Sport Het gereedschap van de judoka

Wereldkampioen Noël van ’t End en de hogere kunst van het plukken, sjorren en werpen

Zijn knoestige handen zijn het voornaamste gereedschap van judoka Noël van ’t End, wereldkampioen in de klasse tot 90 kilo. De uitkomst van zijn gevechten wordt voor driekwart bepaald door hoe hij zijn opponent vastgrijpt. Pijn hoort erbij. Soms scheurt er iets in zijn hand.

Noël van ’t End, wereldkampioen tot 90 kilo. Beeld Klaas Jan van der Weij / de Volkskrant

Zijn nagels doen nog steeds pijn. Twee zijn er blauw, een is zwart en kan er elk moment afvallen. Zijn handpalmen zijn ook een ravage. Bezaaid met eelt, losse vellen van de blaren. Zijn vingergewrichten zijn vervormd: dikke knokkels verbinden de kootjes. Noël van ’t End weet niet beter. Handen zijn het gereedschap van de judoka. Zijn knoestige handen tonen het slagveld dat een WK judo elke keer weer is.

De 28-jarige Van ‘t End werd twee weken geleden wereldkampioen judo in de klasse tot 90 kilogram. In Tokio, in de befaamde Budokan-hal, sprongen tijdens de zes gevechten van vier minuten naast zijn beurse gezicht en bloemkooloren zijn handen in het oog. Elke vinger was weloverwogen ingetapet en verstevigd. Met zijn handen bepaalt hij 70 tot 80 procent van de uitkomst van het gevecht.

Het uitgangspunt van judo is eenvoudig: leg de tegenstander binnen vier minuten op zijn rug (ippon). Het gevecht lijkt te draaien om verrassende schouderworpen en spectaculaire houdgrepen. Maar daar gaat iets cruciaals aan vooraf. Het is het gevecht om de positie van de handen op het pak van de tegenstander.

Het zoeken naar de juiste grip ziet eruit alsof twee kinderen in gevecht zijn: de judoka’s slaan elkaars handen weg terwijl ze proberen het linnen pak van de ander vast te pakken. Als Van ‘t End het judopak van zijn tegenstanders probeert vast te grijpen, rukken die zich juist los. Bij elke beweging die zijn tegenstanders maken, krijgen zijn vingers een optater. De druk is enorm. Hij brak of scheurde al regelmatig iets in zijn hand. Een botje, pees, of stukje huid. ‘Ze hebben al heel wat meegemaakt’, zegt de judoka op een terras op sportcentrum Papendal terwijl hij naar zijn afgepeigerde handen kijkt.

De gebutste handen van Noël van ’t End. Beeld Klaas Jan van der Weij / de Volkskrant

Voor Van ’t End dient de tape als bescherming voor zijn kwetsbare vingers. Zonder tape zou de pijn aan zijn broze knokkels ondraaglijk zijn. Het moet de kans op een gebroken botje, gescheurde pees of dubbel geklapte nagel verkleinen.

Van ’t End bezit enorme spierballen, een imposante borstkas en zijn bovenbenen hebben de doorsnee van een boomstam. Toch beschouwt hij zijn handen als zijn belangrijkste wapen. De ware vraag is: wie weet zijn tegenstander op zijn favoriete manier vast te pakken? In judojargon: wie wint het pakkingsgevecht? Die strijd kan soms wel de helft van het vier minuten durende gevecht duren.

Judo is fysiek schaken. De buitenstaander mag dan denken dat judoka’s willekeurig elkaars handen wegduwen en aan elkaar lopen te plukken en trekken. In werkelijkheid is het gevecht vooraf van begin tot eind uitgetekend. Tactiek speelt een grote rol. Wachtend op het juiste moment om het judopak van de tegenstander met beide handen op de goede plek te vast te pakken. En belangrijker: niet meer los te laten. Hoe hevig het verzet ook is. Van ’t End: ‘Wie de beste pakking heeft, is de bovenliggende partij.’

Op de WK in Tokio, waar Van ’t End zich als eerste Nederlander in tien jaar tot wereldkampioen kroonde, koos hij elk partij voor een specifieke pakking: met zijn linkerhand wilde hij de rechtermouw van zijn tegenstander vastpakken. Met zijn rechterhand ging hij opzoek naar het linkerrevers van het pak van zijn tegenstander. ‘Vanuit daar kan ik heel goed judoën.’

Tegelijk weet Van ’t End: als hij de rechtermouw van zijn tegenstander beet heeft, kan die zijn favoriete pakking niet uitvoeren. De judoka kent zijn tegenstander door en door. Van elke concurrent weet hij na eindeloze analyses wat zijn twee of drie beste pakkingen zijn.

Noel Van't End (wit) in de WK-finale tegen de Japanner Shoichiro Mukai. Beeld EPA

In aanloop naar de WK voegde Van ’t End oud-judoka Guillaume Elmont toe aan zijn team. De wereldkampioen uit 2005 in de klasse tot 90 kilogram zette zijn pupil urenlang achter een laptop om de tactiek van zijn opponenten nog dieper te doorgronden. Waar wil hij zijn rechterhand neerleggen? Wat doet hij met zijn linkerhand? En wat verandert er aan zijn tactiek als hij een punt maakt of tegen krijgt?

Van ’t End: ‘Er zijn verschillende manieren om een aanval af te stoppen. Ik kan ervoor kiezen om zijn handen van mij af te houden. Als ik weet dat hij zijn rechterhand op mijn linkerschouder wil leggen, zorg ik dat mijn linkerschouder zo ver mogelijk bij hem vandaan is. Of ik ga zelf in de aanval.’

Dat laatste deed hij met enige regelmaat in Tokio. Het leverde hem de wereldtitel op, maar veroorzaakte veel schade aan zijn handen. Zowel in de halve finale als finale moest hij zich buiten de mat aan zijn vingers laten behandelen. De huid onder zijn nagels was na een reeks opdoffers gaan bloeden.

Bloed op de tatami is bij het door tradities omgeven judo verboden. Een judoka mag zich per partij twee keer laten verzorgen. Als hij daarna nog bloedt, wordt hij gediskwalificeerd. In de kleedkamer draaide fysiotherapeut Cynthia Bos bij Van ’t End extra tape om zijn geteisterde vingers.

De tape om zijn handen haalde hij er een dag na zijn behaalde gouden medaille pas af. Bang als hij was voor zijn nagels die eraf zouden vallen. Sindsdien masseert hij zijn handen elke avond in met arnica zalf, tegen blauwe plekken, kneuzingen en verstuikingen. ‘Mijn handen waren na de WK echt helemaal kapot. Ze hadden echt rust nodig.’

Beetje bij beetje herstellen zijn vingers zich, al is er dus nog de pijn onder zijn nagels. De dikke knokkels houdt hij. Nee, een ding weet hij zeker: handmodel zal hij nooit worden. ‘Maar dat maakt mij eigenlijk geen reet uit nu ik wereldkampioen ben.’

Zesde wereldkampioen uit Nederlands was bijna Fransman geweest

Het had niet veel gescheeld of Noël van ’t End was geen Nederlander meer geweest. De geboren Houtenaar wilde zich eind 2016 vanwege zijn carrièrekansen en de liefde tot Fransman laten naturaliseren, maar werd tegengewerkt door Judobond Nederland (JBN).

Van ’t End had al twee jaar een relatie met de Franse topjudoka Clarisse Agbegnenou toen de Spelen van 2016 voor hem uitliepen op een drama. De Nederlander ging in Rio in zijn eerste partij onderuit. De klap kwam zo hard aan dat hij besloot zijn spullen te pakken om bij zijn vriendin in Frankrijk in te trekken. ‘Ik wilde hier weg. Even met andere dingen bezig zijn.’

Toen het judo na een paar maanden weer begon te kriebelen en hij besloot weer de mat op te gaan, diende hij een verzoek in bij de judobond om voortaan voor Frankrijk uit te komen. In Parijs had hij een club gevonden die hem een salaris betaalde. Als hij een Frans paspoort zou hebben, kon hij ook met de nationale selectie gaan trainen.

De judobond weigerde echter mee te werken aan een overstap, waardoor Van ’t End volgens de regels van de Internationale Judo Federatie drie jaar moest wachten voordat hij op internationale wedstrijden onder de Franse vlag zou mogen judoën. Dat was geen optie voor hem. ‘Toen dacht ik: dan blijf ik wel Nederlander en lossen we het anders op.’

Hij ging in gesprek met de bond, die op dat moment bezig was met de centralisatie op sportcentrum Papendal. Van ’t End mocht onder auspiciën van de bond in Parijs blijven trainen, om zich in aanloop naar grote toernooien bij de nationale selectie op Papendal te voegen. Maar dat werkte niet voor hem. Hij viel overal tussenin en hoorde nergens echt bij.

Van ’t End raakte naar eigen zeggen in een depressie. Het niveau bij zijn club viel tegen en de Franssen zagen hem niet staan. ‘Ze zijn nogal nationalistisch. Ik mocht ze niet.’ Ondertussen ging het ook slechter met zijn relatie, waarna het stel uiteindelijk besloot een punt achter de relatie te zetten.

Hij keerde vorig jaar terug naar Nederland, maar verloor zijn A-status omdat de resultaten achterbleven. ‘Toen heb ik mezelf eens goed in de spiegel aangekeken en besloten dat ik er honderd procent voor wilde gaan. Wat moest ik anders? Die bloed, zweet en tranen die ik er al die jaren in had gestopt, mochten niet voor niks zijn geweest.’

Op Papendal leerde hij zijn Engelse coach Jean-Paul Bell kennen, met wie hij nu ruim een jaar samenwerkt. Sindsdien is de judoka met stappen vooruit gegaan. Na twee maanden kreeg hij zijn A-status weer terug. ‘We hadden vanaf het begin een klik. Jean-Paul geeft mij zoveel rust en vertrouwen dat ik op de tatami weet dat het goed komt.’

Lees hier hoe Noël van ‘t End de wereldtitel veroverde 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden