Sjinkie Knegt, shorttracker, steekt de houtkachel in zijn woonkamer aan. Toen Sjinkie dit op 10 januari van dit jaar deed kwam hij in brand te staan en had tweedegraads brandwonden aan zijn linkerbeen en elders op zijn lichaam derdegraads brandwonden.

InterviewSjinkie Knegt

Sjinkie Knegt en de kachel die dit jaar zijn leven bepaalde: ‘Ik stond van tenen tot baard in de brand’

Sjinkie Knegt, shorttracker, steekt de houtkachel in zijn woonkamer aan. Toen Sjinkie dit op 10 januari van dit jaar deed kwam hij in brand te staan en had tweedegraads brandwonden aan zijn linkerbeen en elders op zijn lichaam derdegraads brandwonden.Beeld Klaas Jan van der Weij

In januari stond shorttracker Sjinkie Knegt in brand door een ongeluk in huis. De revalidatie duurde tot de zomer, toch is hij overtuigd van zijn terugkeer aan de top.

‘Ik kan hem wel even aanmaken’, zegt Sjinkie Knegt. Hij lacht terwijl hij naar de zwartstalen kachel wijst, die voor het raam van zijn huis in het Friese Bantega staat. De 30-jarige shorttracker doet er laconiek over, maar dat kacheltje bepaalt al bijna een jaar lang zijn leven. 

De wereldkampioen van 2015 wordt dagelijks geconfronteerd met een fatale gebeurtenis op donderdagmorgen 10 januari. Hij was als eerste in huis wakker. Zijn jonge kinderen Myrthe en Melle lagen nog te slapen, zijn vriendin Fenna ook. Hij stapte uit bed. Het was koud in huis. In zijn boxershort en trui stommelde hij naar de woonkamer. Het zou lekker zijn om de houtkachel aan te steken, bedacht hij.

Gewoonlijk goot Knegt lampenolie over het hout om er vervolgens de brand in te jagen, maar die was al een aantal dagen op. Hij had dat al een paar keer zonder problemen opgelost door thinner op het hout te gieten. Deze donderdagmorgen viel er een brandend stuk hout op de fles verfverdunner, die nog op de grond voor de kachel stond. 

Het volgende moment stond Knegt in brand, van zijn tenen tot zijn baard. Hij brulde, deed een stap achteruit. Zijn vriendin sprong uit bed. Hun slaapkamer ligt direct naast de woonkamer op de eerste verdieping van het huis waar Knegt al zijn hele leven woont. Vijf stappen, meer is het niet tussen hun bed en de plek waar haar vriend uit alle macht de vlammen op zijn lichaam trachtte te doven.

Wat deed Fenna toen ze je zag?

‘Ze heeft meteen een pan water over me heen gegooid. Die stond nog in de wasbak van de avond ervoor. Dat was waarschijnlijk niet het meest hygiënische, maar dat maakt dan niet zo uit. Toen al het vuur uit was, ben ik onder de douche gestapt. Daar heb ik een kwartiertje gestaan. Ondertussen had ik voortdurend de ambulance aan de lijn. Zelf, want Fenna had zich over de kinderen ontfermd.’

Kon je telefoneren? Ging je niet kapot van de pijn?

‘Ik zat helemaal vol adrenaline en voelde dat niet zo. Ik had het vooral koud. Toen de ambulance kwam hebben ze me in aluminiumfolie gewikkeld en ben ik zelf naar beneden gelopen. Halverwege de garage stond de brancard en toen ben ik pas gaan liggen.’

‘Ik heb nooit echt extreme pijn gehad. Niet dat het fijn was, natuurlijk. In het ziekenhuis kreeg ik pijnstilling, maar niet zoveel. Ze tasten af wat je nodig hebt en geven het liefst zo min mogelijk. Ik kreeg om de zoveel uur een paracetamolletje. Dat was het wel. Ze zeiden dat ik een bijzonder geval was, want normaal kreeg iemand die er zo bij lag 24 uur lang morfine. Ik kreeg alleen een spuit met morfine als ze het verband gingen wisselen.’

Vreesde je voor je leven? Voor je sportcarrière?

‘Nee, dat gevoel heb ik nooit gehad. Artsen zeiden meteen dat ik wel weer zou kunnen schaatsen, ook op hoog niveau. Dat was een geruststellende mededeling. Ik wist wel meteen dat ik niet binnen een dag weer zou schaatsen. Al had ik tegelijkertijd het gekke idee dat ik binnen twee weken weer thuis zou zijn. Nou, dat kon ik vergeten.’

Knegt lag zeven weken in het Martini-ziekenhuis in Groningen. Het was niet voor het eerst dat hij in het hospitaal was beland. In februari 2016 werd hij bij een wereldbekerwedstrijd in Dordrecht op een brancard van het ijs gehaald. Hij l iep gebroken ribben, inwendige kneuzingen en een scheurtje in zijn lever op. Dat zijn ingecalculeerde risico’s in de shorttracksport, waar de schaatsers op hoge snelheden over krappe ijsbaantjes scheuren. Twee jaar later veroverde hij olympisch zilver op de 1.500 meter in Pyeongchang, alsof er niets was gebeurd.

Vlak voor het ongeluk met zijn kachel was Knegt door zijn eigen onvoorzichtigheid ook al in het ziekenhuis beland. Bij het klussen aan een auto, een hobby van hem, was hij bekneld geraakt tussen zijn vorkheftruck en de deurpost van zijn garage. Hij liep daarbij een ernstige spierkneuzing aan zijn linkeronderbeen op. Ten tijde van het kachelongeluk liep hij daarom een brace om zijn linkeronderbeen. Het kunststof van de brace schroeide in zijn huid en veroorzaakte meer schade dan hij aan zijn blote rechterbeen opliep.

Hoe heb je de tijd in het ziekenhuis ervaren?

‘In het begin was ik heel zwak. Ik had nauwelijks door dat ik in het ziekenhuis lag. Ik werd ’s ochtends wakker gemaakt en dan waren ze al gauw drieënhalf uur bezig met het verzorgen van mijn wonden. Daarna was ik alweer zo vermoeid, dat ik nog wat at en dan weer ging slapen. Daarna was het bezoekuur en dan was de dag alweer voorbij.’

‘Ik lag op een gesloten afdeling. Bezoek moest van tevoren worden aangemeld. Ik wist altijd wel wie er kwam. Behalve één keer. Toen kwam Reinier Paping ineens binnen. Hij was bij vrienden in Friesland en hij wilde eigenlijk wel naar me toe, had hij gezegd. In het ziekenhuis dachten ze: de winnaar van de Elfstedentocht van 1963 kunnen we niet tegenhouden. Er waren drie vrienden van me, die niks met schaatsen hebben. Zij hadden geen idee wie hij was.’

Was het voor je gezin niet heftig dat je zo lang in het ziekenhuis lag?

‘De kinderen vonden het niet erg om naar het ziekenhuis te gaan. De oudste vraagt nog wel eens wanneer we weer een keer naar het ziekenhuis gaan en sushi eten. Dat deden we weleens op de kamer. Omdat ze ver moesten lopen vanaf de parkeergarage hadden ze altijd de step mee. En ze moesten altijd zo’n ziekenhuisjasje aan. Nee, het was altijd één groot feest.’

En hoe hebben ze het ongeluk zelf ervaren?

‘Ze weten het nog goed, hoor. Toen Fenna dit najaar voor het eerst de kachel weer aan deed, terwijl ik weg was, zei Myrthe: het is maar goed dat papa niet thuis is, anders verbrandt hij weer. En ook de kleinste weet het nog, terwijl hij maar anderhalf was toen het gebeurde.’

Was het anders dan de andere keren dat je in het ziekenhuis lag?

‘Ja, eerder was ik me altijd sporter blijven voelen. Nu was ik echt patiënt. Het gevoel schaatser te zijn had ik pas toen ik in juni voor het eerst weer op het ijs stond. Niet dat ik daarvoor niets had gedaan. Ik heb meteen heel veel bewogen. Ik kan sowieso niet stilzitten. In het ziekenhuis had ik een roei-ergometer. Een week na de operatie zat ik daar drie keer per dag tien minuten op te roeien.’

‘Eenmaal thuis ging ik ook fietsen en kon ik al vrij snel weer krachttraining doen. Vooral daar was ik blij mee, want toen kreeg ik weer spierpijn. Maar pas toen ik weer echt kon schaatsen en met de ploeg mee op trainingskamp kon, voelde ik me weer sporter.’

Dertig procent van de huid op Knegts lichaam moest worden getransplanteerd: grote delen van zijn benen en zijn oren herstelden niet vanzelf. Bij de transplantatie hielden de artsen rekening met Knegts onverminderde shorttrackambitie. Hij is nog altijd uit op olympisch goud. Op zijn linkerenkel werd daarom de huid één op één getransplanteerd: een compleet stuk gezonde huid werd weggesneden en op de brandwond gelegd. Zou zou de huid daar even dik en sterk worden als voor het ongeluk.

Het gevaar zou anders bestaan dat hij telkens wondjes zou oplopen bij het schaatsen. Shorttrackschoenen zijn van koolstofvezel gemaakt en geven geen millimeter mee. De rest van de getransplanteerde huid werd ofwel opgerekt en over de huidloze wonden gelegd ofwel met een gaas op zijn been vastgeniet. Op die plekken is zijn huid nog altijd dun en kwetsbaar. Kleine schaafplekjes die normaliter na een paar dagen genezen zijn, deden er weken over om te herstellen.

‘Ik twijfel er niet aan dat het weer goed komt.’Beeld Klaas Jan van der Weij

Wat merk je daar nu nog van?

‘Er is geen beperking in mijn huid. Het is hartstikke soepel. Vooral de jeuk is het probleem. In het begin, als ik veel stond, kreeg ik blaartjes. Dat is nu allemaal niet meer zo. Als ik nu te lang sta, zie je dat aan de kleur, dan wordt ’t paars-blauw. Als ik beweeg is het keurig rood-roze. Voor het ongeluk bleef ik vaak staan als ik ergens was. Nu ga ik toch wat eerder even zitten. Of een beetje hangen, want bij stilstaan op één plek, ook met compressiekleding aan, gaat het jeuken.’

Compressiekleding?

‘Na de transplantatie komt er een bepaalde druk op die nieuwe huid te staan, die het nog niet goed aankan. Compressiekleding helpt de huid als het ware terug te duwen. De eerste tijd mocht ik het nog niet aan. Er waren nog open plekken en het aantrekken van de broek alleen zou al wondjes veroorzaken. Dus moest ik elke dag 15 meter verband om om mijn benen wikkelen. Drie rolletjes van 5 meter. Als je vooraan bij je tenen begint en je eindigt bij je liezen, dan is dat een heel end.’

‘Daarna had continu ik een compressiebroek aan. Ik had er een stuk of acht, want ze worden heel goor met alle vaseline die ik op mijn benen smeerde. Dus elke keer dat ik in het ziekenhuis kwam, kreeg ik weer een nieuwe aangemeten.’

Kon je in die compressiebroek ook schaatsen?

‘Nee, maar ze hebben mijn schaatspak zo ingenomen dat het dezelfde druk gaf als de compressiekleding. Bij de laatste controle bleek sowieso dat mijn bovenbenen inmiddels zonder compressie zouden kunnen. Nu draag ik kousen tot mijn knie.’

Vanaf de zomer pakte Knegt het schaatsen weer op. Hij schrok ervan hoe slecht het met zijn linkerbeen gesteld was. Niet zozeer door de brandwonden, maar vooral door het eerdere ongeluk met de vorkheftruck. ‘Ik zakte gewoon door mijn linkerbeen heen de eerste keer.’ Nog altijd is zijn rechterbeen zichtbaar gespierder dan zijn linker. Hij merkte ook hoeveel energie zijn lichaam nog altijd verstookt om zijn huid te laten aansterken. In trainingen herstelt hij niet zo snel als vroeger. Elke explosieve inspanning moet hij onmiddellijk bekopen.

De revalidatie weerhield hem er niet van om zijn oude leven weer zo snel mogelijk op te pakken, ook naast het ijs. Hij reed weer autorally’s. En zonder al te veel bijgedachten stak hij in de zomer de barbecue aan. ‘Wel netjes met aanmaakblokjes.’

Hoe sta je er nu voor?

‘Toen ik in juni op trainingskamp was, trainde de Rus Semjon Jelistratov met ons mee. Toen hij mijn benen zag, keek hij me aan met een blik van: dit komt nooit meer goed, jongen. Maar het gaat best goed. Ik hoop nog altijd dat ik in februari weer een internationale wedstrijd kan rijden. Dan is de wereldbekerfinale in Dordrecht. Dat wil ik nog niet opgeven. Als het kan, dan gaan we. Ik twijfel er niet aan dat het weer goed komt.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden