Spijt komt altijd te laat

In 1936, bij de Spelen van Berlijn, won de atleet Tinus Osendarp tweemaal brons. Sindsdien spelen de Nederlanders op de sprint geen rol van betekenis meer....

EEN HEEL mensenleven terug vierde hij zijn sportieve successen, maar Martinus Osendarp krijgt nog steeds post uit het buitenland. 'Hier', zegt de bejaarde man, terwijl hij naar een enveloppe op de salontafel wijst, 'een brief uit Tsjechië, met het verzoek om een handtekening.'

In 1936, tijdens de Olympische Spelen van Berlijn, behaalde Osendarp twee bronzen medailles op de sprintnummers, een kunststukje dat nadien nooit door een Nederlander is herhaald.

Osendarp eindigde in de Duitse hoofdstad tweemaal achter de legendarische Jesse Owens en moest op beide nummers ook nog een andere zwarte Amerikaan laten voorgaan. Maar hij was wél 'de snelste blanke', of, in het bedenkelijke jargon van die jaren, 'de snelste Ariër'. Dat maakte hem beroemd, tot ver over de grens. 'Vooral de Duitsers hadden respect voor me. Weltmeister noemden ze me.'

De Duitsers waren er mede de oorzaak van dat Tinus Osendarp nimmer de status kreeg die later Fanny Blankers-Koen ten deel viel. Hij koos tijdens de bezetting mede door zijn ouders die al langer NSB'ers waren voor de foute kant.

De Haagse politieman Osendarp werd SD'er, later SS'er, en trad als lid van het Commando Leemhuis keihard op tegen mensen uit het verzet. Na de oorlog werd hij wegens verregaande collaboratie veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf. De celstraf werd later omgezet in dwangarbeid: hij werkte jarenlang in de mijn Emma.

Ook toen hij, voortijdig, in 1952 vrijkwam is Martinus Osendarp in Zuid-Limburg gebleven en 'op de mijn' blijven werken. 'Bij de politie kon ik niet meer terug komen. In het Westen kende iedereen mij en kreeg ik ook geen andere baan.' In 1972 ging Osendarp, om gezondheidsredenen, met vervroegd pensioen.

Hij bewoont, sinds enige jaren als weduwnaar, een bejaardenflat. De publiciteit heeft hij altijd geschuwd. Pas na lang aandringen is hij bereid te praten. 'Als we het maar niet over de oorlogsjaren hebben, daar ben ik genoeg voor gestraft.' Aan het eind van de middag komt die zwarte periode toch nog aan de orde; hij spreekt dan van 'die stommiteit van mij'.

De breekbare man die de deur opent, is kleiner dan verwacht. Op oude sportfoto's ziet hij er groot en krachtig uit. Kleiner dan verwacht, maar in het silhouet herkennen we de sportman. De neus nog net zo prominent als in de tekening van Bob Uschi in het fameuze boek Mysterieuze krachten in de Sport, van Joris van den Bergh. 83 Jaar is Osendarp nu.

In de huiskamer herinnert nauwelijks iets aan het sportieve verleden, geen medailles en geen bekers. Een paar boeken in de kast over de geschiedenis van de Limburgse atletiek, een theeservies gewonnen tijdens de EK van 1938 in Parijs en een zilveren sigarettendoos, verdiend bij een wedstrijd in Berlijn.

'De medailles? Mijn kinderen hebben er mee gespeeld, ze zijn verdwenen. Ja, ook de bronzen plakken van Berlijn en de gouden medailles van de Europese kampioenschappen van 1938 zijn weg. Ach mijnheer, de eerste medaille die je wint, poets je tienmaal op, de tiende gooi je in een kast.'

Hij maakt een wegwerpgebaar, zoals wel vaker deze middag.

Hij schudt nog eens het hoofd, hij begrijpt niet dat er 63 jaar na de Spelen van Berlijn nog mensen geïnteresseerd zijn in zijn verhaal. 'Ik ben niks vergeten, ik kan me alle wedstrijden uit die jaren nog levendig voor de geest halen.'

Voetballer was de jonge Martinus Osendarp, die vanaf zijn tiende in Rijswijk woonde. Hij speelde bij VUC, was een snelle rechtsbuiten: 'Ik moest voorin altijd wachten totdat mijn medespelers er ook waren.'

Een Duitse trainer van de club bracht hem in contact met de atletiek, hij deed mee aan de Zuid-Hollandse kampioenschappen. 'Spikes had ik niet, die leende ik van een vriend van mijn broer.'

Hij had nooit een 100 meter gelopen, maar behaalde prompt zilver en was meteen gekwalificeerd voor de NK, die in 1933 in het Olympisch Stadion van Amsterdam werden gehouden. 'Ik deed voor de grap mee, dacht nooit de series te overleven. Startblokken had je niet, je groef bij de start een putje in de sintelbaan, het schepje moest ik van een ander lenen.' De jonge Tinus, koud zeventien jaar oud, werd derde, in 10,7.

In de volgende winter kreeg Osendarp bezoek van enkele functionarissen van atletiekunie KNAU: of hij het voetbal wilde vergeten en zich louter op de atletiek wilde richten. 'Als ik doorzette kon ik mee naar de eerste Europese kampioenschappen, die in 1934 in Turijn werden gehouden.'

Werkgever Pander in Den Haag verleende alle medewerking. Topsport in de jaren dertig: 'Ik mocht als ik moest trainen vijf minuten eerder weg om de trein naar Amsterdam te kunnen halen. Verder stond er niks tegenover, nog geen kopje koffie.'

Later, toen hij in de olympische selectie was opgenomen, kreeg hij twee blikken Ovolmaltine per maand. De chocoladedrank verkocht hij aan een buurvrouw: 'Had ik toch weer drie gulden verdiend.'

Per trein, derde klas, gezeten op houten bankjes, vertrok de Nederlandse equipe in 1934 naar de Noord-Italiaanse stad. 'In de ochtend uit Den Haag weg, overnachten in Zwitserland, de volgende dag naar Turijn.' De jonge Osendarp werd vijfde op de 100 meter en derde op de 200 meter.

Het sprintfenomeen van die dagen, Chris Berger, won tweemaal goud. Nederland stelde in die jaren nog wat voor op de kortere atletiek-disciplines. 'Het was een goede generatie, met Berger, Wil van Beveren, de vader van PSV-doelman Jan, Marinus van den Berge en ik.'

Van limieten voor de Olympische Spelen had in die tijd nog niemand gehoord. 'Je werd aangewezen, waarna de bond druk uitoefende op je werkgever om je vrij te krijgen.' Voor Osendarp was dat nooit een probleem. Hij werkte inmiddels op het Haagse kantoor van de KLM.

'Op een dag klonk de harde stem van directeur Albert Plesman op kantoor: ''Wie is Osendarp?'' Potdomme, zei hij, ik wist helemaal niet dat jij in Berlijn loopt. Of ik geen kaartje voor zijn zoon had.'

KLM of geen KLM, per spoor ging de gehele equipe naar de olympische stad. Veel heeft hij van de Spelen niet gezien, zegt Osendarp. Hem zijn het nazistisch vlagvertoon en de uniformen op straat niet opgevallen, Hitler heeft hij slechts van veraf gezien. Laat staan dat hij twijfels heeft gehad over deelname aan deze omstreden Spelen. 'Je bent jong, je weet niks. Ik geloof dat er één bokser was die weigerde te gaan.'

Chef de Mission Karel Lotsy, die later nog hoge functies binnen de KNVB zou vervullen, zorgde ervoor dat de jonge sprinters niet met de trage atletenbus van atletendorp naar het stadion hoefden te rijden. In de auto deed Lotsy aan mentale training, zo schrijft Joris van den Bergh in zijn Mysterieuze krachten in de sport. 'Er kwam sfeer in die auto (...), de sprinters werden mentaal omhooggedreven.'

OSENDARP, anno 1999: 'Lotsy wilde niet dat we bleven omhangen in het stadion. Na de series, en we liepen er een hoop, gingen we meteen terug naar het atletendorp, waar we konden rusten en waar we gemasseerd werden.'

De meeste Europese concurrenten kende Osendarp wel. 'Ik deed in tijd al aan internationale wedstrijden mee.' Amerikanen kwamen slechts zelden de oceaan over, van het fenomeen Jesse Owens had hij alleen maar gehoord. 'Je wist dat Owens en ook Ralph Metcalfe geweldig waren, pas in Berlijn heb ik ze voor het eerst zien lopen.'

Owens was super, zegt Osendarp, die was niet te verslaan. 'Daar had ik me al snel bij neergelegd. Hij was zo veelzijdig, hij sprong toen al 8.12 ver, en dat in die dagen! Hij is de grootste atleet van deze eeuw. Ja, groter dan Carl Lewis.' Het contact was minimaal, een handje, meer niet. 'Ik was de Engelse taal nauwelijks machtig.'

Osendarp werd derde op de 100 meter en behaalde diezelfde plaats op de 200 meter. Op de dubbele afstand was Owens uiteraard opnieuw veel te sterk. Een zekere derde, en misschien wel tweede plaats op de 4X100 meter-estafette ging verloren doordat Osendarp als laatste man het stokje liet vallen.

'We hadden vooraf te weinig getraind, ik woonde in Den Haag, de rest in Amsterdam. Ik liep vierde, vlak voor de finish ging ik een Duitser voorbij, hij liep aan de buitenkant, ik aan de binnenkant. We raakten elkaar, ik liet het stokje vallen. Jammer.'

Met zijn twee bronzen medailles was Osendarp in Nederland op slag een beroemd man. Albert Plesman stuurde voor de snelle Nederlander een gloednieuwe Fokker 36 naar Berlijn om hem af te halen. 'Op Schiphol werd ik toegesproken, daarna gingen we naar Den Haag, naar de atletiekclub, waar ik weer werd toegesproken. Vervolgens reden we per rijtuig naar Rijswijk, waar ik woonde.'

Van werkgever KLM kreeg hij twee dagen vrij, daarna moest hij bij Plesman komen. 'Of ik meer geld wilde? Hoefde ik niet, als ik maar vrij kon krijgen voor internationale wedstrijden. Daar ging hij mee akkoord, als ik er maar per vliegtuig heenging. En dat heb ik gedaan.'

Osendarp werd voor veel wedstrijden uitgenodigd, hij liep in Noorwegen, Zweden en Engeland. 'De organisatie betaalde de reis en het verblijf. Soms kreeg je vijftien gulden daggeld. Kom daar nu eens om! Met de commercie in de sport is het toch te veel doorgeschoten.'

ZIJN beste jaren waren 1936, 1937 en 1938. De persoonlijke records: 10,4 op de 100, 21,1 op de 200 meter, handgeklokt. Een ander hoogtepunt: in 1938 veroverde hij in Parijs tijdens de tweede EK op beide sprintnummers gouden medailles, net als Berger vier jaar reeder had gedaan.

Van een mediahype was nog geen sprake, maar journalisten wisten Osendarp ook toen al te vinden. De beroemde radioverslaggever Han Hollander beschreef de carrière van de atleet in zijn boek Hun grootste sportdag uit 1938.

Osendarp: 'Han Hollander was verrekte goed voor Holland-België, maar van atletiek had hij geen verstand. Maar hij heeft het wel fraai opgeschreven.'

De levens van Hollander en Osendarp zouden, wrang genoeg, na 1940 een zeer uiteenlopend vervolg krijgen. Hollander werd, als jood, in Auschwitz vermoord, Osendarp zocht zijn heil in de collaboratie met de bezetter.

Het wordt stil in de huiskamer. We hebben 1938, 1939 gehad, dus nadert de oorlog in het levensverhaal van Martinus Osendarp. De oude man maakt het zoveelste wegwerpgebaar van de middag: 'Tot 1944 heb ik nog wedstrijden gelopen, en goed ook, daarna was het afgelopen. In 1945 werd ik gearresteerd en heb ik nooit meer gelopen.'

Tijdens het proces tegen Osendarp, in 1948, bleek dat hij als lid van het beruchte Commando Leemhuis, betrokken was geweest bij minimaal 26 arrestaties. Tien van de mede door hem opgepakte verzetsmensen stierven tijdens hun gevangenschap. Osendarp had er geen weet van gehad dat sommige van zijn arrestanten doorgestuurd waren naar concentratiekampen. 'Ik heb slechts gedaan wat mij is opgedragen', vertelde hij het gerechtshof.

Vijftien jaar gevangenisstraf werd geëist, het werd uiteindelijk twaalf jaar. Omdat zijn vrouw en twee kleine kinderen moesten leven van een geringe uitkering, mocht Osendarp als gedetineerde in 1950, samen met zeshonderd andere collaborateurs uit de oorlog, werken in de mijnen in Limburg.

'Daar kreeg ik een gewoon loon. In het jaar van de waternoodsramp, 1953, kregen we hier een huis en zijn mijn vrouw en kinderen vanuit het Westen overgekomen. Na mijn pensionering zijn we gebleven.'

Er valt weer een lange stilte. Dan: 'Thuis waren ze bij de NSB, en zo ben ik er ook bijgekomen. Je bent jong, naïef, je weet niet beter. U zegt dat ik tot aan het bittere einde, tot en met 1945, ben doorgegaan met mijn politiewerk en dat is ook zo. Ja, ik had kunnen onderduiken, maar ik vind, wie A zegt, moet ook B zeggen.'

Door de atletiekunie werd Osendarp na de oorlog geroyeerd. Tijdens de oorlogsjaren had de NAU (Het 'Koninklijke' uit de naam was uiteraard vervallen) overigens wel gewoon wedstrijden georganiseerd, waaraan ook Osendarp deelnam.

Er werd in de oorlogsjaren volop gevoetbald, hardgelopen, gefietst, getennist, en niet alleen door collaborateurs. Uit Kroniek der Jodenvervolging 1940-1945 van Abel Herzberg: 'Een der verzamelpunten tijdens de razzia's was het Olympiaplein. Het was mooi weer die dag, en op het sportveld werd mitsdien getennist. De wachtende Joden hoorden de ballen tikken op de grond, en de spelers roepen: ready-game-deuce. Het waren geen NSB'ers die daar speelden (...) Het was de meerderheid van het Nederlandse volk.'

In KNAU-jaarboeken van na de oorlog zijn de olympische sprintsuccessen van Osendarp nauwelijks terug te vinden. Slechts in uitslagenlijsten komt zijn naam nog voor. In 1958 kreeg hij van de atletiekunie wel dispensatie om als sprinttrainer bij Achilles Top in Kerkrade te werken. Dat heeft hij nog jaren gedaan, totdat het gestel het liet afweten. 'Ik kan geen lange avond meer op een atletiekbaan staan, dat is te zwaar.'

Wel volgt hij de Nederlandse atletiek nog. 'Ik zie alles op televisie, dat kassie gaat niet uit, ik ben de hele dag toch maar alleen. Die Van Balkom, dat vind ik een goede sprinter, hoor. En we hebben ook weer een goede hoogspringer. De 2.30 meter van Pennings is prima.'

De meeste atletiekmakkers uit de vooroorlogse jaren zijn dood, met anderen heeft hij al een halve eeuw geen contact meer. Hij trainde, tot in de oorlog, onder leiding van Jan Blankers, de echtgenoot van Fanny. 'Haar heb ik ook jaren niet gezien, maar een paar jaar geleden kwam ik haar tegen bij het atletiekgala hier in Kerkrade. We hebben toen een tijdje vriendschappelijk zitten praten.'

Het is weer even stil en dan zegt Tinus Osendarp: 'Ik mag fout geweest zijn, in hun ogen, in uw ogen, maar daar ben ik voor gestraft, en zwaar ook. Mijnheer, eigenlijk was ik niet meer dan een klein mannetje, dat toevallig een bekende Nederlander werd door de sport. En natuurlijk heb ik spijt, maar spijt komt altijd te laat.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden