Analyse Succes sportvrouwen

Waarom de Nederlandse sportvrouwen de mannen overschaduwen

Sanne Wevers tijdens haar winnende oefening op de balk in Glasgow. Beeld EPA

Gooi het begrip goudhaantje maar over de heg. De Nederlandse sport moet het van de vrouwen hebben. Ook nu weer bij de EK’s in Glasgow en Berlijn. Een gevolg van het NOCNSF-beleid om te investeren in succes. 

Wordt het opnieuw Sanne Wevers? Stapt Ranomi Kromowidjojo nog eenmaal in de schijnwerpers? Of grijpt een jong talent haar kans, zoals schoonspringster Celine van Duijn? Wie zich bij de Zomerspelen van Tokio, over twee jaar, zal ontpoppen als het gouden boegbeeld van de Nederlandse sport is niet te voorspellen. Maar het is vrijwel zeker een vrouw.

Nu het einde nadert van de mini-Zomerspelen in Glasgow en Berlijn, waar zeven Europese sportbonden voor het eerst in gezamenlijkheid hun titeltoernooien afwerken, blijkt een al langer bestaande trend door te zetten. Nederlandse sportvrouwen zijn beduidend succesvoller dan Nederlandse mannen.

Het aantal deelnemers aan de EK’s ­(atletiek, zwemmen, turnen, roeien, wielrennen, triatlon en golf) is nagenoeg gelijk verdeeld: 95 mannen en 89 vrouwen. Maar de medaillescore is een afspiegeling van een olympische ontwikkeling die in 1996 is ingezet. Vrijdagochtend hadden de vrouwen 8 van de 12 gouden medailles veroverd en 23 van de 31 medailles. De verwachting is dat er in het slotweekeinde vooral vrouwen medailles zullen veroveren.

Goud voor Marieke Keijser en Ilse Paulis in de lichte dubbel-twee op het water in Glasgow. Beeld AP

Bij het zwemmen, in de atletiek, het roeien en het wielrennen op de weg blonken de vrouwen uit. Alleen bij het baanwielrennen vergaarden de mannen meer medailles (5 om 3). Slechts een prestigieuze zege van turner Epke ­Zonderland kan de achterstand van het ‘sterke geslacht’ dit weekeinde nog een beetje verdoezelen.

De EK’s staan niet op zichzelf. Afgelopen weken werden de hockeysters wereldkampioen en de waterpolosters ­Europees kampioen. In het handbal en volleybal worden de prijzen later dit jaar verdeeld, maar ook in die sporten zijn de vooruitzichten gunstig. Het is heel goed denkbaar dat er naar Tokio vijf vrouwenteams (ook de voetbalsters) worden ­afgevaardigd en slechts een mannenploeg (hockey).

Dat betekent dat de olympische afvaardiging een nog vrouwelijker aanzien krijgt dan de ploeg van 2016, toen er voor het eerst meer vrouwen meededen dan mannen: 135 om 107. Die historische omwenteling duurde bijna een eeuw. Bij de Zomerspelen van 1920 was de ­Amsterdamse zwemster Rie Beisenherz de eerste deelneemster, te midden van 129 Nederlandse mannen.

De scheefgroei is geen direct uitvloeisel van een beleid om vrouwensport te stimuleren. Het is wel het gevolg van de keuze om te investeren in succes: een plek in de mondiale landentoptien voor topsport is sinds 2000 het streven van sportkoepel NOCNSF. Er gaat, simpel gesteld, meer geld naar sporters die kans maken op medailles. In de praktijk betekent die keuze dat er meer financiële ­ondersteuning is voor vrouwen.

Sharon van Rouwendaal (links, goud) en Esmee Vermeulen (brons) na de 10 km openwater in Loch Lomond. Beeld ANP

Dat is geen overbodige luxe, want veel geld valt er met sport niet verdienen voor sportvrouwen. Tientallen handbalsters, volleybalsters en voetbalsters hebben hun heil gezocht in buitenlandse competities, waar ze wel een inkomen kunnen ontlenen aan hun sport.

Voor het merendeel van hun collega’s is het sappelen met een stipendium van NOCNSF, enkele hockeysters en vedetten als Schippers en Kromowidjojo daar gelaten. Olympisch turnkampioen Wevers reist bij gebrek aan sponsors zelfs met haar balk uit Rio de Janeiro langs zaaltjes om tegen betaling, staand op haar evenwichtstoestel, bedrijven toe te spreken.

De ongelijkheid in olympische sportprestaties komt opmerkelijk genoeg voor een deel voort uit maatschappelijke gelijkheid. Meisjes mogen in Nederland sporten en zij doen bijna net zo veel als jongens: op de basisschool doet acht van de tien kinderen aan sport. Hoewel veel meisjes vanaf 10 jaar afhaken, gaan juist de kinderen met aanleg vaak door.

Olympische sporten worden overwegend beoefend door kinderen uit de ­betere buurten en wijken. In die hogere welstandsgroepen is het normaal lang te studeren, laat te trouwen en het krijgen van kinderen uit te stellen. Dat schept volgens sportsociologe Agnes Elling, ­verbonden aan het Mulier Instituut, ruimte voor topsport.

Anna van der Breggen (links, zilver) en Ellen van Dijk (goud) na de tijdrit op het EK in Glasgow. Beeld Getty

Doordat die cultuur ontbreekt in veel andere landen, ook in Europa, is er minder concurrentie. Zeker in de welvaartssporten waarin Nederlandse ­vrouwen en mannen traditioneel uitblinken: roeien, hockey, zeilen, zwemmen, paardensport, wielrennen. In de atletiek, de toegankelijkste en door vrouwen meest beoefende topsport, veroverde alleen Dafne ­Schippers een olympische medaille na ­Ellen van Langen op de Spelen van ­Barcelona in 1992.

‘Als je kijkt naar gelijke kansen voor jongens en meisjes in de sport in Nederland, dan staan we heel hoog in de wereld’, zei Maurits Hendriks twee jaar geleden in de Volkskrant. ‘Dat leidt ertoe dat Nederlandse vrouwelijke atleten een voorsprong hebben. Er zijn erg veel andere landen waar die gelijke toegang niet is.’

Bij de Spelen van Rio resulteerde de overheersing van de vrouwen ook in meer eremetaal vergeleken met de mannen: ze wonnen 6 van de 8 gouden plakken en 12 van de 19 medailles. In Tokio 2020 kan die stand nog schever uitpakken. De EK’s in Glasgow en Berlijn geven een eerlijker beeld van de krachtsverhoudingen bij de vrouwen dan bij de mannen. In veel vrouwensporten zijn Europese landen dominant, de mannen ondervinden meer concurrentie uit andere werelddelen.

Voor de mannen is er een schrale troost. Zij kunnen misschien meeliften op het succes van het ‘zwakke geslacht’. Om de gelijkheid tussen seksen te bevorderen introduceert het IOC steeds meer gemengde estafettes. In Glasgow pakte dat gunstig uit de voor twee Nederlandse mannen: Nyls Korstanje en Stan Pijnenburg. Dankzij de snelheid van Femke Heemskerk en Kromowidjojo keerden zij huiswaarts met de zilveren plak op de 4x100-meter-vrije slag voor gemengde landenteams.

Waarom Nederlandse vrouwen uitblinken in 6 hoofdpunten

1 - Jongens en meisjes doen op de basisschool bijna evenveel aan sport. Vanaf 10 jaar haken meer meisjes af, maar de grootste talenten gaan vaak door.

2 - Nederlandse meisjes en vrouwen mogen sporten. Het is sociaal geaccepteerd om trouwen of het krijgen van kinderen uit te stellen om een sportcarrière na te streven.

3 - In andere landen zijn vrouwen minder vrij om te kiezen voor topsport, waardoor Nederlandse vrouwen minder tegenstand ondervinden dan mannen.

4 - Nederland blinkt vooral uit in welvaartsporten, zoals hockey , paardensport en zeilen (ook bij mannen). Daar is de concurrentie sowieso minder.

5 - Nederland kent veel faciliteiten en goede competities, waardoor vrouwen de kans krijgen zich te ontwikkelen.

6 - Sportkoepel NOCNSF investeert vooral in sporten die medailles opleveren. Daardoor gaat er meer geld naar vrouwensport.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.