Stabiel doch kwetsbaar

De Europese tafeltennistitel voor landen was de beloning voor volharding van Elena Timina (40), na een tijd van depressiviteit. ‘Ik was bang dat ik mezelf iets zou aandoen.’..

Door Marije Randewijk en  Willem Vissers

Daar lag ze dan, naast de auto. De koppies van haar kinderen, Wera van 4 en Andrej van 6, staken verschrikt boven de bank uit. ‘Mama, wat doe jij nou?’

Elena Timina wil haar verhaal kwijt. Ze weet inmiddels dat depressiviteit in de sport veel vaker voorkomt dan bij haar alleen, veel vaker dan bij de Duitse doelman Robert Enke, die onlangs zelfmoord pleegde. Bijna was ook zij geveld, maar ze wist het schemergebied van wanhoop, pijn en vertwijfeling juist op tijd te verlaten.

Ze vertelt, thuis in Amstelveen: ‘Op klaarlichte dag kreeg ik een aanval van allergie. Overal zaten vlekken.’ Ze moest een vriendin ophalen van het station. ‘Ik dacht sterk te zijn, maar plotseling werd ik onwel. Ik kon niet ademen. Onder een viaduct, voor de stoplichten bij de A9, ging het licht uit. Dat is een nachtmerrie voor elke moeder. Je laat je kinderen in de steek. Ik heb, achteraf, een goede beslissing genomen. Auto neergezet, buiten op de grond gaan liggen. Iemand stopte. Ik zei tegen hem: pas op mijn kinderen, want ik ga dood.’

De tafeltennisster, in 2008 en 2009 Europees kampioen met het Nederlands team, bleek te zijn overvallen door acute hyperventilatie. Het was het begin van doffe ellende. Ze dacht: even naar het ziekenhuis, medicijnen innemen en verder met leven. ‘Totdat ik de volgende dag de kinderen naar school bracht. Toen ze waren uitgestapt, kon ik niet meer ademen en niet meer rijden. Ik zag helemaal niets.’

Ze is die dag toch nog naar Sprookjeswonderland geweest met de kinderen. Onderweg stopte ze wel tien keer. ‘Ik kwam thuis en dacht: wat gebeurt er allemaal met me?’ De volgende dag begon haar nieuwe leven van angst en onzekerheid; bang zijn om alleen thuis te blijven. Telkens denken aan flauwvallen. Overal pijn hebben. Maar de dokter zei dat ze niets mankeerde en schreef rust voor.

Timina dacht dat ze gek werd. ‘Op die manier wil je niet meer leven. Je wilt eigenlijk dat iemand tegen je zegt: je hebt een hersentumor. Want je kunt niet meer functioneren. Ik had overal pijn, zag en hoorde niet goed en voelde overal krampen. Ik huilde en huilde. Dat duurde acht maanden. Ik kon niets, was doodongelukkig en bang. Na alle mogelijke onderzoeken begreep ik dat de grens tussen normaal-zijn en niet normaal-zijn ontzettend smal is. Het is balanceren.’

Via haar man Robèrt Misset, sportjournalist bij de Volkskrant, kwam ze in contact met Joep Brenninkmeijer, teamarts van hockeyclub Amsterdam en huisarts. ‘We waren ten einde raad. Ik durfde niet met de kinderen alleen te blijven. Hij heeft naar me geluisterd en vroeg me zijn website te lezen. Ik las over psychische klachten, angststoornissen, paniekaanvallen, hyperventilatie. Ja, dát ben ik, dacht ik.’ Brenninkmeijer adviseerde haar medicijnen te nemen. Ze bleek depressief. Antidepressiva dus. Prozac.

‘Ik zei: dat kan niet. Dan kan ik niet voor de kinderen zorgen. Hij vertelde dat ik geen idee had hoeveel mensen die medicijnen gebruiken, dat het iedereen kan overkomen.’ Eerst probeerde ze nog een alternatief, maar de psychologe verschafte geen nieuwe inzichten.

Want ze kende de oorzaken. Dat ze de dood van haar moeder niet had verwerkt, dat ze altijd doorging omdat haar oersterke lichaam nooit stop zei. ‘Maar ik voelde me gewoon slecht. Ik beschouw Joep Brenninkmeijer als mijn redder. Zonder hem had ik hier misschien nog gezeten, maar had ik geen normaal leven kunnen leiden.’

Timina is inmiddels van de medicijnen af. ‘Ik heb mijn leven terug. De meeste mensen denken dat die medicijnen je persoonlijkheid veranderen. Ik heb er juist mijn persoonlijkheid door teruggekregen.’

Ze probeert te omschrijven hoe ze zich op haar slechtste momenten voelde. ‘Ze zeggen dat het is alsof je in een brandend huis zit. De buurman klopt aan de deur. Hij klopt twee keer, drie keer, maar je hoort niets. Hij schreeuwt, maar je hoort nog steeds niets. Dat gaat zo door, tot het moment dat het huis helemaal in brand staat. Dan merk je het zelf, maar is het te laat. Er zijn van tevoren aanwijzingen geweest dat ik helemaal op was, maar ik was topsporter. Hoezo, je kunt niet meer opstaan als je benen het niet meer doen? Gewoon opstaan, klaar, punt.

‘Ik zei tegen Joep dat ik bang was dat ik mezelf iets zou aandoen. Ben ik suïcidaal? Hij zei: nee, jij bent gewoon doodsbang dat het lichaam dat je altijd zo trouw was, plotseling niet meer luistert.’

Ze begreep dat de arts gelijk had. ‘Want of mijn moeder nu doodging of wat dan ook, ik dacht altijd: ik ben sterk en red me wel. Mijn lichaam kon alles. Maar opeens ben je zo klein, en dat is eng. Ik heb mijn les geleerd nu. Ik moet beter op mezelf letten.’

Haar moeder in Moskou stierf toen Elena hoogzwanger was van dochter Wera. Ze kon niet naar de begrafenis. ‘Je hele wereld stort in. Alle bescherming is weg. Je wist dat zij je problemen oploste. Totdat je moeder weg is, ben je kind. Als ze wegvalt, sta je naakt. Dat is doodeng. En een week na haar dood kwam Wera.

‘Ik heb mijn moeder niet uitgehuild, ik heb haar niet begraven. Maar ik dacht dat ik er goed van af was gekomen, hoewel ik haar elke dag mis. Nog steeds. Daarna trouwde mijn stiefvader snel met een van de beste vriendinnen van mijn moeder. Dat ging niet zonder ruzies. Sindsdien zien we elkaar niet meer. Dus sta je alleen.

‘Ik ging weer tafeltennissen, als speler-trainer in Den Helder, met een superteam, waarvan ik erg genoot. Maar vier jaar later kreeg ik een terugslag.’

Haar moeilijkste moment? Dat was toen ze Wera voorlas en ontzettende kramp kreeg, eerst in haar rug, later over haar hele lichaam. ‘Ik gilde van de pijn. Wera schrok enorm. De volgende dag ging ik naar Brenninkmeijer: Joep, doe die medicijnen maar.’

Ze sprak met sporters die volgens haar tegen depressiviteit aanzitten. Het onderwerp is taboe, zeker in de sport, een wereld van geboetseerde en oersterke lichamen. ‘Je bent als sporter gewend je grenzen te zoeken, maar op een gegeven moment ben je alle grenzen voorbij. Met je lichamelijke pijngrens kun je nog leven, maar met de grenzen in je hoofd is dat moeilijker. Mijn beginsel was: als je ergens hard voor werkt, krijg je het. Als je het niet krijgt, heb je er niet genoeg voor gewerkt. Maar ook het lichaam heeft grenzen.’

Eigenlijk ging alleen het tafeltennis altijd door, als speler-trainer van Den Helder. ‘Ik ging niet naar de supermarkt, want dat durfde ik niet. Maar ik ging wél naar Den Helder, zelfs als ik onderweg drie keer moest stoppen.’

Het lichaam weigerde en sleepte de geest mee in de draaikolk van ellende. ‘Ik voelde mijn arm en wang niet. Ik had voortdurend het idee dat ik aan het kwijlen was.’ Ze dacht zichzelf over de angst te kunnen heenzetten, door te vechten. Alleen als tafeltennisser voelde ze zich min of meer een normaal mens. Zolang ze de ballen raakte, wist ze dat ze geen hersenbloeding had gekregen.

Met haar teamgenoten was het moeilijk praten over haar problemen. ‘Vroeger dacht ik ook dat het allemaal onzin was. Hoezo depressie? Depressie is voor watjes! Wist ik veel. Ik denk dat veel mensen zo denken. Mijn zus snapte er ook niets van. Die vond dat ik me aanstelde.’

Timina noemt zich shopaholic, maar een jaar kocht ze niets voor zichzelf. Toen ze na anderhalf jaar ziekte naar Blokker ging om een pan te kopen, voelde dat als een teken van genezing. De beloning was uiteindelijk fantastisch. Niet alleen omdat ze haar leven terugkreeg, ook omdat ze met Nederland twee Europese titels op rij behaalde.

De laatste drie jaar beschouwt ze als een geschenk. Op het dieptepunt van haar leven kreeg ze een uitnodiging voor de huldiging van de beste tafeltennissers van Rusland. En toevallig veranderde de nieuwe voorzitter van de tafeltennisbond het beleid, door in het vervolg simpelweg de besten naar toernooien te sturen, ook als ze ouder waren en oorspronkelijk uit een ander land afkomstig.

Vooral de laatste, dit jaar in Stuttgart behaalde Europese teamtitel (met Li Jiao en Li Jie) was speciaal, omdat Timina het cruciale derde duel tegen de Poolse vrouwen won, bij de stand 1-1. Haar oersterke lichaam dat het woord opgeven niet kent, was als vanouds weer haar bondgenoot. Want ze kent haar sterktes. ‘In het team kan ik boven mezelf uitstijgen, in het enkelspel niet. Ik ben dan gewoon klaar om dood te gaan. Ik weiger te verliezen. Ik kan mezelf tot blauwe plekken in mijn hand bijten. Dan zeg ik tegen mezelf: je gaat gewoon hier dood, en klaar. En dat meen ik ook. Ik ga door tot ik een hartinfarct krijg of zo.’

Haar toekomst ligt weer open, ondanks haar leeftijd van 40. Ze wil graag door als teamspeler, eventueel zelfs tot de Spelen van Londen. Zolang ze aan de zijde van Jiao en Jie waardevol kan zijn, blijft ze spelen. Ze is bovendien de inspirator van het team, de bewaker van de balans. En misschien dat ze na Londen bondscoach kan worden.

Ze volgt de trainerscursus in Papendal en beleefde onlangs haar beste dag, toen Ton Boot lesgaf. ‘Dát is mijn man. Ik denk precies als hij. Ik heb waargenomen dat ik mezelf moet veranderen om goed te kunnen functioneren in Nederland, want de sporter staat hier centraal. Maar dat druist in tegen mijn gevoel van wat ik in Rusland heb geleerd. En dan zegt Ton Boot: ík ben de norm in mijn team. Schitterend. Er is een groot bord dat boven de Nederlandse sport moet hangen: gelijkheid is de grootste vorm van oneerlijkheid. Waarom moet ik alle spelers op dezelfde manier behandelen? Ik kwam thuis en zei: Eindelijk begrijp ik dat ik mezelf niet helemaal hoef om te bouwen. Dat was zo verhelderend.’

Haar Russische inborst vecht nog voortdurend met haar Nederlanderschap. ‘Ik blijf natuurlijk Russische, hoewel ik multicultureel ben geworden. Dat heeft met mijn kinderen te maken, die Nederlands zijn. En het heeft ook te maken met wat je overhoudt. Toen mijn moeder nog leefde, was het anders: ik denk dat je moederland voor 80 procent is waar je moeder woont. Ik dacht dat moederland een plaats was, maar dat is niet zo. Moederland is iets dat in je hoofd zit, wat je dierbaar is. Moederland is gevoel.’

Ze noemt zichzelf stabiel nu, doch kwetsbaar. Ze speelt voor Niort, in Frankrijk. Ze reist 8, 9 uur met de trein en ontspant zich onderweg met een boek. ‘Wat gebeurd is, beschouw ik als de hel. Ik ben er sterker uitgekomen, maar ik ben nog steeds bang voor een terugval. Daar let ik heel erg op.’

Waarop ze nog meer let? ‘Als ik een auto langs de weg zie staan, kijk ik altijd. Misschien is er iemand onwel geworden. Als ik twijfel, stop ik.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden