Achtergrond Voetbal

Wat kan voetbal leren van andere sporten? Zes experts aan het woord

Op zoek naar procentjes winst, in welk bereik dan ook, kijkt het voetbal over de schutting. Experts uit andere sporten over wat voetbal zou kunnen overnemen van hun disciplines.

Marc Lammers Foto ANP

Marc Lammers, voormalig bondscoach hockey, tegenwoordig innovatieve coach, over data:

‘Ik ben veelvuldig gevraagd als consultant bij clubs, onder meer over de trainbaarheid van standaardsituaties, aan de hand van statistieken. Het voetbal heeft al best veel opgepikt. Kijk naar Steijn Spreij, afkomstig uit het hockey en nu aangetrokken door de KNVB als data-analist. Eerder haalde Louis van Gaal al Max Reckers naar Zeist, ook uit het hockey. Het gaat niet om de data zelf, het gaat erom wat je ermee doet.

‘Ik weet nog dat Manchester United, Chelsea en andere clubs vol inzetten op data, een jaar of tien geleden. Met vier, vijf man personeel. Maar in het begin gebruikten ze de verkeerde data, of ze gebruikten de data verkeerd. Nu gaat het goed. Waar heeft een ploeg lengte, waar niet, hoe lopen spelers? Hoe neem je hoekschoppen, is de tegenstander zwak bij de eerste paal of juist bij de tweede paal? Je ziet dat Engeland daarop veel heeft getraind, dat een deel van de tactiek daarop is afgestemd. Ook de videoarbiter is afkomstig uit het hockey en uit het rugby. Het loopt goed, op wat kinderziektes na. Elke vernieuwing ontmoet weerstand, maar het voetbal is veel eerlijker geworden.’

Bert Bouwer Foto RV

Bert Bouwer, handbaltrainer Aalsmeer, voormalig bondscoach, over blokkeren tegenstander:

‘Wat je bij hoekschoppen van met name Engeland zag, komt in handbal en ook in basketbal al heel lang voor. De loopweg sperren, als het ware. De aanvaller verspert de loopweg van de verdediger, zodat een ander vrijkomt. De een doet een snel stapje naar voren, zodat er iemand van de andere kant omheen kan. Bij Engeland stonden soms vier man in een treintje. Dat is heel moeilijk te verdedigen, omdat ze opeens bewegen, alle kanten op. 

Het is ook heel moeilijk te beoordelen door de scheidsrechter, met al dat geduw. En je zag ook dat een meestal kleinere speler de loopweg van een verdediger blokkeert, zodat een ander, een langere teamgenoot, kan profiteren.’

Toon van Helfteren Foto Klaas Jan van der Weij

Toon van Helfteren, bondscoach basketbal, over pressie:

‘Het gaat in voetbal vaak om druk zetten. Hoog druk zetten, dat soort termen. In basketbal is pressing heel normaal. Dat heeft ook met de regels te maken, en het kleinere veld. Binnen acht seconden moet de bal over de middenlijn, binnen dertig seconden is een doelpoging verplicht. In voetbal is dat moeilijker, maar als je het mij vraagt, zie ik nog te weinig druk. Jaag die tegenstander op, met als doel snel in balbezit te komen, door de tegenstander een tempo op te dringen dat die niet aankan.

‘In basketbal zit continu tempo. We zagen dit WK de vierde wissel in de verlenging. Dat is in mijn ogen nog niet genoeg. Wat kan helpen is onbeperkt wisselen, zoals bij veel andere sporten. Dan kun je echt pressen. De een is moe, dan komt er een ander in. Nee, zuivere speeltijd zie ik niet per se als een maatregel om aantrekkelijker spel te creëren. Je moet geen extra tijd scheppen, maar extra ruimte. Maak er negen tegen negen van. Moet je eens zien wat er dan allemaal gebeurt.’

Jan-Sjouke van den Bos

Jan-Sjouke van den Bos, voormalig bondscoach korfbal, over verdedigen:

‘Je ziet ook bij het WK dat verdedigers geregeld alleen naar de tegenstander kijken en meelopen, en de bal daarbij uit het oog verliezen. Dat soort situaties hebben we in het korfbal ook. Het grootste probleem is: hoe verdeel je de aandacht tussen man, bal en ruimte. Voetballers zijn vaak heel erg op de bal gericht, of juist heel veel op de tegenstander. De korfballer leert in driehoeken te denken, tussen speler, bal en tegenstander. Het is altijd een kwestie van het inschatten van ruimte. Altijd tijd genoeg hebben om de zaak dicht te lopen. Ik denk dat voetbal op dat gebied best kan leren van korfbal.’

Yves Kummer Foto ANP

Yves Kummer, voormalig rugbyinternational, over de videoarbiter:

‘Vroeger waren wissels in het rugby niet toegestaan. In de pauze mochten de spelers niet van het veld en de coach mocht het veld niet op. Door de commercie is dat veranderd, maar de coach zit nog steeds op de tribune. Rugby is een stammenstrijd, met respect voor elkaar. Die oerstrijd zie je vaak terug in voetbal, maar daar heerst soms gebrek aan respect. Althans, dat is de veelgehoorde mening.

‘De videoarbiter maakt het spel sportiever, ook omdat spelers doorkrijgen dat bepaald gedrag wordt gezien en geen zin meer heeft. Het zou nog beter zijn als de arbitrage in voetbal nog strenger werd. Alleen de aanvoerder praat met de scheidsrechter. Ieder ander krijgt een kaart voor praten. Dat lijkt me niet overbodig. Kijk ook naar jeugd die alles kopieert, die nu voortdurend aanstellerige valpartijen van Neymar nadoet. En in het rugby beslist de videoref, niet de scheidsrechter op het veld, zoals in het voetbal. Door de videoref te laten beslissen, haal je de druk weg bij de scheidsrechter.

‘Die treintjes bij hoekschoppen van Engeland lijken op de ingooi bij het rugby, de line-out. Het zou mooi zijn als je elkaar bij voetbal ook mocht optillen, om hoger te komen bij koppen.’ Maar dat mag dus niet in voetbal.

Peter Murphy Foto ANP

Peter Murphy, voormalig bondscoach volleybal vrouwen, tegenwoordig coach van coaches:

‘Ik ben zeven jaar actief geweest bij Ajax, maar sinds deze zomer niet meer. Ik doceerde daar veel uit andere sporten, met name ook uit volleybal. Het ging dan bijvoorbeeld om afstemming tussen passing, spelverdeling en aanval. De ene spelverdeler wil liever een hogere bal, een bal met een rondere boog, de ander liever een kortere. En dat geldt ook voor de aanvaller. In het voetbal zie je dat ook.

‘Zo is Hazard een noord-zuid speler, een voetballer die verticaal denkt, die direct de intentie heeft om diep te gaan. Hij moet de bal dan ook op een manier aangespeeld krijgen zodat hij die direct kan meenemen. Hij doet dat vaak met de buitenkant van de voet. Bij Christian Eriksen is dat precies omgekeerd. Die krijgt een pass, gaat de bal dan eerst goedleggen en oriënteert zich daarna. Hij is een horizontale speler. Als je dat soort dingen weet, kun je daarop je strategie aanpassen. Dan kun je looplijnen blokkeren, of juist niet. Je kunt die spelers ook leren aanspelen zoals zij dat graag willen. Bij hun passing kun je daarmee rekening houden. Je kunt tot beter samenspel komen, door profielen van spelers samen te stellen.

‘Met simpele testjes ontdek je snel wie een horizontale en een verticale speler is. Zo ontdek je ook eilanden in een elftal. Het is essentieel om die te verwijderen door middel van coaching. Waar krijgt iemand de bal? Hoe loopt iemand vrij? Dat is werk voor de coach, om die handelingsvoorkeur naar voren te halen. Het is niet de bedoeling dat iedereen doet hoe hij denkt dat het leuk is of handig, maar om het samenspel beter te laten verlopen, om maatwerk te leveren. De goede coach onderscheidt zich daarin.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.