Sport: een onhaalbaar ministerie

Onder prominente oud-sporters en topcoaches is de eensgezindheid groot: er moet snel een minister van Sport komen. Maar de politiek is minder enthousiast over de steeds terugkerende pleidooien van Cruijff, Hiddink, Van den Hoogenband, Krajicek en Schenk.

Van de drie staatssecretarissen die sinds 1998 het sportbeleid hebben vormgegeven, pleit er maar één voor het onderbrengen van de sport bij een minister: ex-bewindsvrouw Clemence Ross-Van Dorp (CDA). De oud-staatssecretarissen Margo Vliegenthart en Jet Bussemaker (PvdA) geloven niet in de noodzaak van verandering na de verkiezingen.

In een zelfstandig ministerie van Sport ziet geen van drieën iets. Geen van de grote politieke partijen rept in de concept-verkiezingsprogramma’s ook van een ministerie van Sport.

Volgens Ross-Van Dorp is het belangrijkste voordeel dat een minister wekelijks kan meepraten in de ministerraad. Daardoor kan sport sneller en vaker op het hoogste politieke niveau aan de orde worden gesteld. ‘Je kunt veel meer invloed hebben via de ministerraad’, meent ze.

Vliegenthart en Bussemaker geloven daar niet in. Ze denken dat de roep uit de sportwereld om een eigen minister voortkomt uit de misvatting over het vak van staatssecretaris. Die wordt te vaak gezien als het knechtje van de minister, meent Bussemaker. Zij was tot voor kort verantwoordelijk voor sport en heeft het Olympisch Plan 2028 door het kabinet geloodst.

Bussemaker is op recepties weleens door prominente oud-sporters aangesproken over het aanstellen van een minister. ‘Er is nooit meer onderbouwing dan dat er meer aandacht voor sport zou komen als er een minister zou zijn.’

In het buitenland worden de staatssecretarissen altijd als minister gezien.

Voor een eigen ministerie is de sport volgens de ex-bewindslieden te klein. Met een begroting van tussen de 100 en 140 miljoen euro verbleekt het bij bijvoorbeeld de zorg, het vakgebied waarvoor ze ook verantwoordelijk waren. Volgens Ross-Van Dorp houden slechts dertig beleidsambtenaren zich met sport bezig. En volgens Vliegenthart vergde de zorg substantieel meer tijd.

Bussemaker: ‘In de zorg was met een miljard extra bijna niemand tevreden, terwijl in de sport een paar miljoen het verschil kan maken.’

Vanwege die beperkte begroting zal de sport volgens Ross-Van Dorp voor een eventuele minister altijd slechts een deel van zijn taak zijn: naast Volksgezondheid, Economische Zaken, Ruimtelijke Ordening of zelfs Algemene Zaken. Samenwerking met andere departementen is onvermijdelijk, omdat de sport raakt aan gezondheidszorg, onderwijs en infrastructuur en economische activiteit.

‘Je kunt die verantwoordelijkheden elders niet weghalen’, vindt Vliegenthart. ‘Het is contraproductief’, denkt Bussemaker. ‘Als je een departement voor Sport zou hebben, zouden andere ministeries veel eerder zeggen: dat moet Sport maar doen. De kracht van sport zit juist in de binding met andere beleidsgebieden. Ik heb die verbinding de afgelopen jaren op tal van terreinen met collega’s gezocht, en heb me nooit gehinderd gevoeld door mijn status als staatssecretaris.’

Volgens Ross-Van Dorp kan een minister de raakvlakken van de sport met andere beleidsgebieden beter onder de aandacht brengen, in de topsport en de breedtesport. Vooral dat laatste in van belang, meent ze. Sport verdient volgens haar een belangrijkere rol in bijvoorbeeld onderwijs en gezondheidszorg. Ze is tegenwoordig directeur van het Instituut voor Sport en Bewegen.

Ondanks de aangekondigde bezuinigingen van veel partijen op overheidsuitgaven, zou Ross-Van Dorp na de verkiezingen graag een minister van Sport verwelkomen. Vliegenthart en Bussemaker kunnen zich hooguit voorstellen dat een minister zich ontfermt over de sport als Nederland de organisatie krijgt toegewezen van het WK voetbal (2018) of de Olympische Spelen (2028).

Dan kan een ‘doorzettingsmacht’ handig zijn, meent Bussemaker: een minister die een stuwende en coördinerende rol krijgt.

Gezien de politieke handigheid die daarvoor nodig is, ziet geen van de ex-bewindslieden een oud-sporter of coach als ministerskandidaat. Guus Hiddink en Johan Cruijff zijn genoemd. Richard Krajicek heeft zichzelf jaren geleden al kandidaat gesteld. Onlangs heeft hij meegewerkt aan het verkiezingsprogramma van de VVD, de partij die een halvering van het aantal ministers bepleit.

Bussemaker: ‘Tenzij de VVD in Krajicek een goede minister van Economische Zaken, Onderwijs of Volksgezondheid ziet, zie ik dat dus niet gebeuren.’ Hiddink verklaarde onlangs in Sportweek dat hij vanwege zijn strafblad voor belastingfraude sowieso niet in aanmerking komt voor een ministerschap.

Volgens de oud-staatssecretarissen onderschat de sportwereld de vaardigheden die nodig zijn om te slagen als politicus. Vliegenthart: ‘Je moet kunnen omgaan met mechanismen binnen de overheid. Dat is een vak apart. Er zijn genoeg voorbeelden van mensen van buiten de politiek die het lastig hebben gehad als minister, in welke portefeuille dan ook.’

Ross-Van Dorp: ‘Je moet kunnen verleiden, overtuigen en je moet politiek slim zijn om iets gedaan te krijgen. Daar hebben al veel mensen van buiten de politiek zich op stukgelopen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.