Voetbal is geen kunst

Heldenverering door sportellectuelen is een vorm van zelfhaat, legt Dick Pels uit..

`Cultuur is iets heel gewoons`, aldus Raymond Williams, de Britse grondlegger van wat later onder de naam cultural studies een bloeiende tak van onderzoek zou worden. De populaire cultuur was volgens Williams minstens even rijk geschakeerd als de klassieke cultuur van de intellectuele en artistieke elite. Bovendien bevatte zij allerlei contrapunten en verzetsmomenten die een kritisch licht wierpen op het in zijn ogen benepen karakter van de gevestigde culturele canon.

Williams zette de toon: het statusverschil tussen volksvermaak en elitecultuur is verdampt. Op zich is daar niets op tegen. Maar die democratisering van de smaak schiet inmiddels door in een populistische verering van het `lagere` die het `hogere` geheel overschaduwt.

Slimheid is een kwaliteit van het lichaam geworden. Bildung wordt niet meer superieur geacht aan bodybuilding, emoties zijn minstens zo chic als ideeën, lichaamstaal is net zo veelzeggend als spreektaal. Emotionele en fysieke uitstraling worden op een lijn gesteld met intellectuele en artistieke intelligentie. Nergens anders is die doorgeschoten nivellering zo duidelijk zichtbaar als in onze fascinatie voor de wereld van de sport, met name voor de cultuur van het alomtegenwoordige voetbal.

Allerlei jubelende kwalificaties die vroeger voor het hogere cultuurleven golden worden nu ook op laag-bij-de-grondse activiteiten toegepast. Het is allang geaccepteerd om niet alleen geestesbewegingen maar ook lichaamsbewegingen `geniaal`, `virtuoos`, `subliem` of `briljant` te noemen. Terwijl de belangeloze wetenschap, moraal en kunst in het spoor van Nietzsche zijn ontmaskerd als vormen van wil-tot-de-macht, zijn het voetbal en andere sporten (en niet te vergeten: het eeuwigdurende commentaar erop) tot hogere kunst, moraal en wetenschap verheven.

Ook in de balkunst onderscheidt men tegenwoordig scholen en stijlen: de Iers-Schotse, de joods-Boheemse, de Braziliaanse of de Hollandse School. Onlangs werd het voorstel gelanceerd doelpunten te laten gelden als intellectueel eigendom, zodat de `auteurs` ervan voor video-compilaties en herhalingen voortaan royalties zouden kunnen innen.

`Oranje-spits Ruud van Nistelrooy acht zijn oeuvre pas compleet als hij een WK heeft gespeeld`, aldus een recente kop in deze krant. Niemand kijkt er meer van op wanneer een legende als Pete Sampras de `Rembrandt van het tennis` wordt genoemd of een fenomeen als Marco van Basten `de Picasso van het voetbal`.

Zo verbaasde het ook niet dat Johan Cruijff naast Erasmus, Van Leeuwenhoek, Van Gogh en Rembrandt meedong naar de titel van Grootste Nederlander Aller Tijden. In een directe vergelijking met Rembrandt werd de `voetbalvirtuoos`, met zijn `geniale oplossingen voor spelsituaties`, geplaatst tegenover de al even virtuoze schilder. Twee `oude meesters` reikten elkaar de hand. Cruijff-ambassadeur Michael van Praag herhaalde de welgemeende opvatting van een academicus dat `menig filosoof aan de uitspraken van Cruijff nog een puntje kan zuigen`. Zijn gedachtegoed wordt dan ook regelmatig ten voorbeeld gesteld aan managers, zoals in Pieter Winsemius` flemerige Je gaat het pas zien als je het doorhebt. `Aan dingen doen gaan toch gedachten vooraf`, zo probeerde historicus Herman Pleij tijdens de Grootste-Nederlander-competitie nog wanhopig de voorrang te bepleiten van Erasmus en andere intellectuelen boven politici, managers en andere lieden van de dagelijkse praktijk. Maar die rangorde is in onze cultuur van intuïtie, emotie, beeldvermaak en personality volledig achterhaald.

De clichés van de moderne voetballyriek laten zien dat intellectuele en artistieke creativiteit niet langer zijn voorbehouden aan de ijle regionen van de geest. Een `intelligente` pass, een `knappe` draai, een `excentrieke` dribbel, een passeerbeweging `vol pure magie`, een `fantasierijke` voorzet, een `actie die in schoonheid sterft`. Een `magistraal` schot van de `elegante` en `begaafde` spits, die de bal `met verve` inschiet, tenzij deze natuurlijk door een virtuoze keeper `stijlvol` over de lat wordt getikt. Een `stilist` als `maestro` Zinedine Zidane wordt geprezen om zijn `geraffineerde` balbehandeling, zijn opvallende `spelinzicht` en zijn `hang naar perfectionisme`. Bondscoach Marco van Basten betreurt het dat het Nederlands elftal op cruciale momenten `voetbalintelligentie` mist. Het `creatieve denken` van AZ-libero Barry van Galen zou hem misschien een handje kunnen helpen. Voetballen doe je immers met je hersens, aldus de zowel qua lichaams- als spreektaal onnavolgbare Cruijff.

Charisma en persoonlijkheid zijn tegenwoordig vooral een kwestie van fysieke uitstraling, en overtuigingskracht is niet langer alleen verbaal (Serena Williams` spel `overtuigt niet`; PSV `kon in de eerste helft niet overtuigen`). Kwaliteit en klasse huizen ineens in lichamen en het spel dat zij met elkaar spelen (`het ontbrak Schalke 04 aan kwaliteit om het overwicht in doelpunten om te zetten`; `Blake leek een klasse te goed voor de wankelende Agassi`). Gedenkwaardige sportwedstrijden of overwinningen worden als `klassiek`, `historisch` of `legendarisch` bestempeld (`een wedstrijd die geschiedenis schrijft`).

Zo heeft de esthetisering en intellectualisering van balkunstenaars door woordkunstenaars (de populistische `voelbaluelen`, zoals de publicist Stephan Sanders ze heeft genoemd) een hoge vlucht genomen. Het spel der spelen geeft telkens weer aanleiding tot een roes van woordspeligheid. `Wat zich hier heeft voltrokken`, schreef de Volkskrant na de `historische` nederlaag van Nederland tegen Tsjechië op het EK van 2004, `is pure poëzie, een symbiose van Nooteboom en Kundera. De avond is betoverend Het is een wedstrijd met emotie, strijd en klasse Deze wedstrijd is bijna een boek waard.`

De ophemeling van lichtvoetige balkunstenaars wordt vaak aangescherpt via het stijlcontrast met `werkvoetballers`: aandoenlijke zwoegers die hun gemis aan techniek en creatief inzicht compenseren door pure kracht, uithoudingsvermogen en vechtlust. Kunst staat hier tegenover hard werken, creativiteit tegenover rennen en knokken, licht tegenover zwaar, mooi tegenover lelijk. Stereotypen als deze bepalen bijvoorbeeld sinds jaar en dag de culturele tegenstelling tussen Ajax (en de stad Amsterdam) en Feyenoord (en de stad Rotterdam). Groene-journalist René Zwaap schreef bijvoorbeeld over Cruijffs overgang naar Feyenoord: `In de Kuip speelde hij niet met mede-goden maar met mannen van vlees en bloed, feilbare stervelingen die zich bonkig door de modder een weg baanden in plaats van te zweven.`

Hetzelfde stijlcontrast was tot voor kort kenmerkend voor het verschil tussen de artisticiteit van continentale elftallen en de werk- en vechtlust van de Britten.

Dit cultuurverschil wordt fraai belicht door David Winner in zijn tweeluik Brilliant Orange: the Neurotic Genius of Dutch Football (2001) en Those Feet. A Sensual History of English Football (2005). Winner contrasteert karakteristieke Britse voetbalwaarden als mannelijkheid, hard werken en een vechten met het `collectivistisch individualisme`, de artistieke `luiheid` en de vrouwelijke grilligheid (het gebrek aan een killersinstinct) die kenmerkend zijn (waren?) voor de Hollandse School. Maar tegenwoordig is het sexy football door buitenlandse aankopen in Engeland zodanig doorgedrongen dat teams als Arsenal, Manchester United, Chelsea en Liverpool de continentale en multiculturele genialiteit op een gelukkige manier hebben weten te koppelen aan de Engelse mentaliteit - daarbij geholpen door artistiek en wetenschappelijk aangelegde trainers van Franse, Portugese of Nederlandse herkomst.

Ook op wereldschaal wordt dit stijlverschil vaak uitgespeeld, bijvoorbeeld wanneer artistieke, sensuele Braziliaanse dribbelaars de fantasieloosheid van het domme resultaatvoetbal weer eens te kijk hebben gezet. `Braziliaans` geldt al sinds jaar en dag als een complimenteuze metafoor voor lichtvoetigheid en zeldzame, onnavolgbare acties. Maar ook Engeland is de laatste decennia op dit punt een stuk Braziliaanser geworden. Arsenal-spits en voormalig Ajacied Dennis Bergkamp wordt door NRC Handelsblad-voetbalueel Guus van Holland dan ook beschreven als een `zachtaardige voetballer met de baltoets van een Braziliaan`: `Soms neigt hij naar de stijl van Noerejev, maar dan blijkt hij toch weer te weinig expressionist om aan de Noerejev-norm te voldoen`.

Er zijn tal van redenen waarom sport het hart raakt van de moderne cultuur. Sportsterren lijken een `zuivere` vorm van succes te belichamen in een maatschappij die zichzelf graag wil zien als een meritocratie. Omdat duidelijk is dat je het in de sport op eigen kracht moet `maken`, worden prestaties en beloningen (roem en geld) als legitiemer gezien dan prestaties die elders worden geleverd - zeker wanneer men ze vergelijkt met de `verdiensten` van mediasterren die alleen maar beroemd zijn omdat ze beroemd zijn. Overal heeft de sport, en vooral het voetbal, de talentrijke verschoppelingen van deze aarde een weg geboden uit de armoede en de uitzichtloosheid. Niet voor niets is juist de artistieke en individualistische voetbalstijl uitgevonden door de kinderen van de diaspora en de multiculturaliteit: joden, immigranten, arbeiders, creolen, zwarten (denk aan het `vrijzinnig-joodse` Ajax of aan de van meet af aan gekleurde Braziliaanse teams). In zijn boek Kan voetbal de wereld redden? (2004) omschrijft Raf Willems het `vrijheidslievende` voetbal dan ook als `een schreeuw van de onmachtigen, van de vernederden en de gekromde ruggen De bal is gelijk voor iedereen`.

Zo is de vreedzame concurrentie in de sport een centrale metafoor en een unieke modelpraktijk geworden in een cultuur waarin het erom gaat `het beste uit jezelf te halen`. De wedstrijd als race tegen de klok, tegen elkaar en tegen jezelf is natuurlijk ook als kijkspel vermakelijk, en past in een vrijetijds- en feestcultuur waarin spelen werken en werken spelen is geworden.

Sport is ook een viering van het speelkwartier van de jeugd, dat in de loop der tijd steeds verder is opgerekt. Sportieve jeugdigheid wordt tegenwoordig aan iedereen als een dwingend keurslijf opgelegd. Ook zijn sportieve rivaliteiten bij uitstek geschikt gebleken als projectiescherm voor allerlei lokale en nationale identificaties. Meer dan het `zware` koningshuis is Koning Voetbal bijvoorbeeld het brandpunt geworden van een moderne, lichte, vermakelijke vorm van patriottisme.

Die nieuwe heldenverering, spektakelzucht en nationale groepsdrang zijn gepaard gegaan met een democratische `verlichamelijking` en `sportivering` van onze cultuur. Onze nieuwe helden zijn niet langer grote geesten, maar ontlenen hun charisma aan hun fysieke allure. Die fysieke en emotionele intelligentie hoort bij een persoonlijkheidstype dat ook in de televisiecultuur veelgevraagd is, en puur vanwege zijn `uitstraling` met roem en geld wordt overladen (denk aan de brutale presentator m/v). Om het te maken in de mediawereld is `personality` voldoende: naast charme, onbevangenheid en een vlotte babbel hoef je eigenlijk niets bijzonders te kunnen of te doen.

Maar ook in de op het oog zo meritocratische wereld van de sport is de verhouding tussen verdienste en beloning inmiddels volledig zoek. Zo weerspiegelt de sport bij uitstek de perverse contradictie die huist in het hart van onze culturele democratie, en drijft die op de spits. Maar de `sportellectuelen` bezingen liever onze `godenzonen` en hun oneindige `genialiteit` dan kritiek te spuien op de doorgeschoten commercialisering en de volstrekt absurde zelfverrijking. Dezelfde Arsenal-spits die door Van Holland als een groot kunstenaar wordt bejubeld (`Onpeilbaar is het voetenwerk van Thierry Henry oneindig is bovendien zijn betovering van de bal Temidden van de andere kunstzinnige spelers van Arsenal is Henry een artiest wiens grootste genot is zichzelf te vermaken, zonder de invloed van zijn muzen uit het oog te verliezen`) gaat met dit geniale voetenwerk binnenkort 250.000 euro per week verdienen.

Het probleem is niet dat de traditionele statusverschillen tussen elite- en populaire cultuur zijn geslecht. Het is eerder zo dat we in onze sportverheerlijking zijn doorgeschoten in een populistische lichaamscultuur die de cultuur van de geest heeft overvleugeld. Natuurlijk moet het commentaar op een vermaaksindustrie als de sport zelf ook vermakelijk zijn. Maar de ironie die zo vaak doorklinkt in de moderne sportlyriek is ook een vorm van hypocrisie. In elk geval is zij aan veel gewone supporters niet besteed, voor wie de FC Godenzonen als een vervangend godshuis fungeert. De flirt van de sportellectuelen met hun helden verraadt een spijtige afstandelijkheid die trekjes vertoont van intellectuele zelfhaat. Want wat Cruijff de verzamelde sportpers eens toevoegde, blijft natuurlijk waar: `Als jullie goed hadden kunnen voetballen, dan had je er nooit over hoeven te schrijven.`

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden