Zwart, sterk en miskend

Hij eindigde afgelopen weekend als tweede op de WK in Hamar. Shani Davis bewees dat 'negers kunnen schaatsen', zoals een Amerikaans tijdschrift kopte. De moeizame mars van zwarte Amerikanen door de blanke sportbolwerken is nog niet ten einde.

Een moederhart, een gouden hart! Op 26 februari 2002 - de Olympische Winterspelen van Salt Lake City zijnamper voorbij - valt bij het Olympisch Comité van de Verenigde Staten (USOC) een brief in de bus met, onder meer, de volgende mededelingen:

'Ik wil allen bedanken die een bijdrage hebben geleverd aan het beliegen, lastigvallen en negeren van Shani en/of het kleineren van zijn prestaties. (...) Ik denk dat ik ook NBC moet bedanken voor het beledigen en/of uitsluiten van de zwarte gemeenschap in de Winter Olympische Beweging. Ja, NBC deed er alles aan om de eerste Amerikaans-Afrikaanse atleet die in een olympische ploeg werd opgenomen zónder dat hij blanken van een heuvel af moest duwen, te negeren. En alsof dat niet genoeg was, deden Bob Costas en Eric Flaim (commentatoren, red.) fantastisch werk om Shani als inferieur af te schilderen.'

Was getekend, Cherie Davis. Moeder van Shani Davis, tijdens de Winterspelen lid van de Amerikaanse shorttrack-ploeg. Maar inmiddels vooral de man die het afgelopen weekeinde in Hamar achter zijn landgenoot Chad Hedrick als tweede eindigde tijdens het WK schaatsen voor allrounders. Shani Davis, van 13 augustus 1982, from the southside of Chicago, the meanest part of town. Neger. Sterker, scháátsende neger.

Het sporttijdschrift Sportweek vatte een en ander deze sportweek kernachtig samen onder de kop 'Negers kunnen schaatsen'. Wie had dat gedacht. Ze kunnen het zelfs zo goed, zei menig insider na afloop, dat Shani Davis het in zich heeft uit te groeien tot een heerser van de langebaan - het moet niet gekker worden.

'Negers kunnen schaatsen': het klinkt als een verre echo uit het grijze sportverleden, toen zwarte Amerikaanse sporters de blanke bolwerken van de sport binnendrongen, er hun rechtmatige plaats opeisten en werden ontvangen met verbijstering en, vaak althans, afkeer en tegenwerking.

Negers konden golfen, bleek toen Charles Sifford na jarenlange obstructie in 1961 als eerste zwarte speler werd toegelaten tot de tour van de PGA, de organisatie van profgolfers, al werd hem het meedoen tijdens prestigieuze evenementen als The Masters en de Ryder Cup nog lang onmogelijk gemaakt. Sifford, 81 inmiddels, was de wegbereider voor Tiger Woods, de beste golfer aller tijden en een van de grote iconen van de hedendaagse mondiale sport.

Negers konden tennissen, zagen we toen Althea Gibson in 1956 als eerste zwarte vrouw de Open Franse won en in 1957 triomfeerde op Wimbledon en Forest Hills - een prestatie die ze in 1958 herhaalde. Gibson, opgegroeid in Harlem, New York, moest zich een weg omhoog vechten via het zwarte tenniscircuit, voor ze in 1950 werd toegelaten tot het Open Amerikaanse kampioenschap.

Maar de Moeder aller Doorbraken, de meest tot de verbeelding sprekende aanval op het blanke superioriteitsgevoel in de sport, staat op naam van Jackie Robinson. Hij slechtte in 1947 het onneembaar geachte bastion van de Major League, de grote blanke honkbalcompetitie. 15 April 1947, toen Robinson voor het eerst het stadion betrad als speler van de Brooklyn Dodgers voor het duel tegen de Boston Braves, geldt nog altijd als een mijlpaal in de geschiedenis van de zwarte Amerikanen.

De nationale pastime was het blanke honkbal en dat daarin opeens een zwarte speler rondliep - een gróte speler nog wel - was veel meer dan een sportieve noviteit. Het was een signaal dat maatschappelijke en politieke veranderingen aankondigde, dat zwarten zelfvertrouwen schonk en vooruitliep op de zwarte emancipatie van de jaren vijftig en zestig.

Er viel Robinson, met name in de eerste jaren na zijn Major League-debuut, een helse bejegening ten deel. Hij werd tijdens wedstrijden bekogeld met tomaten, stukken watermeloen of erger, kreeg een barrage van grove beledigingen naar zijn hoofd en ontving talloze doodsbedreigingen. Maar tot zijn dood in 1972, toen honkbal zich allang had ontwikkeld tot een volledig gemengde sport, bleef hij het levende symbool van de eenzame zwarte sportster die een muur slechtte die decennialang niet te slopen leek.

Shani Davis - of zijn strijdbare moeder - verwijst graag naar het icoon Jackie Robinson, wanneer hij wil uitleggen met welke problemen hij heeft te maken als zwarte schaatser. Dat doet elke zwarte in de VS die zich op blank terrein begeeft.

Davis' schaatswereld van 2004 laat zich amper vergelijken met de honkbalwereld waarin Robinson in 1947 verkeerde en in 57 jaar is sindsdien ook buiten de sport veel veranderd. Maar Amerikanen, en zwarte Amerikanen zeker, begrijpen onmiddellijk wat Davis met zijn verwijzing bedoelt: dat het nog altijd vaak niet meevalt, voor zwarte sporters in de Amerikaanse sport.

Dat gold al voor Jesse Owens (1913-1980) de legendarische atleet die tijdens de Olympische Spelen van 1936 in Berlijn met zijn vier gouden medailles niet erg meewerkte aan de beoogde promotie van het superieure arische ras - Owens wist van de wijze waarop hij back home werd bejegend in de VS maar al te goed waartoe dergelijk racisme leidde.

Dat gold ook al voor Major Taylor (1878-1932), de baanwielrenner die heerste op de wielerovalen van Noord-Amerika, Europa en Australië, en die rond de vorige eeuwwisseling uitgroeide tot de eerste zwarte sporter met wereldfaam. Desondanks werd hem geregeld de toegang tot de baan ontzegd, fietsten blanke concurrenten hem soms letterlijk ondersteboven en kreeg hij de hoon van het publiek over zich heen. Zijn vroege aanwezigheid voorkwam niet dat wielrennen nog altijd een blanke sport is.

Anders verliep dat in het boksen, een sport waarin zwarte atleten heel vroeg hun plaats veroverden en vervolgens een overheersende rol gingen spelen. George Dixon werd in juni 1890 wereldkampioen in het bantamgewicht - de eerste zwarte wereldkampioen in welke sport dan ook. Met Jack Johnson, in 1908 de eerste zwarte wereldkampioen zwaargewicht, groeide het boksen uit tot een sport waarin de zwart-blanke tegenstelling op het scherpst van de snede werd uitgevochten. De blanke boksgemeenschap stuurde de ene na de andere Great White Hope op Johnson af 'om de neger zijn plaats te wijzen'. In 1915 werd Johnson eindelijk verslagen. Het trauma van zijn heerschappij zat zo diep, dat pas in 1937 een zwarte zwaargewicht weer de kans kreeg een partij om de wereldtitel te boksen: Joe Louis. Louis (1914-1981) veroverde de titel, hield die twaalf jaar in bezit en bereikte in de VS een ongekende populariteit onder zijn zwarte medeburgers maar ook, en dat was nieuw, onder de blanke Amerikanen.

Louis' populariteit werd pas overtroffen door een zwarte sportheld in een geheel andere tijd, basketballer Michael Jordan. Diens gang naar de absolute top van roem en verering was de culminatie van een opzienbarend veranderingsproces in een tot 1950 tamelijk saaie blanke sport. In april 1950 was Charles 'Chuck' Cooper in dienst van de New York Knicks, de eerste zwarte speler in de tot dan blanke profliga NBA. Tot die tijd waren zwarten veroordeeld tot de zwarte leagues.

Zes jaar later was Bill Russell, met de Boston Celtics elf keer NBA-kampioen, de eerste grote zwarte ster in het Amerikaanse basketbal. Hij behoorde tot een minderheid, zelfs in 1966 was nog altijd 80 procent van de NBA-spelers blank. Nu is 85 procent zwart en geldt Larry Bird, die zijn loopbaan in 1991 beëindigde, als de laatste blanke superster van de NBA. White men can't jump heet Ron Sheltons film uit 1992, en zo is het maar net. Basketbal ontwikkelde zich, vooral onder invloed van de zwarte atleten, tot een spectaculaire, razendsnelle sport en meer dan dat: basketbal is cult, een expressie van zwarte cultuur die op weg is voetbal naar de kroon te steken als de meest populaire sport op aarde.

Een reuzensport waarbij vergeleken het schaatsen maar een dwergenactiviteit is. Een wintersport bovendien, nooit het fort van de zwarte sporters. In Salt Lake City was Vonetta Flowers de eerste zwarte sporter die - in de tweevrouws-bob - goud won tijdens de Winterspelen. Garrett Hines en Randy Jones wonnen zilver in de viermansbob - ze duwden een paar blanken van de heuvel, zoals Cherie Davis vaststelde.

Wat ze jonge zwarten adviseerde die belangstelling toonden voor de schaatssport, vroeg iemand haar onlangs. 'Dat ze moeten gaan hardlopen', antwoordde ze. De rol van zwarte debutant in een oerblanke sport valt in de VS nog altijd niet mee en in de atletiek zijn de hindernissen wel zo'n beetje geslecht, bedoelde Davis. Zoals de vader van de tenniszusjes Williams nog overal tegen zijn dochters gericht racisme ziet, zo staat ook Cherie Davis voortdurend op scherp om elke vorm van discriminatie tegen haar zoon aan de kaak te stellen.

Als Shani zijn ervaringen met blanke schaatsers beschrijft, komt altijd een incident uit 1997 naar voren. Toen werd hij tijdens een trainingskamp door een teamgenoot voortdurend aangesproken met boy, de nog uit de slaventijd daterende neerbuigende term voor zwarte.

Op 30 maart 2001 liep Shani Davis op het trottoir van Howard Street in downtown Chicago, toen er plotseling een politie-auto stopte. Twee agenten zetten Davis met zijn handen tegen een muur en begonnen hem onder beschuldiging van drugsbezit te fouilleren. Daarna trokken ze Davis' broek en onderbroek naar beneden om die op drugs te controleren. Ze vonden niks.

'Ik reis als atleet over de hele wereld en wordt overal met respect bejegend', zei Davis tijdens de rechtszaak die hij tegen de politie aanspande, omdat hij vond dat de hardhandige aanhouding getuigde van puur racisme. 'Het is verschrikkelijk om op deze manier te worden behandeld in je eigen stad.'

Als Davis in 2006 thuiskomt met één of meer gouden schaatsmedailles, is het misschien afgelopen met drugscontroles - sporthelden zijn heilig in de VS.

En anders is er altijd nog de ware moederliefde. Cherie Davis, in haar brief aan USOC: 'En tot slot, allemaal bedankt dat jullie me er voorgoed van hebben overtuigd dat de krachtigste man die ik ooit heb gekend niet een van jullie is, maar niemand minder dan Shani Davis.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden