Wat zijn ogen zien, maken zijn handen

Na een decennium op de wielerbaan beklijven vooral de successen die Peter Pieters als bondscoach met de sport boekte. Over de kracht en zwakte van een ouderwetse vakman....

De beste manier om Peter Pieters te typeren? Piet de Wit, de voormalige manager van de baanselectie, hoeft niet lang na te denken. Toen de bondscoach vorige week te horen had gekregen dat de wielerunie niet meer met hem verder wilde, klonk Pieters door de telefoon strijdlustig als altijd.

De ‘jongens’ mochten niet onder de situatie lijden, zei hij tegen De Wit. Hij zou er alles van gaan maken de laatste maanden. Als De Wit de man niet zo goed had gekend, zou hij verbaasd zijn geweest over de opgewekte mededeling. ‘Iedere andere coach zou hebben gezegd: bekijk het maar. Peter niet. Die is altijd doorgegaan.’

De scheidend technisch directeur van NOC*NSF, Charles van Commenée: ‘Het is geen jankerd, hij vlucht niet in het verleden. Hij kijkt steeds vooruit: wat is de nieuwe werkelijkheid en hoe ga ik daarmee om? Zo redeneert hij ook als het leven hem even niet toelacht. Het is een bikkeltje.’

Vorige week kreeg Pieters van de KNWU te horen dat hij niet in de ambitieuze plannen van zijn werkgever past. Ook de contracten van vier andere bondscoaches worden niet verlengd. Het vertrek van Pieters werpt de meeste vragen op.

Wat na tien jaar resteert voor de baancoach, die aanblijft tot en met het WK in maart om zijn werk naar behoren af te ronden en de wielerunie de kans te geven een opvolger voor hem te vinden, is de waardering voor het pionierswerk dat hij heeft verricht. ‘Hij heeft een indrukwekkend kunstwerk nagelaten, als je alle medailles naast elkaar op de muur spijkert’, zegt Joop Alberda.

De vroegere technisch directeur van NOC*NSF kwalificeert Pieters als een gildemeester. Ad Roskam, die als prestatiemanager van NOC*NSF de resultaten van onder meer het wielrennen in olympisch verband analyseert, trekt de vergelijking met een timmerman. ‘Wat zijn ogen zien, maken zijn handen. En dat geldt ook voor Pieters.’

Niets ontsnapt aan het haviksoog van de coach. Een renner die even niet goed op zijn fiets zit, wordt meteen opgemerkt. ‘Hij is bezeten van zijn sport’, zegt De Wit. ‘Op zondagavond kent hij alle uitslagen van het weekend al uit zijn hoofd. Zelfs die van de juniorenklassen, want daarin komen zijn kinderen uit.’

Pieters moest wel voortborduren op zijn eigen ervaring als renner. Toen hij in het najaar van 1998 werd aangesteld, was er nauwelijks iemand die zich met de sport bemoeide. Er was geen geld, geen baan, geen coach en er waren geen renners. John den Braber over zijn eerste WK op de baan: ‘Er ging een verslaggeefster van het ANP mee, en dat was het. Nu trekt de NOS alles uit de kast en zie je alle kranten en tijdschriften op het WK. De sport is nu topsport, toen was het een bijsport.’

En ineens was daar dus Peter Pieters, een dertiger uit Zwanenburg die tot dan toe was opgevallen door zijn verbetering van het nationale uurrecord op de baan (286 rondjes achter de derny) en zijn winst in de najaarsklassieker Parijs-Tours, waarvan het tempo legendarisch laag lag.

Technisch directeur Joop Alberda van NOC*NSF en KNWU-directeur Peter Nieuwenhuis zagen het meteen in hem zitten, vast ook omdat niemand anders bereid bleek zijn nek voor de sport uit te steken. Dat Pieters voorlopig niet op topprestaties hoefde te rekenen, wist hij bij zijn aanstelling.

Hij liet jonge renners als Theo Bos, Teun Mulder en later Tim Veldt in alle rust debuteren in de vele wereldbekerwedstrijden, zodat ze zich konden meten met de grote kampioenen. Voor de Olympische Spelen in 2000 stelde hij meteen een achtervolgingsploeg samen met routiniers die hij zelf nog uit het peloton kende. ‘Zodat we ten minste met een grote groep kwamen aanzetten in Sydney’, zegt Den Braber.

Van zijn eerste WK als coach, dat van 1999 in Berlijn, keerde hij nog met lege handen terug. Een jaar later bezorgde Leontien van Moorsel hem zijn eerste twee olympische medailles: goud op de achtervolging en zilver op de puntenkoers. Het gaf hem het zetje in de rug dat hij nodig had om met de sport vooruit te komen.

Ineens mocht het baanwielrennen zich verheugen in de belangstelling van een grotere groep dan familieleden en vrienden van de renners. Van Moorsel, die nog drie keer wereldkampioen werd en brons won bij de Spelen in Athene, ontpopte zich als gezicht van de sport die behoudens wat oprispingen van Ingrid Haringa begin jaren negentig op sterven na dood was.

Maar was het succes van Van Moorsel een gevolg van de aanstelling van Pieters? Nee, zegt John den Braber. ‘Peter wist dat hij weinig invloed op de prestaties van Van Moorsel kon uitoefenen. Hij kwam in een tweemans-bv terecht waarin alles al op rolletjes liep.’ Daaraan voegt Den Braber, zelf ploegleider geworden, toe dat het de kracht van Pieters is om iedereen zijn vrijheid te gunnen.

Of Theo Bos zijn vier wereldtitels had behaald als de bondscoach de teugels minder had laten vieren? De renner durft de stelling niet aan. ‘Misschien had ik dan sneller de top gehaald, misschien niet.’ Het verleden op een andere manier overdoen zegt Bos niet te wensen. Het is toch goed gegaan zo?

Wie een coach zocht die hem voortdurend op de huid zit en elke dag aan de telefoon hangt, trof in Pieters de verkeerde. Hij ging uit van de zelfredzaamheid van de sporter, zoals hij zelf als atleet ook gewend was te opereren. Pas jaren na zijn benoeming doorliep de autodidact de Mastercoach-opleiding van NOC*NSF.

Zijn communicatieve vaardigheden waren vaak onderwerp van gesprek. Robert Slippens deed er zijn beklag over in de media. Pieters vindt dat hij zijn renners niet hoeft te spreken om te weten hoe het met ze gaat. Als hij drie weken de uitslagen van iemand volgt, weet hij ook hoe diegene rijdt.

De coach liet zich door zijn gevoel leiden. De stroom aan medailles bleef tot zijn geluk gewaarborgd doordat Bos het gat opvulde dat Van Moorsel achterliet. Tientallen medailles zouden de renners binnenhalen bij WK’s en Spelen.

Maar de successen hadden een keerzijde voor Pieters. Door de groei van de sport, de toegenomen belangstelling en de commerciële aandacht moest hij meer zijn dan een coach die de tijden opschreef, renners selecteerde en op de baan aanwezig was. Dat was juist wat hij het liefst deed. ‘Hem interesseert de puzzel hoe hij een renner sneller maakt of de machine van de achtervolgingsploeg aan de praat krijgt. Het circus eromheen vindt hij maar een noodzakelijk kwaad’, zegt Roskam van NOC*NSF.

Tot zijn afgrijzen zag Pieters hoe steeds meer mensen zich met zijn sporters gingen bemoeien en meenden te weten wat goed voor hem was. Renners sloten op eigen houtje contracten af met sponsors en verkozen, zoals Bos met de Fransman Magné, hulp van anderen boven die van de bondscoach.

In de speciale Koga Miyata-fiets waarover de nieuwe vaandeldrager van de sport kon beschikken, werd een half miljoen euro ontwikkelingskosten gestoken. De Wit: ‘Maar Peter vond dat Theo verkeerd zat. Dus vond hij dat ze het frame moesten aanpassen. Maar dat doet een bedrijf niet dat al zo veel geld in een fiets heeft gestoken. Toen bleek dat Peter het niet allemaal in de hand had. En op de steun van de bond heeft hij te weinig kunnen rekenen.’

Van Commenée: ‘Er kwamen experts bij, zoals een kracht- en een sprinttrainer. Het is ook de taak van de coach om die mensen aan te sturen. Dat is complexer dan in het begin. Als je een groep niet stevig in de gaten houdt, kan het lastig worden voor een coach. Ik denk dat dat nieuw was voor Peter.’

Volgens Van Commenée zijn de renners Pieters ‘door de vingers geglipt’. ‘Ik zeg altijd: vertrouw nooit een sporter. Er zijn er maar weinig op wie je als coach blind kunt varen. Je moet de wind er goed onder houden.’

Een sportcoach moet tegenwoordig allrounder zijn, zegt Theo Bos. ‘Hij moet zich blijven ontwikkelen, net als een sporter. Die presteert goed en wordt ook voorbijgereden als hij niet uitkijkt.’

Vermoedelijk is dat ook de reden waarom de wielerunie niet met Pieters verder wil. Ook de meeste renners zien er geen heil meer in met hem te blijven samenwerken na de dramatische expeditie naar Peking, ook al vinden ze dat de coach daarvoor niet verantwoordelijk kan worden gehouden.

De kloof met Groot-Brittannië is moeilijk te dichten. Volgens De Wit is uitgekomen wat Pieters had voorspeld. ‘Maar er werd niets aan gedaan. Hij heeft moeten leuren voor extra geld en mankracht.’

Het gevolg bleek afgelopen zomer, zegt Veldt. ‘De hele ploeg ging met een vervelend gevoel uit Peking weg. Voor het eerst beseften we dat we de aansluiting met de top hadden verloren. Op zo’n moment moet je wel nieuwe dingen doen. Bijvoorbeeld een nieuwe coach aan te stellen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden