Zo loyaal als de pest

Foppe de Haan, voetbaltrainer van het jaar, is van oorsprong een wâldsjer, een woudfries: 'Mensen met een groot rechtvaardigheidsgevoel, die moet je niet slecht behandelen.' Onder leiding van de gedreven spelletjesgek speelt SC Heerenveen morgen de bekerfinale tegen Ajax....

'IK kon fantastisch tekeergaan, ik had absoluut iets driftigs. Ik begon mijn lessen op het CIOS meestal met het verhaal van Gumpie, een jongen die ik vroeger op een basisschool in Enschede als leerling had. Gumpie was van elastiek en kon niet stilstaan. Ik was 25, 26, en ik moest hem bij handbal achter de lijn krijgen. Dat lukte niet, met geen 25 duizend waarschuwingen was hij in het gareel te houden.

'Hij tergde me op een gegeven moment zo dat ik de bal keihard zijn richting uitgooide. Zo hard dat hij een enorm grote rode vlek op zijn borst kreeg. Ik mocht echt van geluk spreken dat ik zijn hoofd niet had geraakt. Ik moest bij zijn ouders natuurlijk m'n excuses aanbieden. Heel fidele mensen. Ze konden ook zelf moeilijk met hem overweg. Ik begon mijn lessen met dat verhaal om aan te geven dat ze niet iemand voor zich hadden die alles uit zichzelf al wist en het wel even zou vertellen. Nee, het leven is dingen leren ervaren.'

Het is dat Foppe de Haan het Nederlands nog niet verrijkt - of bezoedeld - heeft met een uitdrukking als 'tussen de oren', anders zou hij nog vaker het evenbeeld zijn genoemd van schaatstrainer Henk Gemser. Ook hij heeft een licht ontwijkende, misschien zelfs ietwat wantrouwige blik. In alle spraakzaamheid een soms belerende toon ook. Soms weerbarstig, nooit gevoelloos. Jeugdherbergvaders met een eigen opvatting over discipline.

Ze waren collegae op het Centraal Instituut voor de Opleiding van Sportleiders in Heerenveen. Pedagogen in voortdurende discussie. Dingen moesten veranderen, ze werkten dag en nacht, in grote solidariteit. Als Gemser weg moest voor het schaatsen, hoefde geen vervangende leerkracht gezocht te worden. De andere docenten gaven dan gewoon een paar uur langer les.

'Ik heb de oude directeur Jan Groenman goed gekend, junior nog beter. Filosofen bijna. Ik kan me herinneren dat we op het CIOS na de krokusvakantie, waarin Groenman naar zijn huisje op Ameland ging, allemaal bang waren voor de nieuwe ideeën waarmee hij nu weer kwam aanzetten. Voortdurend hamerde Jan Groenman jr. erop: 't moet anders. Dat heeft me sterk beïnvloed. En als je dan met even gedreven types als Gemser, Henk Heising, een van mijn assistent-trainers, en Hans Westerhof, nu bij de jeugd van Ajax, koffie drinkt, wordt dat idee alleen maar sterker. Altijd moest alles anders.'

Foppe de Haan ís anders. Hij beantwoordt in geen enkel opzicht aan het clichébeeld van de kleurloze, zich in een lange regenjas hullende jargongebruiker. Hij wil 'mens blijven' in een sport die steeds meer overrompeld wordt door commercie en hardheid.

SC Heerenveen was ooit een club als SC Cambuur of FC Groningen, ver weg van de Randstad, rudimentaire aanhangsels in het betaald voetbal. Maar Heerenveen drong met een uitzonderlijk stramien door tot de finale van het KNVB-bekertoernooi, wendde zich naar Europa en ging een vooraanstaande rol spelen in de PTT Telecompetitie. Foppe de Haan vond dat normaal. En bleef, wat in het betaald voetbal geen sinecure is, zélf ook normaal. Het enige uiterlijke blijk van wat als zelfvoldoening uitgelegd zou kunnen worden, is een schilderij in zijn werkkamer: een haan met een vervaarlijk wapen in de poot. Kunstenaar onbekend.

'Ik beleef sport anders, ook als ik met voetballers omga. Vaak zeggen trainers: je moet dit, je moet dat. Dan zeg ik: het enige wat je moet, is doodgaan. Dus trek het begrip ''winnen'' niet uit proporties. Winnen wordt te belangrijk gemaakt. Ik vond het prachtig hoe Ids Postma op zijn wereldtitel schaatsen reageerde. Die zei: ''Ik bekijk elke afstand als een nieuwe wedstrijd en na afloop tel ik de punten wel op. Je kunt niet meer dan je best doen.'' Hij had er gewoon alles aan gedaan. Misschien kwam niet over wat hij precies bedoelde. Dat komt dan doordat hij in het Fries denkt. Dat hoor ik aan zijn Nederlands.'

Zelf trapte hij als kind in het nietige Oost-Friese Lippenhuizen eindeloos ballen tegen een muur. Zijn grootvader had een soort vork staan, waar de bal doorheen moest, prijsschieten. Hij kwam er te laat door op school, maar vader had begrip voor z'n druistigheid. 'Bist de tiid fergetten, hè' was het enige verwijt. In het meest nabije dorp was slechts een korfbalvereniging, WWMD, Wês Wis Mei Doelen, wees zeker met doelpogingen. 'Daar ben ik veertien dagen op geweest. Je mocht niet met de bal lópen. Spelen met meisjes. Niets voor mij.

'Als je ouder wordt, kijk je veel meer naar vroeger. Dat is heel apart. Een tijd lang heeft 't me geen moer geïnteresseerd, maar nu begint het weer terug te komen. Ik zit er wel eens over na te denken, want ik ben natuurlijk wel redelijk typisch in dat voetbalmilieu. En dan denk ik wel... we waren thuis absoluut geen praters, we deden gewoon onze dingen, het ging zoals het ging. Je werd een keer op je vingers getikt en dan deed je het anders. Maar ik denk dat ons dorp een rol heeft gespeeld, zowel Lippenhuizen als Grou. Heel veel dingen samen doen.

'In Lippenhuizen hadden we geen voetbalclub, maar we voetbalden wel. We werden in de schoolcompetitie zelfs derde van twaalf dorpen. Dat was natuurlijk fantastisch, maar we deden het allemaal zelf. Dus ik maakte de opstelling, want ik was klaarblijkelijk toch al redelijk dominant. Maar dat is ook achteraf. Ik weet nog wel, had ik een keer een oefenwedstrijd georganiseerd tegen een andere lagere school, was ik zelf geblesseerd en mocht ik van die lul van school niet mee. Omdat de meisjes handwerken en de jongens hoofdrekenen of gymnastiek hadden. Daar hád ik de pest over in'

Op de ulo in Grou - hij was 14 en reisde voor het eerst met de trein - blééf die drift om te bewegen, te spelen: polsstokverspringen naar school, schaatsen zodra er ijs was, fietsen, en elke dag voetballen: 'Als ik een bal zie, laait er iets in me op.' Nooit legden kinderen zich toe op één sport. Zoals Abe Lenstra, wiens beeld voor het stadion in Heerenveen staat en die ooit ook een geweldige bedrevenheid had in allerlei sporten, of het nu fierljeppen, hardlopen of dammen was. Foppe de Haan, die nu in Akkrum, Water-Friesland woont, kreeg uit zijn geboortestreek nog eens een extra dosis fanatisme mee.

'WOUDFRIEZEN, wâldsjers, waren mensen als, hoe heet ie, IJe Wijkstra, die vier politieagenten doodschoot. Die wereld was het. Als je daar in gaat zitten, komt er een heel mooi verhaal uit. Van heel cynische, heel typische, niet gezagsgetrouwe mensen, wat feller, korter van stof en sneller aangebrand dan de gemiddelde Fries. Hun eigen identiteit was heel belangrijk. Je moet wâldsjers niet slecht behandelen, ze hebben een groot rechtvaardigheidsgevoel. En ze zijn zo loyaal als de pest.

'De gemiddelde Fries is rustiger, bedachtzamer, die neemt meer tijd om dingen te zeggen. Wij voelden ons achtergesteld, dat was de streek van oudsher ook. De boeren woonden op de klei of op 't veen, er heerste veel werkloosheid. Het tij is pas met de komst van Philips in Drachten gekeerd. Maar als kind gingen wij met lood in de klompen naar Jubbega en Zwaagwesteinde om te voetballen.

'Mijn vader was wagenmaker, werkte bij de post, was bij de laatste eer, doodgraver zal ik maar zeggen. Wagenmaker was een uitstervend beroep, doordat de landbouw zich enorm moderniseerde. Dat was uiteindelijk de reden dat we van Lippenhuizen naar Grou verhuisden. Hij ging de fabriek van Halbertsma in. Hij leeft niet meer, mijn moeder ook niet, maar er zijn nu weer een paar wagenmakers die het doen uit curiositeit. Voor mensen die het leuk vinden zo'n ding in de tuin te hebben staan. Hij wou er voor ons ook nog een maken. Ik zeg: ''Dat moet je maar niet doen''.

'Vader was een keer in Sassenheim geweest, later zijn we daar op vakantie geweest, mijn moeder en zusje en ik. Een wereldreis natuurlijk. Ik zat in de derde klas van de lagere school. Op de fiets naar Lemmer, met de boot over naar Amsterdam, moet je je voorstellen, ik was nog nooit uit het dorp geweest en dan dwars door Amsterdam. Ik zie me nog zitten achter op de fiets.

'Ik wilde al heel jong sportleider worden, zoals de dominee een roeping heeft, maar het enige CIOS was in de buurt van Amsterdam, in Overveen, veel te ver, daar was geen geld voor. En dus ging ik naar de kweekschool. Een arbeidersjongen die aardig kon leren, ging naar de kweekschool. Friesland was een kweekvijver van onderwijzers, op de vijfhonderdduizend mensen had je zes, zeven kweekscholen, nu nog één. Het onderwijs helpt het land ontwikkelen, zeiden de mannen van de oude stempel na de Tweede Wereldoorlog.

'In dienst bleek dat ik in mijn jeugd genoeg gezag had gehad, van dominee en hoofdmeester. Van ''bevel is bevel'' moest ik niets weten, ik gedij niet in een moeten-cultuur. Maar vooral in Enschede, waar ik na dienst een aanstelling kreeg als gymnastiekleraar, heb ik veel geleerd. De scholen hadden er door de gemeente betaalde vakleerkrachten. Ik pendelde me rot, tussen zes scholen. De ene groep kinderen kwam uit een achterbuurt, de andere uit een villawijk.

'Daar ontdekte ik dat er niet één weg is. Dat het om de goede toon gaat en dat dat hele woeste niet helpt. We zijn teruggegaan naar het heitelân, het vaderland, toen de eerste baby zou komen, omdat we ons kind wilden laten opgroeien in ruimte en niet op een flatje achthoog. De banen in de lichamelijke opvoeding lagen toen ook in Friesland nog voor het opscheppen. In Akkrum werd ik vakleerkracht op een mavo en een huishoudschool.

'De tendens lijkt weer enigszins ten goede te keren en ik hoop niet dat het politiek gestunt is, maar nadat ik uit Enschede naar Friesland was teruggekeerd, werd het lijf door de overheid al snel aan de kapstok gehangen. In het onderwijs telde alleen het cognitieve nog. Voetballertjes die nu bij Heerenveen komen, moeten vaak de elementaire vaardigheden nog leren. Een type als minister Deetman, die zelf geen enkele affiniteit met spelen en sport had, heeft het bewegingsonderwijs vermoord. Terwijl dat toch onvoorstelbaar belangrijk is. Je leert er gepasseerd worden, verliezen, winnen, rekening houden met elkaar, je leert de verschillen tussen mensen te waarderen.'

Dat is precies wat nu in Heerenveen gebeurt. Waar andere clubs zich door het aantrekken van buitenlanders vervreemdden van hun aanhang, werd het Friese publiek alleen maar trouwer en saamhoriger. Vrouwen en kinderen die zich in andere voetbalsteden van de intimiderende sfeer hadden afgewend, kwamen in Heerenveen terug naar de tribune. Natuurlijk gebeurt in Heerenveen nog wel eens iets, maar het lijkt of De Haan zijn pedagogische opvattingen ook in dat opzicht erdoor heeft gekregen: streng optreden, mensen direct op hun gedrag aanspreken, maar ook enig begrip hebben voor de 'natuurlijke' balorigheid van jongeren.

De Haan was na zijn jaren als gymleraar en later CIOS-docent al eens eerder, in de jaren tachtig, hoofdtrainer van SC Heerenveen, maar werd door zijn 'maatje', voorzitter Riemer van der Velde, 'verbannen' naar de jeugd

opleiding. 'Het grappige is dat Riemer het allemaal voorspeld heeft. Toen hij me voorstelde een voetbalschool te beginnen, was ik natuurlijk teleurgesteld, was ik aangetast in mijn eergevoel, maar hij zei terecht: ''Jouw ideeën moeten wortelen.'' Ik wilde alles op zijn kop zetten, deed veel te veel tegelijk.'

In 1992 kwam hij terug als hoofdtrainer, rustiger nu. Hij was docent geweest bij de opleiding tot voetbaltrainer bij de KNVB ('Alle Nederlandse trainers zijn door mijn handen gegaan'), maar was vooral ook blijven studeren, elke nieuwigheid opslorpend, elk detail noterend. Zijn opvatting lag vast, namelijk dat die nooit vast moet liggen.

'Voordat ik bij Heerenveen kwam, had mijn voorganger Henk van Brussel gedurende vijf jaar de cultuur van het spel bepaald: schop de bal naar voren, maak oorlog in het strafschopgebied en wie het meest oorlog maakt, wint. Ik heb gezegd, we moeten eerst voetballen, het publiek behagen, dan komt de rest vanzelf. We hebben verleerd te spelen, het is allemaal veel te ernstig, we kweken robots zonder creativiteit. Alles wordt belangrijk gemaakt, de leider, de trainer, de ouders. Je ziet het al bij de jeugd. Vroeger ging je poten, een partijtje spelen op straat, je maakte van jassen de doelen, je moest alles zelf regelen. Nu mag je niet eens meer nadenken. Daarom vecht ik ook altijd tegen scheidsrechters, die bederven het spel ongelooflijk. Ik zag een juniorenwedstrijd waarin geen tien seconden niet werd gefloten. Mede daardoor ontstaat intolerantie. Scheidsrechters stoppen alles in een apart vakje, maar je moet verbanden zien, ze moeten veel meer spelleider worden.

'Ik ga uit van het individu, van de mens. Bij mij moeten de spelers durven hun gevoel te laten zien, dan ontstaat wezenlijk begrip. Maar jezelf blootgeven is dus iets anders dan schelden. Als iemand zich zo nodig moet waarmaken door voortdurend van zich af te bijten en te katten op anderen, kan ik gallisch worden. Dan zeg ik: hou op met dat patserige. Laat je ziel zien.'

De Haan en de ziel. Toen de Noor Börre ('fantastische jongen') een versleten heup bleek te hebben, had hij 25 slapeloze nachten. En toen hij het gedwongen afscheid de andere spelers meedeelde, kon hij zijn emoties niet bedwingen. Hij wilde dat ook niet. Wéér als een alter ego van Henk Gemser liet hij zijn emoties zien.

'Als iets pijn doet, voelen mensen dat toch aan je. Dan kun je die pijn maar beter tonen. Ik vind dat je mededogen mag laten blijken, dat is het houvast dat ik mijn ploeg geef. Van Gaal gaf dat houvast door elke positie een nummer te geven, ook dat kan het voor individuele spelers gemakkelijker maken. Weten wat je taak is. Maar je moet dat niet cultiveren tot het einde. Wat Samardzic hier doet, is vaak niet te vatten, maar als je zijn aanvalscreativiteit weghaalt, blijft er niets over. Ik probeer met zo'n speler tot op zekere hoogte afspraken te maken, maar hij heeft ook vrijheid nodig, de vrijheid om fouten te maken. Als je geen fouten mag maken, durf je ook niets.'

HET was geen lichte taak die De Haan zich stelde, uitgaan van individuen. Want Heerenveen heeft ze uit alle windstreken. De geweldig bonte verzameling die de selectie vormt, telt Roemenen, Nigerianen, Macedoniërs en nog een hele colonne niet-Friezen. Twintig 'nationaliteiten'. In eerste instantie worden de nieuwkomers vaak tijdelijk door particulieren opgevangen, in het bijzonder door de familie Hylkema.

'De vader van Afke Hylkema is in de oorlog door Polen gered. Zo kwamen zij en Heerenveen al jaren geleden in contact met Poznan. Om hen te helpen, leidden we twee spelers van Lech Poznan op, onbaatzuchtig. Er komen nog altijd Poolse spelers. Afke en slager Jan Hylkema wilden eigenlijk ophouden met de opvang, maar het werd ze toch te stil thuis. Ze hebben nu twee Nigerianen, jongens die van plan waren te stoppen, maar ze verstaan intussen Fries en hebben het fantastisch naar de zin. We hebben één keer per jaar een diploma-uitreiking met bloemen in het stadion. De Hylkema's wilden niet gehuldigd worden. Ze vinden het doodnormaal wat ze doen.

'Typische Friezen, heel open. Dat wordt misschien niet altijd verwacht, maar nergens anders worden buitenlanders zo snel in de armen gesloten. Toen Kornejev, ''een Abe-Lenstra-achtige'' speler, de ploeg verliet omdat hij een riant aanbod van elders kreeg, treurde de aanhang. Ongeacht hun herkomst: als spelers werklust en inzet hebben, en daarnaast creatief zijn, ''hoogstandjes kunnen laten zien'', worden ze op handen gedragen.

'Het is een fantastisch publiek, solidair ook, al komt de helft van buiten Heerenveen. Het is een voorrecht hier trainer te zijn. Het leek me altijd al het mooiste dat er was: voetbalcoach worden. Maar het is na het Bosman-arrest wel een zwaar vak geworden. Het voetbal staat op zijn kop. Vorig jaar had ik nog drie jongens van de oude selectie over. Je probeert mensen beter te maken, maar aan het eind van de rit verkassen ze. Oogsten kun je niet meer. In de winter wordt het nu bij de clubs al onrustig. Dan komen de geruchten en de praatjes los.

'In Heerenveen is ook de discussie ontstaan dat we dan maar de jeugdopleiding moesten afschaffen. Daar heb ik me met hand en tand tegen verzet. Want je hebt een basis hier, Heerenveen bedient een aantal amateurverenigingen, we hebben een waardevolle binding met de regio, die maatschappelijke betekenis moet ook wat waard zijn. We hadden ooit de gemiddeld oudste supporter, we weten dat alle kinderen die te maken hebben gehad met onze voetbalschool intussen Heerenveen-supporter zijn geworden.

'De clubs hebben zich allemaal rijk gerekend. Je hebt zo een schuld van tien miljoen, dat hebben we in Engeland gezien. Die hoge spelerssalarissen zijn niet alleen daarom gevaarlijk. Ze maken lui en ze zijn ook in relatie tot het maatschappelijk bestel buitensporig. Voetbal blijft tenslotte maar een spelletje.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden