PostuumBobby Joe Morrow (1935-2020)

Sprinter Bobby Joe Morrow was de beste atleet die niemand zich kon herinneren

Op het hoogtepunt van zijn roem, in 1956, werd Bobby Joe Morrow uitgeroepen tot een van de negen belangrijkste Amerikanen. Bij zijn dood, eind mei op 84-jarige leeftijd, stond de elegante sprinter te boek als de beste atleet die niemand zich kon herinneren.

Bobby Joe Morrow wint de 100 meter sprint in een tijd van 10,5 seconden tijdens de Olympische spelen van 1956 in Melbourne. Beeld AP

Morrow was tijdens de Zomerspelen van Melbourne in 1956 onverslaanbaar op de sprint. Hij won goud op de 100 meter, 200 meter en 4x100 meter estafette, een unieke drieslag die in de olympische geschiedenis door slechts drie andere mannen is behaald: de Amerikanen Jesse Owens (1936) en Carl Lewis (1984), en de Jamaicaan Usain Bolt (2008, 2012 en 2016).

De 21-jarige student uit Harlingen, Texas, die thuis op de katoen- en wortelboerderij zijn snelheid graag testte tegen de hazen, leek na die zegereeks uit te groeien tot een Amerikaanse held. Met zijn streng christelijke achtergrond, zijn voorbeeldige manieren en filmsterrenuiterlijk leek hij geknipt voor die rol. Hij bezocht president Eisenhower in het Witte Huis, trad op in de populairste televisieprogramma’s (Ed Sullivan Show), stond op het omslag van het meest gelezen tijdschrift (Life) en werd voor de beroemde honkballer Mickey Mantle gekozen tot sporter van het jaar.

Ontspannen

Niets leek een succesvolle loopbaan van de lange sprinter (1,87 meter) in de weg te staan. Zijn trainer roemde zijn ontspannen manier van lopen. Hij hield zijn hoofd zo stil dat hij volgens een trainer zonder knoeien een glas frisdrank zou kunnen meevoeren tijdens een sprint over 200 meter. Zelfs op topsnelheid verkrampte zijn gelaat niet: zijn onderkaak danste losjes op de maat van zijn soepele passen.

Morrow vestigde in zijn korte loopbaan meer dan tien wereldrecords. Hij won de 100 meter in Melbourne met forse tegenwind in 10,5 seconden (in de halve finale had hij 10,3 geklokt, een olympisch record). Op de 200 meter evenaarde hij het wereldrecord: 20,6 seconden.

Bob Richards, de olympisch kampioen polsstokspringen van 1956, meende dat Morrow de 100 meter op een moderne atletiekbaan in minder dan 9 seconden had kunnen afleggen. In 1956 liepen sprinters op sintelbanen, een veel zachtere ondergrond dan de huidige kunststofbanen. De spikes waren langer om grip te krijgen, de schoenen hadden een zachtere leest dan die met het huidige, stijve materiaal.

Bobby Joe Morrow toont een van zijn drie gewonnen medailles aan zijn vrouw, Joann, na de Olympische Spelen in Melbourne.Beeld AP

Machtsstrijd

Gezien zijn toptijden en jeugdige leeftijd leek er voor Morrow meer olympisch succes weggelegd na zijn gold rush van 1956. Maar de rechtschapen kampioen ging ten onder aan een machtsstrijd met de olympische opperbureaucraat Avery Brundage, de sportbestuurder die Jesse Owens eerder tot wanhoop dreef.

Morrow wenste zijn snelheid, net als Owens, te gelde te maken. Maar waar het Carl Lewis en Usain Bolt decennia late vrijstond om via sponsorcontracten en startgelden vele miljoenen te vergaren, stuitte Morrow op de starre houding van Brundage. De Amerikaanse IOC-voorzitter (1952-1972) vond dat olympische sport voor amateurs was. Hij zag er streng op toe dat topatleten geen cent verdienden aan hun talent en roem. Als ze geld verdienden, al was het slechts honderden dollars, dan dienden ze dat af te staan of te doneren.

Dat druiste in tegen het rechtvaardigheidsgevoel van Morrow, die openlijk kritiek uitte op sportbestuurders die zich zonder noemenswaardige tegenprestatie in de watten lieten leggen tijdens de Spelen. Hij sprak van ‘een groep kerels die niets beters te doen hadden dan zeep en handdoeken uitreiken, omdat ze nu eenmaal iets moesten doen’. Terwijl atleten in Melbourne in sobere omstandigheden leefden, baadden bestuurders in luxe. ‘Ze lieten hun vrouwen en vrienden ook overvliegen.’

Bobby Joe Morrow (links) wordt geëerd met een Olympisch portret tijdens de inwijding van het Bobby Morrow-stadion in San Benito, Texas, in oktober 2006.Beeld AP

Hoorzitting

Morrow kreeg de kans op zijn klachten kenbaar te maken aan Bobby Kennedy, destijds minister van Justitie. Die regelde zelfs een hoorzitting in de Senaat. Maar aan het lot van de Amerikaanse atleten veranderde niets. Pas in 1988, zestien jaar na het aftreden van Brundage, mochten profsporters officieel meedoen aan de Spelen. Nog steeds krijgen ze niets voor olympische deelname, terwijl er voor bestuurders royale onkostenvergoedingen zijn.

Morrow was ervan overtuigd dat zijn activisme een vroegtijdig einde van zijn loopbaan inluidde. Hij werd in de ban gedaan door de atletiek en zag Brundage als de hoofdschuldige. 

‘Het gezicht van vader liep rood aan als je Brundage noemde’, zei Morrows zoon Ron in 2000 tegen Sports Illustrated. De drievoudig olympisch kampioen werd niet opgenomen in de olympische ploeg van 1960 (die op geen enkele sprintafstand goud veroverde). Hij trok zich verbitterd terug in Texas, waar hij onder meer suikerriet verbouwde en werkte als verzekeringsagent. Hij werd vergeten en kende de oorzaak. ‘Ik heb te hard tegen ze gevochten.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden