Vechten op straat is voor losers

Evert Hofstede (76) oud-bokskampioen van Nederland in het weltergewicht traint elke dag, want als je succes wilt hebben, moet je knokken....

Als je oud bent, heb je de hele dag aan jezelf. Daarom begin ik vroeg met trainen, dan blijft er lekker veel tijd over. Soms loop ik al om half acht 's ochtends met mijn stoot ijzers in het bos oefeningen te doen. Ik kan dat niet laten, maar ik heb het ook nodig. Ik voel me pas goed als ik het bloed door mijn lichaam heb gejaagd en veel zuurstof heb binnengekregen. Alles bruist dan in me. Ik voel me weer net een jongetje. Dat is natuurlijk niet zo, ik ben bijna 77 jaar, maar ik heb een uitzonderlijk gevoelsleven. Die verbeelding is dan fantastisch.

Ik loop er niet mee te koop, maar als ik ben uitgetraind, lekker heb gezweet en gedoucht, voel ik me méér dan mijn leeftijdgenoten. Ik heb altijd succes gehad en dat wil ik graag zo houden. Sommige van mijn kinderen hebben minder succes in hun leven. Dat is mijn noodlot en dit is mijn manier om ze te laten zien hoe het ook kan. Dat je door hard te knokken succes kunt hebben.

Dat idee heb ik van kindsaf aan gehad. Ik kom uit de Jordaan. Mijn zus heeft nog verkering gehad met Kareltje Verbrugge, Willy Alberti. Mijn vader was een echte Jordanees en mijn moeder een boerenvrouw. Je kunt je ouders eigenlijk niet missen, maar toch mis ik die mensen nog elke dag. Van mijn moeder mocht ik eerst niet boksen, maar ik wilde het al vanaf mijn achtste jaar.

Vechten op straat is voor losers. Ik was twaalf toen ik eens neerging na een klap voor mijn kop van Hein Kneppers, destijds de kampioen van Noord-Holland. Mijn moeder ging erop af. "Durf je wel, een jongetje van twaalf zo'n genadeloze stoot geven?" "Ja maar", zei Hein half huilend tegen mijn moeder. "Evertje was zo woest, ik moest me toch verdedigen?"

Voor straf mocht ik van mijn moeder drie weken niet boksen. Ik dacht: "Ik wacht wel tot ik groot ben."

Zes jaar later was ik oud genoeg om met hem op het programma te staan. Ik zou hem pakken en dat liet ik weten ook, want ik stak het niet onder stoelen of banken. Ze noemden mij toen al Evert de Verschrikkelijke.

Kwam hij niet opdagen. Een paar maanden later zou ik weer tegen hem boksen. Stuurde hij een vervanger. Ik kon natuurlijk niet blijven wachten. Toen heeft die vervanger het maar moeten ontgelden. Ik kon zo verschrikkelijk hard en snel slaan. In Den Haag bokste ik eens een partij. Mijn trainer zei: "Doe het nou eens netjes en boks die pot fatsoenlijk uit."

In de tweede ronde kreeg ik zo'n harde klap dat ik mijn neus voelde zwellen. Dat kon natuurlijk niet. Dus ik zei in de pauze voor de derde ronde: "Dick, je kan me nog meer vertellen, maar als ik de kans krijg, pak ik hem." "Ga dan je gang maar." De gong ging. Ik kom mijn hoek uit en bham! Ik sloeg tegenstanders knock-out op bestelling.

Ik heb in mijn leven 78 partijen gebokst. Dat is vrij weinig, maar nog aardig wat als je bedenkt dat ik in 1947 op mijn 23ste ben gestopt. Ik was kampioen van Nederland, maar ik wilde ook kampioen van Nederland in het zakenleven worden. Dat is tevens de reden waarom ik me ook nooit in elkaar heb laten slaan. In die tijd was het mode om een boksersneus en bloemkool oren te hebben. Sommigen hadden daar alles voor over. Ik zie nog Nico Droog op de boksschool tegen een massieve zandzak staan stompen en slaan. Nico was kolensjouwer, een beer van een vent. Ik zei: "Goh, wat kan je dat goed." "Moet je eens zien wat ik kan." Hij gaf die zak een gooi en ving hem met zijn hoofd op. "Is dat wel goed voor je", vroeg ik. "Daar word je hard van." Hij gaf die zak weer een zwiep en ving hem opnieuw op. Ik zie hem nog zo dizzy naar de kleedkamer waggelen, terwijl hij zei: "Zo doen wij dat."

Zoiets kan nooit goed zijn, dacht ik toen al. Zodoende heb ik betrekkelijk weinig klappen gekregen. De laatste waren, denk ik, van Whiley Burns, een Amerikaan die in 1947 een goodwill-reis door Europa maakte. Die man was drager van de Golden Glove. Toen heb ik moeten erkennen dat iemand beter kon boksen dan ik. Ik vocht als een leeuw, maar hij sloeg me verrot. In de tweede ronde was ik buiten mijn lucht geraakt en in de derde en laatste ronde bokste ik achteruit, want ik wilde me niet meer laten slaan. Toch kon ik hem op slag van de gong nog een geweldige knal op zijn lever geven. Het was geen k.o., omdat de partij was afgelopen.

's Avonds hadden we een diner bij Kempinski in de Leidsestraat in Amsterdam. Burns zat tegenover me, maar die jongen heeft weinig van zijn eten geproefd. Hij kon niet eten.

Die partij is een van mijn laatste geweest. Daarna ben ik fulltime in het zakenleven gegaan. Ik zat al een beetje in de bonthandel. Daar was ik als kind ingegroeid. Als jongetje ging ik namelijk de boeren rond Amsterdam af om mollen-, konijnen- en hazenvellen te kopen. Het was crisistijd, dus je moest hard werken om een paar centen te verdienen. Dat harde werken is na de oorlog doorgegaan en ik heb succes gehad. In totaal heb ik 34 damesconfectiewinkels gehad.

Op een gegeven moment heb in de jaren zeventig de boel geliquideerd. Dat komt, mijn manier van zakendoen paste steeds minder in de tijd. Ik deed zaken op mijn woord, zoals ik het had geleerd. Ik betaalde ook op mijn woord, maar anderen deden dat niet. De wereld om mij heen werd steeds geslepener. Ik was weliswaar hard, keihard soms, maar ik was eerlijk. Daar kon ik bij anderen niet meer van uitgaan.

Intussen stond ik ook zonder advertenties nog vaak in de krant, want nadat ik als wedstrijdbokser ben gestopt ben ik gaan lesgeven. Daar heb ik kampioenen mee gemaakt. Ik kon jongens enorm motiveren. Tenminste, als ze kampioen wilden worden. Jongens die er niks voor over hadden, mochten van mij zo vertrekken. Soms zie je op het eerste gezicht niet aan een jongen af of hij een goeie bokser wordt. Willem Snoek is er zo eentje. Willem heeft de Zweed Johansson, destijds wereldkampioen, op slag van de gong nog eens knock-out geslagen.

Willem Snoek kwam de sportschool binnen om zich te laten inschrijven.

"Dus jij wilt komen boksen?"

Hij knikte.

Wham! Met een haal sloeg ik de sigaret uit zijn mond. "Boksers hebben we graag, maar het moeten wel winnaars zijn. Jongens met gebrek aan lucht hoeven we hier niet." Zo deed ik dat. Wie daar niet tegenkon, mocht vertrekken.

Meestal was ik wat eerder op de boksschool en als ze dan aanbelden, zag ik van bovenaf de jongens de trap op komen stommelen. Op een avond kwamen ze weer boven en voelde ik dat er wat aan de hand was. Dat bleek. Eerst zag ik een grote bos haar African style. Daaronder een vent met een paar enorme spierballen. Die kerel kwam naar me toe en zei zo in zijn slang: "Jij bent toch die sterke man? Ik wil met jou vechten."

Dat ging natuurlijk niet. Je kunt toch niet zomaar gaan vechten met iedereen die daar zin in heeft? Dus ik zei: "Vechten doe ik niet. Dit is een boksschool. Maar als je met me wilt boksen, zul je je eerst behoorlijk moeten inschrijven en contributie betalen."

"Nou, dan betaal ik toch eerst", zei hij met die grote witte tanden van hem.

Nou was ik niet verlegen, maar dit kon moeilijk worden. Toen heb ik mijn verstand gebruikt. Ik schreef hem in, stuurde hem naar de kleedkamer en toen ze terugkwamen, zette ik hem voor in de klas, dicht bij me, zodat ik hem in mijn gezichtsveld hield. Ik gaf hem een paar extra zware stootijzers, terwijl mijn eigen handen leeg bleven. Ik heb hem daarna twee keer zo lang als normaal stootoefeningen laten doen. En ik hield hem in de gaten, zodat 'ie zich niet kon drukken. "Kom op! Sneller! Je bent toch een kerel? Hop! Je wilt toch boksen! Vooruit dan! Ben jij nou een vent?"

Zo matte ik hem af. Na dat we alles hadden uitgetraind, inclusief gymnastiekoefeningen, was hij helemaal vernield. Ik vroeg: "Wil je nog boksen met me?" Liever niet, maar hij durfde voor zijn vrienden geen nee te zeggen.

Ik gaf hem een paar trainingshandschoenen met van die grote kussens, terwijl ik zelf een paar kleine punchies aandeed. Daarna heb ik die vent genadeloos op zijn lichaam geslagen. Bij elke stoot hoorde ik hem kreunen. Die jongens om hem heen werden heel stil. Dat heeft een minuut of drie geduurd. Dat is lang hoor. Daarna: "Moet je nog meer?" Zachtjes: "Nee." "Wat zeg je?"

"Nee." "Tot volgende week dan!" Ik heb hem nooit meer gezien.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden