Schilderachtig Jephta kent fantastische zang

Opera - Jephta (Nationale Opera)

Het toneelbeeld van de opera Jephtha is schilderachtig mooi. Er zit continu beweging in deze productie. De grootste troef van deze voorstelling is de zang.

Jephtha (****), opera.
Regie: Claus Guth, Concerto Köln o.l.v. Ivor Bolton
9/11, Nationale Opera & Ballet, Amsterdam.
T/m 27/11.

Er zijn drie goede redenen waarom je Jephtha, de nieuwe productie van De Nationale Opera, moet zien en horen. Eén: de muziek van Händel behoort tot zijn beste werk en zo vaak wordt Jephtha nou ook weer niet uitgevoerd. Twee: de sublieme cast. Drie: de regie van Claus Guth. Want wat heeft de Duitser een bijzondere productie gemaakt van dit stuk dat eigenlijk geen opera ís.

Offerverhaal

Jephtha (1751) is een oratorium van Georg Friedrich Händel (1685-1759). Waar veel opera's juist bezwijken onder de overtollige verhaallijnen, had Claus Guth in Jephtha alle ruimte om lagen toe te voegen en de personages in te kleuren. In het libretto, gebaseerd op het Bijbelboek Rechters, gaat het zo. De Israëlieten zoeken een legeraanvoerder die hen kan leiden in de strijd tegen de Ammonieten. Jephtha wordt gevraagd en stemt in, mits hij daarna leider van Israël zal worden. Zijn dochter Iphis is verloofd met de heldhaftige krijgsman Hamor; bij een goede afloop zullen zij trouwen.

Maar Jephtha doet een gelofte: hij zweert dat als God hem helpt de veldslag te winnen, hij het eerste levende wezen zal offeren dat hij tegenkomt. Bij thuiskomst wordt hij verwelkomd door zijn dochter. Zij berust in haar lot en bereidt zich voor te worden geofferd. Anders dan in de Bijbel blijft Iphis gespaard, op voorwaarde dat ze maagd blijft.

Iphis' niets-aan-de-handdansjes worden afgezet tegen een lijkenstapel op de achtergrond: sterk

Een slap einde, moet regisseur Guth hebben gedacht. In zijn versie is er niet sprake van een happy end. In de laatste scène zie je een dolende Jephtha die zich zijn fout niet lijkt te kunnen vergeven; Iphis wordt kortgeknipt en trekt de veren uit haar kussen; Hamor stort uitgeput ter aarde.

Guth maakt van Iphis een naïef bloemenmeisje. Haar Woodstock-achtige niets-aan-de-handdansjes worden afgezet tegen een lijkenstapel op de achtergrond: sterk. Het toneelbeeld is verder schilderachtig mooi. Er zit continu beweging in deze productie, die in groot contrast staat met de vorige DNO-voorstelling, de kille en kale (en volgens velen mislukte) Manon Lescaut (regie Andrea Breth). Guth speelt slim met projecties en weet met eenvoudige middelen te ontroeren.

Maar de grootste troef van deze productie is de zang. De titelrol wordt vertolkt door tenor Richard Croft, die bij de première in het Amsterdamse Muziektheater een zeer geloofwaardige Jephtha neerzette. En ook de andere rollen werden fantastisch ingevuld. De Nationale Opera kon het zich permitteren om voor de relatief bescheiden rol van Zebul (de halfbroer van Jephtha) de bas-bariton Florian Boesch te strikken. Als Hamor wist Bejun Mehta na een wat weifelend begin (onvolkomen intonatie in de laagte) te schitteren. De countertenor, die bij DNO in 2012 een onuitwisbare indruk maakte in zijn rol in Written on Skin (George Benjamin), klonk doorleefd en oprecht.

Anna Prohaska

Het grootste applaus ging echter naar Anna Prohaska (Iphis), de Oostenrijkse, meisjesachtige coloratuursopraan, die met haar kleurrijke, lichte stem zo veel losmaakte dat je vanuit alle kanten van het publiek gesnik hoorde.

Was dan echt álles goed aan deze Jephtha? Dat ook weer niet. Te vaak werden het verder uitstekend spelende Concerto Köln, dat onder leiding stond van Ivor Bolton, en de zangers het niet eens over het tempo. Het koor wekte soms de indruk niet op volledige kracht te zingen. Maar afgezien daarvan was het een topprestatie. Jephtha is van begin tot eind ontroerend.

Oratorium

Dat De Nationale Opera nu een oratorium brengt als opera, is niet zo gek: de genres lijken nogal op elkaar. Händel vierde zijn belangrijkste successen in Londen, waar hij het grootste deel van zijn leven woonde. Daar had hij een booming business met zijn Italiaanstalige opera's. Toen de belangstelling daarvoor afnam en hij concurrentie kreeg van een ander operahuis, verlegde hij zijn focus. Zo zie je dat hij tegen het einde van de jaren dertig van de achttiende eeuw steeds meer oratoria en nauwelijks nog opera's maakt.

Beide genres kennen aria's (solo-zangstukken) en recitatieven (de stukken waarin het verhaal wordt verteld), maar het koor kreeg een grotere rol. Waar Händels opera's vaak over historische helden gaan, gaan oratoria over Bijbelse thema's. Een nog belangrijker verschil: de oratoria werden gezongen in het Engels - iedereen kon ze verstaan.

Händels bekendste is Messiah (1741), waarvoor in het Verenigd Koninkrijk rond de kerstperiode de kerken en concertzalen volstromen. Steeds vaker wordt het stuk ook in Nederland uitgevoerd in december. Op 10 december organiseert De Nederlandse Reisopera een meezing-Messiah in theater Carré.