Zolang voetbal geen vrede is

George Orwell in 1941: ‘Serieuze sport heeft niets te maken met eerlijk spel. Het is nauw verbonden met haat, nijd, grootspraak, het negeren van alle regels en het sadistisch plezier scheppen in het zien van geweld....

Twee gedachten bij deze uitspraak:

– had Orwell in dat jaar, toen het er op leek dat nazi-Duitsland zelfs niet met heel veel schieten te stuiten was, niks beters te doen dan een beetje te filosoferen over sport?

– en besefte Rinus Michels dat hij met zijn adagium ‘voetbal is oorlog’ geen oorspronkelijke gedachte ontvouwde?

Sport en oorlog – ze worden vaak met elkaar geassocieerd, in vele varianten.

Je kunt, zoals hierboven, het stadion uitvergroten tot een soort slagveld, zij het een zonder wapens en zonder strijd op leven en dood. Ook wordt sport niet zelden gezien als een substituut voor oorlog. Zoals ten tijde van de Sovjet-Unie: omdat een directe confrontatie met de Verenigde Staten zelfmoord zou betekenen, werden Oostblok-atleten met militaristische strengheid getraind, gedrild en gedrogeerd, opdat ze met hun records de superioriteit van de nieuwe communistische mens en het vaderland zouden bewijzen. Iets van die mentaliteit is terug te zien bij de Chinese organisatoren van de Olympische Spelen van volgend jaar.

Verreweg het verst in het leggen van een verband tussen oorlog en sport ging echter Adolf Hitler. Onder hem werden in 1936 de Spelen in Berlijn een voorspel tot de wereldstorm die hij drie jaar later zou ontketenen.

In onze tijd zijn het de hooligans, die de grens tussen een sportief en een echt gevecht geregeld overschrijden, soms zelfs tot de dood erop volgt. Wie hen bezig ziet, vindt het met terugwerkende kracht iets minder gek dat Orwells gedachten in het donkerste oorlogsjaar naar sport konden afdwalen. Kennelijk is de afstand daarvoor in sommige gevallen niet te groot.

Maar sport neerzetten als het bastaardkind van de oorlogsgod Mars zou gemakkelijk kunnen doen vergeten dat zij nog een heel andere kant heeft. Behalve voor strijd staat sport namelijk ook voor Olympische verbroedering. Sport is dan niet meer oorlog met andere middelen, maar juist een remedie tegen oorlog.

Ook daar zijn voorbeelden van. Zoals de Spelen van Berlijn de voorbode werden van groot onheil, werd in de jaren zeventig de pingpongdiplomatie de ouverture tot een toenadering tussen communistisch China en de Verenigde Staten.

En het wereldkampioenschap dat de West-Duitse voetballers onder leiding van Fritz Walter in 1954 in de wacht sleepten (‘het wonder van Bern’), was een belangrijk moment in het naoorlogse normaliseringsproces tussen de Duitsers en hun mede-Europeanen.

Wat zegt dit alles over de overwinning die het Iraakse nationale elftal vorige week behaalde in de Azië-cup? De ploeg bestond uit sjiieten, soennieten en Koerden, leden van de drie bevolkingsgroepen die elkaar op het slagveld Irak naar het leven staan. Op het voetbalveld echter werkten de spelers probleemloos samen, zei aanvoerder Younis Mahmoud, die met een kopbal de finale in Jakarta besliste.

Zoals vroeger werd gesproken over ‘het andere Duitsland’, of tegenwoordig over ‘het andere Amerika’, waarbij het andere gelezen moet worden als het betere, zo bestaat er klaarblijkelijk ook zoiets als ‘het andere Irak’. Door de sport hebben wij er nu een zweem van meegekregen. En dat is belangrijk, omdat de dagelijkse berichtgeving, in combinatie met onze eeuwige neiging tot generaliseren, al gauw het idee doet postvatten dat iedere sjiiet, iedere Koerd en iedere soenniet het op de ander voorzien heeft. Dat is dus niet zo.

‘Deze helden hebben het echte Irak laten zien’, tekende een persbureau na de voetbaltriomf op uit de mond van een politieagent in Bagdad. ‘We zijn allemaal vrienden’, zei de aanvoerder over zijn team, ‘de meningsverschillen zijn voor de politiek.’

Met een beetje krabben schemert er door de werkelijkheid van de burgeroorlog een andere werkelijkheid, waarbij er nog Irakezen zijn die het gevoel hebben bij elkaar te horen als onderdeel van een Iraakse natie met een gemeenschappelijke identiteit. Maar hun tragiek is dat het Irak van de politici en militieleiders die in een sektarische strijd om de macht gewikkeld zijn, ook heel echt is. Die hebben de overhand.

‘Een wonder van Jakarta’ zit er daarom niet in. Maar wat de sport wel heeft laten zien, is dat er te midden van al het geweld een Irak is dat niet in de steek mag worden gelaten, zolang voetbal geen vrede is.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden