman en Lotte van den Berg aan zich weten te binden. Eerder al werd bekend dat het literaire tijdschrift De Gids wordt gered door het opinieblad De Groene Amsterdammer. En twee kleinere musea, Meermanno in Den Haag en Boerhaave in Leiden, wisten met acties hun eigen inkomsten zo fors omhoog te krikken dat ze toch kunnen blijven bestaan.

Maar als je erin slaagt met minder of zelfs zonder subsidie te blijven bestaan, dreig je het gelijk van Zijlstra te bevestigen. Als je niet je uiterste best doet, verdwijn je, en bevestig je het ongelijk van de staatssecretaris. Maar dan besta je dus niet meer. Bovendien is het paradoxaal genoeg een gehate buitenstaander, 'Halbe Zool' Zijlstra, die de veranderingen brengt waar ook binnen de kunstwereld al jaren naar werd verlangd. Iets dat onder zijn voorganger, zelfverklaard vriend van de kunsten Ronald Plasterk, in veel mindere mate gebeurde. Zit Zijlstra dan toch goed?

Ja en nee, vindt Toine Berbers. 'Dat er hervormd moet worden was al communis opinio', zegt de directeur van de Vereniging van Rijksmusea. 'Mijn vereniging is daar al jaren mee bezig. Er waren door Zijlstra's voorgangers ook al stappen gezet. Maar het ging tergend langzaam. Nu gebeurt het omgekeerde. Er wordt én te fors bezuinigd, én te snel. Maar tegen Zijlstra's uitgangspunten kun je niet zoveel bezwaar maken. Er waren te veel regelingen, te lang is de middelmaat gesubsidieerd, er heerste dedain voor het publiek. Maar tijdens alle protesten was het lastig dat te zeggen. Want dat was heulen met de vijand.'

Ingewijden
Die angst had onderzoeker in de cultuursector Letty Ranshuysen ook, toen in juni vorig jaar een ingezonden stuk van haar hand verscheen in de Volkskrant. Kop: 'Ja, kunst is te veel voor ingewijden'. Ze stelde dat de kunstwereld het draagvlak voor de bezuinigingen zelf heeft geschapen. Ingewijden verdeelden de subsidies, met als belangrijkste criterium vernieuwing. Zo ontstond volgens Ranshuysen bij velen het gevoel dat ze onbegrijpelijke kunst door de strot kregen geduwd. 'Niet alleen in musea, galeries, theaters en concertgebouwen, maar ook in de openbare ruimte en in de media.'

Waar Ranshuysen voor vreesde, was instemming met haar betoog uit PVV-hoek. 'En daar wil ik totaal niet mee geassocieerd worden.' Maar niets bleek minder waar. 'Ik kreeg vooral mailtjes uit de kunstwereld en van kunstbezoekers die het met me eens waren en mijn artikel moedig vonden.'

Experimenteel
Hoe kan het dan dat het nog een taboe lijkt om ook de goede kanten te noemen van Zijlstra's beleid? Ranshuysen, socioloog: 'Waar het in de kunstwereld om gaat, is erbij te willen horen. Als je laat merken dat je experimentele kunst weet te waarderen, dan is dat het geval. Zijlstra trekt zich daar niets van aan, die maakt er juist gebruik van dat hij er niet bij hoort. Dat roept extra weerstand op.' Hetzelfde zag Ranshuysen gebeuren toen PvdA-econoom Rick van der Ploeg als staatssecretaris van Cultuur begin jaren negentig pleitte voor meer aandacht voor educatie, jongeren en minderheden. Toen viel de hele kunstwereld over hem heen en was er sprake van dezelfde enorme verontwaardiging. 'Toch heeft hij uiteindelijk wel wat veranderingen kunnen doorvoeren.'

Plasterk daarentegen hervormde niet overmatig veel. 'Hij was gevoeliger voor lobby's omdat hij er wel bij wilde horen', zegt Ranshuysen. 'Hij werd heel snel onderdeel van het systeem. Blijkbaar moet je botteriken hebben als Zijlstra en Van der Ploeg om echt veranderingen door te voeren.' Ook volgens Berbers, voorheen acht jaar directeur van het Nederlands Filmfonds, heeft Plasterk weinig beleid gevoerd. 'Een aardige man voor de sector, maar met niet heel veel visie. Alhoewel onder hem wel de eigen-inkomstennorm is ingesteld. En ook hij drong aan op een groter publieksbereik en meer verzakelijking.'

Verzakelijking
Zijlstra treedt dan ook in de voetsporen van zijn voorgangers, zegt cultuursocioloog Dos Elshout van de Universiteit van Amsterdam. Hij doet onderzoek naar de verzakelijking van het cultuurbeleid sinds de Tweede Wereldoorlog. 'Nog voor Elco Brinkman minister van Cultuur werd, in 1982, werden al aanzetten gegeven tot verzakelijking', zegt Elshout. 'Onder Van der Ploeg kwam dat in een stroomversnelling. Maar voor iedere bewindspersoon gold in ieder geval dat subsidies belangrijk zijn voor de kunst - daarover bestond consensus. Daardoor bleef de kunstwereld soeverein en is hij altijd relatief ontzien.'

Dat is onder Zijlstra radicaal veranderd, zegt Elshout. 'De tone of voice is heel anders. Het onaanraakbare is weg, de kunstsector wordt niet langer buiten schot gehouden. Zijlstra is een buitenstaander, een saneerder. Er is door hem en anderen tamelijk grof over de kunstwereld gepraat. Onder druk van de bezuinigingen gaan de ontwikkelingen nu veel sneller. Het kunstenstelsel verandert van aanbodgericht naar vraaggericht. Ook dat was al gaande, maar nu is sprake van een onomkeerbare ontwikkeling.'

Volgens Berbers heeft de kunstwereld te laat ingezien dat het draagvlak voor bezuinigingen steeds groter werd. 'Al waren er zeker mensen die aan de bel trokken, zoals Gitta Luiten en Lex ter Braak. Als directeuren van beeldende-kunstfondsen waarschuwden ze al voor het wegvallen van de legitimering van overheidssteun voor de kunsten.'

Berbers schreef in een analyse voor de zogenoemde Tafel van Zes - waarin de kunstwereld zelf voorstellen deed voor een nieuw stelsel - dat de overheid in de jaren na de Tweede Wereldoorlog een te groot deel van de financiering naar zich toe trok. De smaak werd er een van specialisten, waardoor de kunstwereld vervreemdde van de gegoede burgerij, traditioneel een belangrijke steunpilaar voor de kunsten. 'De kunstwereld heeft zich te lang rijk gerekend met steun van politici, zoals Dijkstal en Bolkestein. Maar die hebben het niet meer voor het zeggen.'

Grof geschut
Onderzoekster Letty Ranshuysen is, ondanks haar kritiek dat de kunstsector die zelf in de hand heeft gewerkt, bepaald niet blij met de bezuinigingen. 'Het heeft heel lang geduurd voor de kunstwereld in beweging is gekomen, er moest heel grof geschut ingezet worden. Maar deze bezuinigingen gaan veel te ver. Het wordt een slachting. Er wordt namelijk niet alleen gesnoeid in het overaanbod van complexe kunst voor de ingewijde liefhebber, maar ook in meer toegankelijk aanbod waarmee de niet-ingewijden met kunst kennis kunnen maken. Dit type aanbod zou juist versterkt moeten worden om het afgekalfde draagvlak voor de kunsten in Nederland te vergroten. Bovendien laat Zijlstra de echt grote instellingen buiten schot. Terwijl ook daar veel efficiënter gewerkt zou kunnen worden.'

UvA-docent Dos Elshout vindt dat de balans is doorgeslagen naar de andere kant. 'Het evenwicht is zoek, dat vind ik bedreigend. Natuurlijk is het prachtig dat twee musea die altijd maar wat sudderden, nu zoveel aandacht en geld hebben weten te genereren. Maar dat gaat niet iedereen lukken.' Berbers: 'Aan het eind van de rit zal blijken dat er allerlei instellingen zijn gesneuveld die niet hadden mogen sneuvelen.' De directeur van een lobbyclub, off the record: 'Dit prikkelt mensen om tot het uiterste te gaan om overeind te blijven. Maar als we iets meer tijd hadden gekregen, had er niet zoveel kapot hoeven gaan.'