Stoeienderwijs leren verliezen

Kabouterhandbal, tuimeljudo, tennissen met zachte ballen - clubs doen er alles aan kinderen op jonge leeftijd te strikken. De strijd om jonge aanwas kan niet vroeg genoeg beginnen.

Beeld Guus Dubbelman

Lynns paardenstaart danst op haar rug, zo onbedaarlijk hard moet ze huilen. Het zijn tranen van frustratie, vermoeidheid en misschien ook wel van pijn. Ze heeft zojuist nogal hardhandig het onderspit gedolven in haar laatste wedstrijd op de training. Lynn moet nu, zeer tegen haar zin, langs de kant zitten. Een begeleider ontfermt zich over haar. Hij aait haar rug, maar dat helpt niet echt.

Anderen uit het groepje voegen zich bij hun clubgenote om troostende woorden te spreken. Trainer Mickey van der Wal stuurt ze weg. Een nederlaag hoeft geen drama te worden. Bovendien is de nazorg al in volle gang.

Het is vrijdagavond bij De Halter. Vanaf kwart voor zes druppelen kinderen vanaf vijf jaar de gymzaal binnen. Iedereen helpt mee de vloer met matten te bedekken. Daarover gaat een geel zeil waarop het strijdperk staat aangegeven. Het stoeien kan beginnen.

Olympisch

De Utrechtse worstelvereniging heeft deze oervorm van vechten een jaar of tien geleden in het leven geroepen om haar sport voor een vroegtijdige dood te behoeden. Olympischer kan een sport nauwelijks worden. Maar in de concurrentie met andere vechtsporten is worstelen al bijna een exotische activiteit geworden: vrouwen en mannen die in strak lycra en volgens ingewikkelde regels elkaar de oren van het hoofd rukken.

Worstelen wordt dan ook niet of nauwelijks in competitieverband beoefend. Olympia en De Halter, twee Utrechtse verenigingen, doen noodgedwongen mee in de Duitse competitie. Enig lichtpunt in de Nederlandse worstelwereld is Jessica Blaszka, een Limburgse die in Zweden woont en worstelt. Ze heeft zich vorige maand geplaatst voor de Spelen in 2016.

'Onze Jessica', zegt Terry Slinkers dan ook liefkozend. Hij coördineert samen met Van der Wal het stoeien bij De Halter. 'We hebben bij De Halter de zaken omgedraaid', zegt Slinkers. 'Normaal gesproken redeneer je in een sportvereniging vanuit de senioren met het eerste team als vlaggeschip. Wij denken vanuit de allerkleinsten. Daarin zit ook de groei.'

Een staf aan coaches en begeleiders loopt vrijdagavond door de zaal, waar een dertigtal kinderen zich hebben onderverdeeld in twee groepen. Aan de ene kant stoeien de beginnelingen. Aan de andere kant wagen gevorderden zich aan de eerste beginselen van het worstelen; heupworpen, schouderworpen en afklemmen. 'Geen worsteloortjes', zegt Slinkers over het clichébeeld van de buitenstaander.

Beeld Guus Dubbelman

Nieuwe aanwas

Worstelen is zeker niet de enige sport die met een kinderlijke variant de pijlen richt op de allerjongsten. 'Je kunt je beter afvragen: welke sport doet dat niet', zegt Erik Lenselink, manager sportontwikkeling NOC*NSF. 'Kabouterhandbal, voetballen op halve veldjes, tennissen met zachtere ballen, noem maar op.'

Zo urgent als de aanwas van nieuwe leden is voor het worstelen, is het voor andere sporten niet. Maar de concurrentiestrijd om nieuwe aanwas kan niet vroeg genoeg beginnen.

De korfbalbond KNKV heeft in Job van Eunen zelfs een 'projectleider'. Hij gaat over de Kangoeroe Klup, waarmee de familiesport bij uitstek het vizier op peuters en kleuters richt. 'De kangoeroe is aaibaar, atletisch en zijn buidel staat voor veiligheid.' Het klinkt als een doordacht marketingplan, maar dat is het volgens Van Eunen niet.

Onder de noemer van Kangoeroe Klup biedt de helft van de korfbalclubs op zaterdag de mogelijkheid van beweging in de breedste zin van het woord. Daarbij wordt de korf uiteraard niet vergeten, maar ook het woord stoeien komt voor in het vocabulaire van Van Eunen.

Samenwerking

Kernbegrip in de Kangoeroe Klup is samenwerking. Van Eunen: 'Daarin onderscheidt korfbal zich van andere sporten. Het is een teamsport bij uitstek. Je kunt niet in je eentje uitblinken. Je bent altijd op anderen aangewezen, zowel man als vrouw.'

Met de 'Giga Kangoeroedag' mikt de KNKV ook op kinderen buiten de eigen familie. Het is een jaarlijkse sportdag voor kleuters, georganiseerd op het korfbalveld. Voornaamste doel is bewegen, zegt Van Eunen, maar ook die dag is de korf een ankerpunt. 'Op zo'n dag bereik je de jeugd die anders niet zo gauw met korfbal in aanraking zou komen.'

De judobond heeft tuimeljudo in de aanbieding voor peuters en kleuters. Omdat de helft van de 730 clubs een commerciële dimensie hebben, is in het judo wel sprake van een nieuwe markt die wordt aangeboord.

Beeld Guus Dubbelman

Pedagogisch belang

Toch wordt het pedagogisch belang niet uit het oog verloren, zegt Benny van den Broek, manager sportparticipatie. 'In wezen is dat ook de basis van onze sport. Judo is een gestileerde vorm van stoeien, inclusief strikte regels en etiquette.' Dat gaat in de tuimelvariant spelenderwijs. 'Maar juist in deze categorie is pedagogische expertise essentieel, nog meer dan bij oudere kinderen.'

Wildgroei is een woord dat pedagoog Dirk-Wouter Smits, verbonden aan de Universiteit Utrecht, te binnen schiet als hij een kritische blik werpt op het sportieve aanbod voor de allerjongsten. Niet alleen verenigingen, maar ook sportbedrijven en peuterspeelzalen ruiken hun kans. Dat ligt ook voor de hand. Welke ouder wil niet dat zijn kind zo snel mogelijk in beweging komt?

'Maar is het wel nuttig en noodzakelijk om op zo'n jonge leeftijd op voetbal te gaan', vraagt Smits zich af. Veelzijdigheid en variatie lijken hem van groot belang. 'Judo is een sport die de basis legt voor andere sporten, zowel motorisch als emotioneel. Hoe ga je om met verlies, met je tegenstander? Judo daagt uit tot opkomen voor jezelf, maar kan ook agressief gedrag reguleren.'

Gevaar van jonger afhaken ligt op de loer

Jonger beginnen met sport, zoals veel sportbonden en clubs propageren, houdt het risico in dat kinderen op jongere leeftijd afhaken als sportbeoefenaar. 'Ik vind het niet leuk. Of ik kan het niet goed. Dat komt nu eerder voor', zo becommentarieerde adviseur jeugd sport en onderwijs, Gerda Op het Veld, maandag cijfers over sportparticipatie in Nederland.

Op het Veld, van NOC*NSF, wees op het eerder inzetten van het model 'skihelling'. Dat staat voor de langzaam afglijdende belangstelling van jongeren voor sport. Voorheen lag de knik naar beneden rond 15 jaar. Nu ligt het bij jongeren die 12 keer per jaar sport bedrijft rond hun tiende. Dat geldt ook voor de junioren die 40 keer per jaar aan sport doen. Lidmaatschapsporters gaan na hun veertiende clubs verlaten.

Een vreeswekkend getal komt uit de gymnastiekwereld. Bij de meisjes tussen 5 en 12 jaar is dat de nummer 2 sport: 26 procent zit op gym. Bij de jongens is het met 11procent de nummer 4, na voetbal, zwemsport en judo. Van de kinderen tussen 8 en 18 jaar stopt 91 procent met gymnastiek. Voor voetbal geldt een min van 47 procent.

Jongeren tussen 12 en 24 stoppen vooral omdat de combinatie werk, studie en school te veel wordt (57procent).

Inventarisatie

Smits maakt op dit moment een inventarisatie van het sportaanbod voor jonge kinderen in en rond Utrecht. Dat ziet hij als een eerste stap. Liever nog had Dirk-Wouter Smits een groter budget gehad om ook nut, noodzaak en het pedagogisch element te onderzoeken. 'Maar misschien kan dat in vervolg hierop.'

Bij De Halter is dat pedagogische element een zaak van kordate nuchterheid, getuige de manier waarop trainer Van der Wal de gemoederen in bedwang houdt. Terry Slinkers: 'Stoeien is een speelse manier om te wennen aan verliezen en het aan elkaar trekken. Je schudt elkaars hand en dan is het klaar.'

Slinkers en Van der Wal gaan de basisscholen in Utrecht en IJsselstein langs om kinderen warm te maken voor hun sport. Als er een talentje tussen zit, proberen ze die bij De Halter binnen te halen. Terry Slinkers wijst naar een meisje dat het schoonspringen er aan heeft gegeven en nu al haar hartstocht kwijt kan in heup- en schouderworpen.

Daarmee lijkt stoeien de reddingsboei te zijn voor het worstelen. 'We hebben nu al zoveel talent bij de jeugd. Als Olympia en De Halter de krachten zouden bundelen, zou de titel in Duitsland haalbaar zijn.'

Als? Terry Slinkers: 'Dat doen ze nooit.'

Jonger beginnen met sport, zoals veel sportbonden en clubs propageren, houdt het risico in dat kinderen op jongere leeftijd afhaken als sportbeoefenaar. 'Ik vind het niet leuk. Of ik kan het niet goed. Dat komt nu eerder voor', zo becommentarieerde adviseur jeugd sport en onderwijs, Gerda Op het Veld, maandag cijfers over sportparticipatie in Nederland.

Op het Veld, van NOC*NSF, wees op het eerder inzetten van het model 'skihelling'. Dat staat voor de langzaam afglijdende belangstelling van jongeren voor sport. Voorheen lag de knik naar beneden rond 15 jaar. Nu ligt het bij jongeren die 12 keer per jaar sport bedrijft rond hun tiende. Dat geldt ook voor de junioren die 40 keer per jaar aan sport doen. Lidmaatschapsporters gaan na hun veertiende clubs verlaten.

Een vreeswekkend getal komt uit de gymnastiekwereld. Bij de meisjes tussen 5 en 12 jaar is dat de nummer 2 sport: 26 procent zit op gym. Bij de jongens is het met 11procent de nummer 4, na voetbal, zwemsport en judo. Van de kinderen tussen 8 en 18 jaar stopt 91 procent met gymnastiek. Voor voetbal geldt een min van 47 procent.

Jongeren tussen 12 en 24 stoppen vooral omdat de combinatie werk, studie en school te veel wordt (57procent).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden