interview

Van baanwielrenners Jeffrey Hoogland en Harrie Lavreysen worden veel medailles verwacht. ‘We zijn nog beter geworden’

Van baanwielrenners Jeffrey Hoogland en Harrie Lavreysen wordt verwacht dat ze veel medailles winnen. Bij de laatste WK wonnen ze samen vier keer goud en een keer zilver. ‘We hebben er nog nooit zo goed voor gestaan als nu.’

Harrie Lavreysen en Jeffrey Hoogland tijdens de Zesdaagse van Rotterdam, januari 2020.  Beeld Cor Vos
Harrie Lavreysen en Jeffrey Hoogland tijdens de Zesdaagse van Rotterdam, januari 2020.Beeld Cor Vos

Ze wonen op enkele minuten afstand van elkaar en van de wielerbaan van Omnisport in Apeldoorn. Voor Sallander Jeffrey Hoogland (Nijverdal, 28) en en Brabander Harrie Lavreysen (Luyksgestel, 24) voelt het als vanzelfsprekend. Als je successen najaagt, neem je letterlijk afstand van je wortels. In hun geval slijten ze eindeloze uren op het accoya-hout van de baan en in het krachthonk. Ze zijn vrienden, teamgenoten, ze delen de hotelkamers in het buitenland, en – dat maakt de verhouding iets ingewikkelder – ze zijn ook nog elkaars grootste tegenstander.

Het zijn de olympiërs die als de potentieel belangrijkste delvers van eremetaal worden gezien. Hoogland haalde bij de laatste WK baanwielrennen in Berlijn goud en zilver (teamsprint, sprint), Lavreysen pakte zelfs drie keer goud (teamsprint, sprint en keirin).

Hoogland woont samen met Shanne Braspennincx, ook Tokioganger. Harries vriendin Noor is onlangs bij hem ingetrokken. Sinds de WK, anderhalf jaar geleden, hebben ze geen officiële wedstrijden meer kunnen rijden. Het doet ze weinig. ‘We zijn nog beter geworden.’

Hoe hebben jullie de afgelopen periode beleefd?

Harrie: ‘Het was wel gek. We hebben lang min of meer blind getraind. Maar toen de Spelen weer dichterbij kwamen, was er weer een duidelijk doel. Het was niet moeilijk om gemotiveerd te blijven. Ik ben een trainingsbeest. De ploeg is zo goed op dit moment, ik moet blijven presteren om te voorkomen dat de andere jongens straks harder gaan dan ik.’

Jeffrey: ‘Ik heb het niet zo moeilijk gevonden, we hebben de schema’s herhaald die we voor de Spelen van 2020 ook al afwerkten. Je mist de tussendoelen wel enigszins, wereldbekers, EK’s, WK’s, dat zijn momenten waarop je kunt genieten van de sport. Maar de trainingen hebben zo’n hoog niveau. Ik rij elke dag met de drievoudig wereldkampioen, hè.’

Jullie hebben geen idee hoe de andere landen ervoor staan?

Harrie: ‘We hebben een wedstrijd tegen Frankrijk gereden, in Parijs, achter gesloten deuren. Eindelijk weer eens naar een ander land, in een hotel verblijven. Als je jezelf wijsmaakt dat het belangrijk is, kom je al een heel eind.’

Jeffrey: ‘Dat ging best goed. Ik stond toch weer in de finale met Harrie. We wonnen de teamsprint. Het liet zien dat we goed zitten.’

Harrie: ‘Ik kijk wel eens naar uitslagen. Ik zag dat de Australiërs op het nationaal kampioenschap een snelle teamsprint reden. Nou ja, hard, het was nog een seconde slomer dan ons wereldrecord op de WK in Berlijn. Het was wel onder het olympisch record. Je hebt er niks aan om je er druk over te maken. We moeten het zelf doen.’

Jeffrey: ‘Interessant dat Harrie Australië noemt. Mij doet het niks. Het is appels met peren vergelijken. Je weet niks over de omstandigheden. Je hoort vaak dat de Britten op het laatst iets uit de hoge hoed toveren. Het zal verdomd lastig voor ze worden. We hebben er nog nooit zo goed voor gestaan als nu. Ik heb er honderd procent vertrouwen in.’

Jullie coach, Hugo Haak, zei in Berlijn over Harrie dat hij ervan overtuigd was dat er nog veel te winnen is. Jij, Jeffrey, zei daar dat je beter moet worden om Harrie ooit te kunnen verslaan. Is dat jullie allebei gelukt?

Harrie: ‘In Berlijn zag ik mezelf nog als een jongeling. Ik heb er baat bij gehad door meer uren te maken in het krachthonk. De gewichten die ik wegzet, zijn zwaarder, ik ben vooral sterker geworden in de armen. Mijn schouders zijn nogal kwetsbaar, ze schieten snel uit de kom, ik slaap met mijn armen in lusjes om dat te voorkomen.

‘Ik kan geen pull-ups doen, niet aan mijn armen hangen. Bankdrukken lukt nu wel. Niet veel, hoor, honderd kilo. Dat haalt een gemiddelde bezoeker van een sportschool ook. Maar het leidt ertoe dat ik sneller kan starten in de eerste tien, twintig meter. Ik kan mijn stuur beter vasthouden. Het leidt tot minder slingerbewegingen. Daardoor kan ik een groter verzet rond krijgen en een hogere topsnelheid halen.

‘De extra tijd hebben we ook benut om voeding te optimaliseren en materiaal, zoals de schoenen, te perfectioneren. In tijden is het nog niet te zien en zeker die tijden op de WK heb ik nooit meer gehaald. Dat zegt weinig. Tijdens wedstrijden rij je met het allerbeste materiaal, je bent in topvorm. Dan is het lastig om te vergelijken. Het voelt wel alsof ik weer stappen heb gezet.’

Jeffrey: ‘Toen de Spelen waren verschoven, kwam er tijd vrij om mijn onderrug te herstellen. Voor Berlijn was sprake van overbelasting, er zat een blessure, er was geen tijd voor genezing. Ik squatte niet eens meer. Nu kon ik teruggaan in gewicht en werken aan stabilisatie. Vandaar heb ik weer kunnen opbouwen.

‘Ook tactisch gezien ben ik beter voorbereid, ik heb meer kennis in huis. Ik heb notities gemaakt van mijn tegenstanders, ook van Harrie, ja. Wat ging goed, wat ging verkeerd? Hij zal ook naar mij hebben gekeken. Ik werk al een tijdje met een mental coach. Vroeger wilde ik nog weleens in mijn enthousiasme verkeerde keuzes maken, toch maar ergens heen gaan, een biertje drinken, terwijl je eigenlijk zou moeten herstellen.

‘Het was glashelder, de afgelopen maanden: Tokio is de prioriteit. Ik heb niks gedaan wat daarvan afleidde. Corona heeft wat dat betreft wel geholpen. Ik ben superveel thuis geweest. Shanne zit in hetzelfde schuitje. We houden elkaar goed in de gaten. Ik heb allerlei dingen kunnen uittesten, tamelijk rigoureus, om de verschillen te ervaren. Aan de fiets, de helm, de schoenen, de positie. Ik denk dat ik het optimale heb gevonden. Nee, daar ga ik verder niet veel over vertellen. Na Tokio, misschien.’

Het lijkt me dat jullie geen geheimen meer voor elkaar hebben.

Harrie: ‘We zoeken elkaar dan ook niet te veel op tijdens trainingen. Ik heb een paar manieren in mijn hoofd om hem te verslaan. Maar het hangt af van de baan, ik ben nog nooit in Tokio geweest. Is het daar misschien moeilijk om iemand in de bochten te passeren? Gedurende het toernooi heb ik nog genoeg tijd om een plan te bedenken. Ik ken onze sterke en zwakke punten.

‘Jeff kan heel sterk uit het niets versnellen, hij is goed vanuit een laag tempo. Ik haal een hogere snelheid, hij kan er sneller naartoe. Ik ben wat meer doordacht, hij zal sneller iets onverwachts doen. Nee, we hebben het er voor de wedstrijden nooit over. Je zit hele dagen op de baan, na de race worden we gemasseerd en dan gaat op de hotelkamer al vrij snel het licht uit.’

Jeffrey: ‘Er zijn zeker nog manieren om Harrie te pakken. Maar verwacht niet dat ik dat hier ga prijsgeven wat ik allemaal over hem heb geleerd. Dat hij sterker is geworden, dat geloof ik wel. Maar ik denk dat ik net wat grotere stappen heb gezet, ik geloof zeker dat het gat kleiner is geworden.’

Toen Harrie feest vierde in Berlijn, smeet Jeffrey zijn helm en een stoel door een box op het middenterrein. Doet je dat dan wat, Harrie?

Harrie: ‘Ik hoorde dat pas later. Een eerlijk antwoord: nee, niks. Het klinkt grof, maar dat is topsport. Ik was er wel wat verbaasd over. Jeffrey had zich zo druk gemaakt om vooral niet te verliezen. Maar hij verloor niet van de minste. Realistisch gezien, had hij het kunnen zien aankomen.’

Jeffrey: ‘Een jaar eerder, in Polen, had ik wereldkampioen kunnen worden. Achteraf gezien was ik daar in de finale tegen Harrie al te blij met een medaille. In Berlijn was ik dat zeker niet. Ik had niks anders in mijn hoofd dan de titel. Daarom baalde ik zo en knapte er iets. Het was mijn moment en ik heb het niet gepakt. Harrie was een stapje sterker.’

Winnaar Harrie Lavreysen met Jeffrey Hoogland (links) op het podium van de sprint op de laatste dag van de wereldkampioenschappen baanwielrennen, januari 2020. Beeld ANP
Winnaar Harrie Lavreysen met Jeffrey Hoogland (links) op het podium van de sprint op de laatste dag van de wereldkampioenschappen baanwielrennen, januari 2020.Beeld ANP

In de teamsprint, waarin drie renners elkaar aflossen om drie ronden te rijden, zijn jullie achter starter Roy van den Berg als de laatste twee op elkaar aangewezen. Individueel zijn jullie elkaars grootste concurrenten. Hoe zetten jullie de knop om?

Harrie: ‘Het is altijd wel strijd. Je ziet de tijden van elkaar. Niemand wil de sloomste zijn. De ploeg is in de breedte heel sterk.’

Jeffrey: ‘Wij gedijen bij onderlinge concurrentie. Het is niet zo dat we voortdurend tegen elkaar kom op! kom op! lopen te roepen. Het is een gezonde vibe, samen.’

Harrie: ‘Het hoofddoel is de teamsprint. Daar hebben we allemaal wat aan. Daar zijn we allemaal beter van geworden en en passant ook elkaars rivalen. We motiveren elkaar. Ik put er energie uit. Wij krijgen vaak de vraag waarom we zo sterk zijn. Daar is maar één antwoord op: omdat we met elkaar trainen.’

Jeffrey: ‘Het mooie aan de teamsprint is dat we elkaar nodig hebben om de prestatie te leveren. Een medaille is gegarandeerd. Dat geeft zo’n boost. De individuele ontwikkeling is dan fantastisch meegenomen.’

Is het toeval dat jullie allebei uit het BMX’en komen?

Harrie: ‘Je hebt er veel aan. Explosiviteit, fietsbeheersing, trappen met hoge frequenties. Ik was 6 toen ik begon. Er lag een baan in het dorp waar ik woonde, Luyksgestel. Snelheid, over bulten springen, dat sprak me aan. Mijn overbuurjongen deed het ook. Ik zat ook op turnen, maar ik vond fietsen leuker.

‘Op mijn 13de was ik voor het eerst Europees kampioen. Later verhuisde ik naar Papendal. Toen begonnen de problemen met mijn schouder. Telkens als ik viel, schoot het rechts uit de kom. Ik ben verschillende keren geopereerd. Op mijn 18de, tijdens een race in Valkenswaard, was het aan beide kanten mis.

‘Artsen op Papendal zeiden na weer een operatie dat ik beter kon stoppen. De kans op herhaling was te groot. Diezelfde week ging ik voor het eerst de wielerbaan op, de begeleiders wisten wat ik aan vermogen weg trapte op een wattbike.’

Jeffrey: ‘Ik was 2,5 toen ik op een driewieler van een heuvel op de baan van Nijverdal werd geduwd. Mijn beide broers, drie en zes jaar ouder dan ik, BMX’ten ook. Ik kon niet wachten om mee te doen. Nee, we waren geen fietsfamilie. Mijn vader deed aan motorcross, het was te duur om ons ook op een motor te zetten.

‘Toen we internationaal gingen rijden, werd het alsnog kostbaar. Mijn moeder zegt altijd: papa’s carrière heeft me een bungalow gekost en die van jullie nog een. Maar zo rond m’n 15de, 16de begon de angst voor blessures op te spelen. Onze selectie kreeg te maken met de overgang van een gewone crossbaan naar een track voor de elite die eerst veel te extreem was, met krankzinnige bulten en gigantische gaten.

‘Bij een landing trok een keer mijn hele fiets krom. Pats! Het kon gewoon niet. Ik verloor mijn zelfverzekerdheid. Bijna iedereen uit die selectie is toen afgevallen, vooral om die reden. Maar het kriebelt altijd nog, het blijft mooi om te doen.’

Was de overgang naar de baan niet saai? Altijd die rondjes?

Harrie: ‘ In het begin even. Ik was weer een beginneling, ik reed geen wedstrijd, daar zat ’m vooral de saaiheid in. Ik had geen benul van tactiek, sterker, überhaupt niet van de sport. Ik weet nog dat iemand op de wielerbaan wees naar een groepje renners die aan het trainen waren. Daar rijdt Theo Bos! De wereldkampioen! Het zei me helemaal niks.

‘Het is wel hard gegaan. Na de Spelen in Rio kon ik aansluiten bij de selectie van bondscoach René Wolff. Op de WK in 2017, in Hongkong, won ik twee keer zilver. Voor mij zit de magie in keihard trainen, je hoofd erbij houden, alles tot in de details voorbereiden, weten wat je gaat doen, op elkaar inspelen. Maar ik geniet ook van de wetenschap erachter. Een nieuwe fiets, een net wat andere houding, waardoor je harder gaat.’

Jeffrey: ‘Ik kende de sport ook niet goed, het idee dat het saai leek, deel ik met Harrie. René Wolff kwam een keer kijken bij het BMX’en, hij zag dat ik heel snel weg was, maar dat daarna het stuntelen begon. Hij zei bij mijn ouders aan de keukentafel: als jij vol voor de baan kiest, neem ik je mee naar Rio. Dan zat er toch wel iets in, dacht ik.

‘Saai vind ik het allang niet meer. Geen enkele baan is hetzelfde. Op de teamsprint is het supermooi om met z’n allen weg te knallen, bij elkaar in het wiel te duiken. Individueel is het een man-tegen-mangevecht, de ander uit de tent lokken, gaten in duiken, in een fractie van een seconde beslissen wat je moet doen, de snelheden die je haalt. Het verbaast me elke keer weer.’

De buitenwereld vereenzelvigt de baansport tegenwoordig vooral met bodybuilders.

Harrie: ‘Op souplesse ronddraaien kan niet meer. De verzetten zijn zo groot dat als je niet de sterkte hebt om die rond te krijgen, je nooit de vereiste topsnelheid zult halen. Je moet wel oppassen dat je niet te breed wordt, dan vang je te veel wind. Nee, dat wordt niet gemeten. Bepalend is of we de krachten kwijt kunnen. Op de dikte van de bovenbenen letten we niet. Daar heeft alleen de pers het over.’

Jeffrey: ‘Ik roep al vier of vijf jaar dat dit geen wielrennen is, maar een krachtsport. Het heeft bijna niks meer met fietsen te maken. Elke pedaalslag voelt als een legpress. Er zit in principe geen grens aan. Je moet wel lenig zijn, een geknikte hoek kunnen aannemen. We liggen steeds platter op de fiets, maar je moet de pedaalslagen zonder beperkingen kunnen maken. Zo lang jij sterker bent dan de weerstand waar je doorheen moet beuken, is er geen limiet aan.’

Zouden jullie niet eens de krachten willen meten met de sprinters op de weg om de ware krachtsverhoudingen te laten zien? Zij krijgen veel meer aandacht dan jullie.

Harrie: ‘Ik ben bang dat ik de finish niet eens haal na 100 kilometer. Zij kunnen nog zoveel na 200 kilometer. Ze worden op 60 kilometer per uur afgezet en gaan dan naar de 65 of 70. Wij gaan van nul naar 80 zonder die lange aanloop. Dat is het verschil. Je laat Usain Bolt ook de marathon niet lopen.’

Jeffrey: ‘Ik voel me totaal niet geroepen om me te bewijzen. Wat wij doen is compleet wat anders. Ik heb er veel respect voor dat zij er na 200 kilometer nog 1.800 watt uitklappen. Wij halen 2.600, maar wel na een warming-up en drie rondjes.

‘Het behoort gewoon niet meer tot de mogelijkheden een overstap te maken, zoals Theo Bos heeft gedaan. Als ik in zo’n sprinttrein zou zitten op vier kilometer van de finish, ontplof ik meteen. Dat duurt me al veel te lang. Nee, eigenlijk zijn we geen fietsers meer.’

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden