Van Commenee gnuift van genoegen

Na vier jaar vertrekt Charles van Commenée als technisch directeur bij de NOC*NSF. Inhoud, daar ging het hem om.

De accu is op, de batterij is leeg. Voor Charles van Commenée, op 19 december vertrokken bij het Nederlands olympisch comité NOC*NSF, is het grote opladen begonnen. De technisch directeur die overstapt naar de Britse atletiekbond UK Athletics, gnuift van genoegen.

‘De telefoon en de laptop gaan een maand uit. Dat heb ik bedongen bij mijn contractonderhandelingen. Ik heb vanaf het moment dat ik tekende, in de tweede week van september, tussendoor allerlei werk gedaan voor de Britten. Ik was een dag per week beschikbaar.

‘Dat moest wel op die manier, omdat ik anders aan een hoop dingen zou vastzitten. Het gaat over contracten met coaches, selectienormen voor de WK atletiek in Berlijn, trainingskampen. Ik zou overal naast grijpen. Maar in ruil voor dat werk tussendoor heb ik vastgelegd dat ik pas op 1 februari begin.

‘Ik ben op 19 december weggereden van Nationaal Sportcentrum Papendal en doe tot 1 februari helemaal niets. Dat heb ik nodig. Ik heb een jaar of acht geen echte vakantie meer gehad.

‘Na de Olympische Spelen ben ik zonder pauze doorgegaan. Dat betekent dat ik sinds eind mei geen dag vrij ben geweest. Ik loop op mijn laatste benen. Het is een dodelijke vermoeidheid. Ik ben echt nog nooit zo moe geweest. Ik heb nergens zin in. Ik deed mijn werk en verder sliep ik. Dat was ’t. Dat is natuurlijk niet goed.

‘Ik ga een paar dagen skiën met Peter Verlooy. En ik ga in januari een dag of tien naar het Caribisch gebied. Maar verder zit ik op de bank thuis de krant te lezen en tv te kijken. En een beetje lopen en fietsen. De computer gaat alleen aan om het nieuws te volgen. Geen mails.

‘Mijn secretaresse bij UK Athletics in Birmingham beheert mijn mailadres. Zij stuurde mij de voorbije maanden één of twee mails per dag door. Dringende mails. Maar nu wordt er even niks meer doorgestuurd.

‘En ook op Papendal, bij NOC*NSF, weten ze dat ze me nog niet met een halve zin moeten lastigvallen. Ik ben namelijk ruimhartig voor ze geweest.

‘Ik had twee maanden opzegtermijn, maar heb voor het NOC vier maanden aangehouden, omdat ik vind dat ik de evaluatie goed moet afronden. Dat hoefde niet, strikt genomen. Maar ik vond dat het moest.’

De afronding van het werk dat hij heeft gedaan, de Nederlandse topsport een betere structuur bieden, doet hem meer plezier dan ergens op een podium te staan en te zwaaien, de ceremoniële tralala zoals hij dat wel eens wat minder eerbiedig noemde. ‘Het hoorde bij mijn job, het regelmatig zichtbaar zijn. Maar het drijft me niet. Ik heb die behoefte niet.

‘Ik blijf vasthouden aan die spanning tussen zichtbaarheid en dienstbaarheid. Ik kies dan toch voor dienstbaarheid. Zoals coach Jan Klerks die door zijn roeiers uit de boot wordt gekieperd en zonder zuurheid hen aanmoedigt en als eerste feliciteert, als ze Peking toch halen. Die dienstbaarheid kom je weinig tegen.

‘Weet je, er is voor mij niks erger dan een teamoverdracht, waarbij ik met zo’n vlag voorop loop. Dat voegt inhoudelijks niks toe. En ik ben van de inhoud.

‘Ik snapte dat ik sommige dingen moest doen, als technisch directeur van NOC*NSF en chef de mission van de olympische ploeg. Ik deed het ook. Maar heel vaak ging ik niet in op uitnodigingen om in tv-programma’s te verschijnen. Om iets op te leuken dat ik totale shit vind. Ik wil over alles nadenken wat ik zeg. Ik formuleer voorzichtig, doordacht in elk geval. Bij live tv krijg je die tijd niet. Niet mijn ding. Live is een gevaar.

‘Die communicatieafdeling bij ons had daar wel problemen mee, omdat ik steeds dingen afhield. Je moet naar voren man. Waarom? Ik ben daar selectief in. Je moet wat te melden hebben.

‘Sportbestuurders en management past distantie. Dat heb ik als coach ook altijd gehad. Als ik ergens een hekel aan heb, dan is het aan coaches die transformeren tot superfans. Die gaan aanmoedigen, die gaan roepen. Die niet eens weten wat ze roepen. Honderd dingen in een time-out van twee seconden. Die verliezen de klinische blik, ze hebben geen controle. Terwijl je juist veel meer ziet en efficiënter acteert als je afstand houdt. Ik denk dat een sporter daarmee meer is geholpen.’

Charles van Commenée (50) was de man die meer plezier beleefde aan de vervolmaking van het Nederlandse topsportgebouw, een behoorlijk salaris voor die voorheen onderbetaalde bondscoaches in taekwondo of kano, of de uitreiking van een Coach Award in de RAI ‘in plaats van in de rust van een obscure basketbalwedstrijd’, dan aan een glanzende positie in het olympische medailleklassement.

Hulpverlening aan de topsporter (‘die staat altijd op één’) prevaleert boven het glimmend van trots incasseren van medailles. ‘Ik wil graag helpen. Dat boeit me en dat doe ik met enthousiasme en drive. Maar ik ben geen enthousiast figuur. Enthousiasme is mij vreemd. Toen ik als 7-jarige met mijn oma naar Madurodam ging, was het de laatste keer dat ik enthousiast was.

‘Zo ben ik. Ik heb ook toen er door mijn sporters op de Olympische Spelen medailles werden gewonnen, geen seconde mijzelf in blijheid verloren. Maarten van der Weijden goud? Ook toen niet. Ik blijf altijd de beschouwende.

‘Dan denk ik mooi. What’s next? Het is echt zo. Het is de aanname dat je over een enorm palet aan emoties moet beschikken om in de sport werkzaam te zijn. Mijn drive is verbetering. Zo klinisch ben ik. Zo zit ik in elkaar. Zo was ik als trainer al. Ik word niet snel emotioneel. Ik neem altijd rationele beslissingen. Dat gebeurt veel te weinig in de sport.’

Hij vertelt, als voorbeeld van zijn instelling, over die gouden donderdag in het Natatorium van Peking, toen de Nederlandse vrouwen waterpologoud wonnen. ‘Er was blijheid, want ik vond dat heel mooi. Als al die inspanning, van NOC*NSF en de zwembond, daar dan zijn beslag krijgt op het ultieme moment. Dan is dat schitterend.

‘Meestal is het zo dat wat je nu doet, zich pas over acht jaar uitbetaalt. En dat wij hier te maken zouden hebben gehad met wat Joop Alberda rond 2000 heeft gedaan. Zoals mijn opvolger, Maurits Hendriks, te maken krijgt met de dingen die ik heb geregeld. Maar nu was het resultaat van dit waterpoloproject er in drie jaar.

‘Dan komen we bij het moment dat de beslissende bal erin gaat. Dan denk ik: ik moet naar beneden, ik moet nu de spelers en de coach feliciteren. Als chef de mission. Dan ben ik heel beschouwend. Wanneer moet ik wat waar doen? Dan kies ik positie, op zoek naar het goede moment. Want ik wil niet hun intieme moment verstoren. Ik voel dat ik een indringer ben.

‘Dit is iets van deze club mensen. Die heeft dit intensief beleefd. Een paar jaar lang met elkaar in het zwembad. Moet ik daar dan prominent tussen springen en zichtbaar zijn? En dan zo nodig iedereen een hand geven. Worden ze daar gelukkiger van? Nee. Dat moet ik niet doen. Maar wanneer dan wel? Dat heb ik altijd.

‘Na enige minuten denk ik: ah, het hoogtepunt is voorbij. Nu is het gepaste moment voor een hand of een knuffel. Of wat dan ook. En ik verdwijn daarna meteen weer.’

In de vergelijking met anderen, als voorganger Alberda, judocoach Cor van der Geest of NOC-preses Erica Terpstra, is hij afwachtend. ‘Zij hebben geen remming.’

Hij komt met nog een naam, Willem-Alexander. ‘Ben ik aan het manoeuvreren bij die waterpolosters. Zie ik plots de kroonprins. Pssjjj, zo bovenop die meiden. Hij wordt, zo lijkt het althans in mijn beleving, gedragen door zijn enthousiasme. Ik vermoed dat hij op dat moment geen moment van reflectie heeft. Dan denk ik: hier is het ultieme contrast. Ik, de beschouwer, verdwijn. En anderen staan daar.’

Hij verdwijnt, vier jaar eerder dan velen dachten, uit de Nederlandse sport. Hij vertrekt zonder een spoor van frustratie. Dat het bestuur van NOC*NSF onvoldoende tot geen pogingen deed hem te behouden (‘ik wilde de aanbiedingen wegen, maar zo ver is het nooit gekomen’), het zij zo.

‘Ik ga met nul bitterheid weg. En met een gevoel van voldoening. Ik begon hier voor mezelf met de opdracht de sport te verstevigen. Ik had het overgenomen van iemand (Joop Alberda, red.) die ook veel had toegevoegd. Dat wilde ik ook. Dat gevoel van voldoening heb ik bereikt.

‘Het is net een estafettestokje dat je doorgeeft. Ik heb mijn gedeelte van de wedstrijd goed doorlopen. Ik was pas de tweede loper. We weten niet hoeveel lopers er zijn in deze wedstrijd. Ik vond het een verantwoordelijke taak die ik niet licht heb genomen. Ik heb vooral geprobeerd de Nederlandse topsportstructuur te verbeteren. Daar put ik mijn voldoening uit.

‘Het beeld dat ik van de buitenkant van dit werk had, was dat het veel individueel plak- en lijmwerk was. Een beeld dat kwam door de aanpak van Alberda die een aantal individuen op weg hielp, het laatste zetje gaf op weg naar olympisch succes. Dat is in mijn geval anders uitgepakt. Ik heb dat nauwelijks of niet gedaan. Ik heb bewust ervoor gekozen topsportprogramma’s te versterken.

‘Of die te zwak waren? Er is nog steeds veel aan te doen. De wereldstandaard bepaalt. Als je een waterpoloprogramma wilt verbeteren, dan wordt de richting bepaald door wat de beste teams in de wereld doen. Wat je dan moet doen? Dat hoef je niet in een creatieve bui te bedenken. Je kijkt wat de besten doen. Die poloën langdurig samen. Dan moeten wij minimaal hetzelfde doen. En het liefst beter.’

Het wordt, in Groot-Brittannië, weer atletiek, in plaats van de 28 of 36 olympische takken die onder zijn hoede waren. Soms zelfs weer even de trainingsschoenen aan, tegen die coach aanleunen. ‘Ik stap na dit bureauwerk net zo makkelijk weer de atletiekbaan op. Al zal het trainingspak niet aangaan. Maar ik zal wel veel op de baan zijn. Ik ga tegen die trainers aanzitten. Want ik ben verantwoordelijk voor de medailles daar. Ik zal hem of haar in de nek zitten. Zo van: geen fouten maken hier.’

Het wordt eerst zes maanden Birmingham en dan verhuizen naar Londen. Lord Sebastian Coe, de baas van Londen 2012, zal hem aan een huis helpen. ‘Die heeft een fantastisch netwerk van mensen die in huizen doen, in andere werelden ook trouwens. En dat halfjaar wachten maakt het kopen in deze tijd alleen nog maar gunstiger.’

Van Commenée zal bijna uitsluitend atletiekevenementen bezoeken, maar met sommige Nederlandse sporters heeft hij een binding gekregen in de voorbije jaren. In oktober zullen ze hem kunnen vinden op de Londense tribunes voor de WK turnen. Yuri van Gelder zal er weer wereldkampioen ringen proberen te worden.

‘Het is een van de momenten van de voorbije jaren die ik niet zal vergeten. Stuttgart, 2007, WK. Yuri van Gelder moest wereldkampioen worden om Peking te halen. Hij werd tweede. Een schitterend moment. Net als Rens Blom die in Helsinki wereldkampioen polsstokspringen werd. Ik geloofde mijn ogen niet.’

Charles van Commenee (ANP)
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden