WK Zwemmen Torenspringen

Torenspringster Celine van Duijn tiende op de 10-meterplank

De 10-meterfinale op het WK in Zuid-Korea was niet eens het allerbelangrijkste voor torenspringster Celine van Duijn. Met de kwalificatie voor Tokio sloot ze de stressvolle periode met een slepende blessure af.

Celine van Duijn in actie tijdens het WK in Gwangju, Zuid-Korea. Beeld Getty Images

Celine van Duijn heeft een van de ­gevaarlijkste sportberoepen van de ­wereld: torenspringen. Ze duikt van 10 meter hoogte van een platform in een 5 meter diep zwembad. Ze draait salto’s en schroeft om de as. Gestrekt, gehoekt of gehurkt. Het is duiken, head first, met de handen op elkaar in een ­innige greep om het water te breken, dat bij verkeerd neerkomen kan aanvoelen als beton.

In Europa was Van Duijn vorig jaar de beste torenspringer van het continent. In Nederland is ze enige die dit kan. Geen man doet het haar na. Het veroveren van de Europese titel was droom één. In Schotland kon ze vorig jaar haast niet uit haar woorden komen, zo verrassend was dat succes. De andere droom was in haar beleving nog groter: het bereiken van de Olympische Spelen van Tokio in 2020.

Dinsdag was het zo ver, toen zij zich via de voorronde en een halve finale plaatste bij de beste twaalf van de wereld op het 10-meterplatform. De finale van woensdag, gedomineerd door twee 13-jarige Chinezen, Chen en Lu, was niet meer dan de relaxte afronding van twee slopende dagen.

Werken aan techniek

Na vijf sprongen, van tweeënhalf binnenwaarts gehoekt tot drieënhalf voorover, eindigde Van Duijn als tiende. Ze was tweede Europese, twee plaatsen achter de Italiaanse Noemi Batki. De verdediging van haar Europese titel, volgende maand in Kiev, zou haalbaar moeten zijn.

De geboren Amersfoortse, opgegroeid als turnster tot ze acht jaar geleden voor de duikplank koos, wilde nog niet denken aan de reis naar Oekraïne. Eerst wilde ze het bereiken van de olympische sferen inhaleren. Een jaar zonder de stress van het kwalificeren, van werken aan techniek, niet van persen voor dat ene moment van wél of niet naar Tokio.

Coach Edwin Jongejans, wereldkampioen op de 1-meterplank in 1991, sprak van een verzengende druk: eerst vijf sprongen die moet leiden tot plaatsing bij de beste achttien en daarna de schifting tot de twaalf finalisten. Die eerste ronde, met 38 deelnemers, kost tweeenhalf uur.

‘Denk je in’, sprak Jongejans, ‘op een training doe je in twee uur veertig, zestig of tachtig sprongen. Een ritme van twee minuten per sprong. Nu, in die voorronde, elke 25 minuten één sprong. Dan is het afdouchen, afdrogen, muziek op, lezen en weer een warming-up. Je gevoel behouden van balans, van oriëntatie. Heel moeilijk allemaal.’

Normaal doet Celine van Duijn simpele woordspelletjes op de smartphone in de loze minuten tussen de sprongen: woordzoekers. Nu las zij een boek. ‘Rich dad, poor dad. Het leidt me af.’ In de pauzes concentreert Van Duijn zich op haar sprongen. Niet op de resultaten. Ze heeft zichzelf aangeleerd niet op het scorebord te kijken. Vorig jaar wist zij tot het einde van de EK-finale niet hoe zij ervoor stond. De ‘1’ op het led-bord was een totale surprise, al had ze de ‘buzz’ van publiek en tegenstanders wel in de gaten gehad. 

Na de titelstrijd van Edinburgh kwam het besef dat zij iets moest doen aan de schouderblessure waarmee zij al tijden kampte en die zij in Schotland verbeet. Coach Jongejans drong aan op onderzoek. Het bleek aan beide zijden een pijnlijke inklemming van de zenuw (‘impingement’). Zes maanden bleef Van Duijn weg van het hoogste platform. De 3-meterplank was al een waagstuk.

‘Dit seizoen is niet lekker begonnen’, sprak ze in de catacomben van het immens grote Nambu-zwemstadion. ‘Van september tot april ben ik er voor de toren uit geweest. De fysiotherapeuten houden het nu in de gaten. Ik heb de keuze gemaakt, we gaan door. Ik wil naar de Spelen.’

Trommelvlies scheurt

Haar carrière gaat eindigen, dat ziet coach Jongejans ook wel. Van Duijn is 26 jaar en er bestaat waarschijnlijk geen zwaarder trainingsregime dan de duizenden sprongen van ‘de hoge’ in het schoonspringen. Aan het ‘high ­diving’, de nieuwste loot van de spectaculaire sport, zal de Nederlandse durfal niet deelnemen.

Haar oren weerhouden Van Duijn van het 20 meter hoge platform . High diving betekent een voetlanding. ‘De voeten raken eerst het water, maar dat is voor mij niet weggelegd, want dan kom ik te diep en scheuren mijn trommelvliezen. Ik mag ook niet van de 10 meter springen, dan krijg ik ook oorontsteking of scheurt het trommelvlies. Daarom duik ik. Je kapt de duik af zodra je het water raakt. Dan ga je twee, tweeënhalf meter diep. Theoretisch kun je tot vijf gaan, maar dat trekken mijn oren niet.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden