Tour de France

Schokschouderend of in een perfecte houding op de fiets? Als het maar snel gaat

‘Hij zit als een mijnwerker op z’n fiets’, zei Tom Dumoulin over Tadej Pogacar. De geletruidrager staat ook niet bekend als een stilist. Fietsen kan hij als de beste. Over mooie en lelijke wielrenners in de Tour.

Dylan van Baarle tijdens de vijfde etappe van de Tour, een tijdrit over ruim 27 km. 'De rug is bijna recht en alles vormt één geheel. Het zou nog beter zijn geweest als ik mijn hoofd wat meer tussen mijn handen had weten te krijgen’, aldus de wielrenner. Beeld Klaas Jan van der Weij / de Volkskrant
Dylan van Baarle tijdens de vijfde etappe van de Tour, een tijdrit over ruim 27 km. 'De rug is bijna recht en alles vormt één geheel. Het zou nog beter zijn geweest als ik mijn hoofd wat meer tussen mijn handen had weten te krijgen’, aldus de wielrenner.Beeld Klaas Jan van der Weij / de Volkskrant

Zoals Bauke Mollema woensdag op de tweede en laatste beklimming van de Mont Ventoux steil naar boven ging in vergeefse achtervolging op de latere winnaar Wout van Aert; dat kan volgens wielerpuristen dus echt niet. Maar als het erom spant, kan Mollema (rugnummer 44) niet anders dan lelijk fietsen.

Van links naar rechts gaan zijn schouders dan, zo ver naar buiten dat steeds zijn halve lijf naast het stuur hangt, het been eronder gestrekt. De ellebogen staan ver uiteen alsof Mollema in een sprint tegenstanders wil blokkeren. Zijn gehelmde hoofd schudt mee en zijn fiets staat bij elke woeste trap een beetje schuin. Van-je-ene-tweëe gaat het, links-rechts-links-rechts. Het ziet er pijnlijk zwaar uit.

‘Ik probeer niet bewust minder te bewegen’, zegt Mollema er droogjes over. ‘Als het hard moet, moet ik ergens mijn kracht vandaan halen.’

In twee solo’s leerde het wielerpubliek Mollema’s hoekige stijl kennen. Eerst in de vijftiende etappe van de Tour van 2017 naar Le Puy-en-Velay en twee jaar later in het wielermonument de Ronde van Lombardije. Kilometers aan een stuk voorzag de renner in dienst van Trek-Segafredo het werkwoord zwoegen van een nieuwe dimensie. Zijn achtervolgers kwamen steeds dichterbij, maar Mollema won beide keren.

Dylan van Baarle

‘Het gaat bij mij altijd meer bewegen als ik alleen op kop rij, of in de bergen aan mijn limiet zit. Ik weet niet of dat bewegen dan uit mijn onderrug komt, of dat ik mijn armen er wat meer bij gebruik om die krachten te leveren. Het is voor mij heel moeilijk om stil te blijven zitten als het spannend wordt. Als ik zo rijd, zit ik waarschijnlijk van voren.’

‘Nou’, nuanceert Dylan van Baarle, ‘Mollema beweegt altijd heel erg met zijn schouders, of het nou hard gaat of niet. Dat is nu eenmaal de stijl van sommige renners. Froome zit ook niet als mooiste op de fiets, maar wint vier keer de Tour. Het hoeft niet altijd mooi te zijn om snel te gaan, hè.’

Bauke Mollema zwoegt zichtbaar, woensdag tijdens de tweede beklimming van de Mont Ventoux.  Beeld Klaas Jan van der Weij
Bauke Mollema zwoegt zichtbaar, woensdag tijdens de tweede beklimming van de Mont Ventoux.Beeld Klaas Jan van der Weij

Zoals renners meteen zeggen ‘Chris Froome’ of ‘Bauke Mollema’ als ze gevraagd worden naar een uitgesproken lelijk fietsende collega, zo valt de naam Dylan van Baarle meteen bij het tegendeel. Ook Mollema roemt de renner van Ineos-Grenadiers met Tour-rugnummer 28 om zijn ‘mooie zit’. ‘Leuk, wist ik niet’, reageert Van Baarle. Hij won dit voorjaar Dwars door Vlaanderen en kreeg daarna van collega’s en publiek de lof toegezwaaid voor zijn nagenoeg perfecte fietshouding. Ondanks gemene kasseienstroken en slecht wegdek bleef hij in een 52 kilometer lange solo toch doodstil op de fiets zitten.

Alleen de benen bewegen

‘Vroeger keek ik altijd naar Peter Schep’, vertelt Van Baarle. Schep, vooral bekend als baanrenner, later bondscoach, nu prestatietrainer van EF Education Nippo, zat volgens Van Baarle ‘altijd supermooi op de fiets’. Dat wil zeggen: het enige dat beweegt zijn de benen. ‘Dat het er bij mooi uitziet, gaat vanzelf. Ik train er niet op. Ik zit thuis niet voor de spiegel om aan de juiste houding te werken.’

Mooi fietsen is niet alleen een kwestie van stilzitten, het oog verlangt ook een aantrekkelijk lijnenspel. ‘Dit is een mooie houding’, recenseert Van Baarle zichzelf, kijkend naar een foto van hem in de tijdrit, de vijfde etappe van deze Tour. ‘De rug is bijna recht en alles vormt één geheel. Het zou nog beter zijn geweest als ik mijn hoofd wat meer tussen mijn handen had weten te krijgen. Maar ik reed niet volle bak in die tijdrit en dan ben je iets minder geconcentreerd op dat soort dingen.’

Wilco Kelderman

Een mooie zit is volgens klassementsrenner Wilco Kelderman bittere noodzaak in een tijdrit. ‘Want dat is meestal ook de meest aerodynamische houding’, zegt de kopman (nr 73) van Bora-Hansgrohe die nu zesde staat in het algemeen klassement, maar zijn tijdrit zag mislukken door een pijnlijke elleboog. ‘Als tussen handen en hoofd heel weinig ruimte zit en de helm ligt mooi op een vlakke rug, dan is het oppervlak van voren klein, dus aerodynamisch.’

En het ziet er gelikt uit. ‘Mooi op de fiets zitten, strak materiaal, er zelf goed uitzien, dat geeft allemaal extra moraal’, is de ervaring van Kelderman. Mathieu van der Poel reed een verrassend sterke tijdrit en bekende na afloop dat de oh’s en ah’s van het hem toch al toegenegen Franse publiek flink hadden geholpen bij zijn prestatie.

‘Iedereen in het peloton kent de renners die mooi stilzitten, of een mooie houding hebben’, weet Mollema. ‘Maar meer dan dat is het niet. Het is niet zo dat we het er de hele rit met elkaar over hebben.’

De Sloveen Tadej Pogacar woensdag op de Mont Ventoux. Er zijn fraaiere stylisten. Beeld Klaas Jan van der Weij
De Sloveen Tadej Pogacar woensdag op de Mont Ventoux. Er zijn fraaiere stylisten.Beeld Klaas Jan van der Weij

Waar hij met smaak naar kijkt: ‘Mooie horizontale lijnen; de rug recht en evenwijdig aan de bovenbuis, de armen gestrekt en in lijn met de rest.’ En ja, daarbij niet te veel bewegen. ‘Daar voldoe ik dus niet aan’, lacht Mollema, ‘maar voor mij is een mooie zit niet belangrijk. Ik heb liever dat het hard gaat.’

Tadej Pogacar

Hard ging het zeker in de tijdrit waarmee Tadej Pogacar (nr 1) vorig jaar de Tour in zijn voordeel besliste. De Sloveen, die onbedreigd op zijn tweede Tourzege lijkt af te koersen, ging toen op de steile Planche des Belles Filles omhoog in een volgens Tom Dumoulin onmogelijke stijl. ‘Hij zit als een mijnwerker op de fiets’, zei de gedesillusioneerde Limburgse specialist over de tijdrithouding van Pogacar, ‘ik word tweede achter een mijnwerker!’

Wat Dumoulin met zijn beeldspraak bedoelde was voor collega’s meteen duidelijk. ‘Pogacar beweegt wel erg veel met zijn hele lichaam’, zegt Mollema. ‘Hij zit in de tijdrit niet mooi stil zoals een stilist als Tom. Als je minder beweegt, verbruik je, zeker in een tijdrit, minder energie. Dat is ook beter en aerodynamischer, maar Pogacar is helemaal geen stilist.’ Daar is Wilco Kelderman het niet mee eens. ‘Hij was in de klim veel aan het bewegen, maar op het vlakke reed-ie wel mooi met een aerodynamische houding.’

Wout Poels

Weet je wat het is, zegt klimspecialist Wout Poels (nr 166): ‘Aan je stijl kun je weinig veranderen. Ik heb nogal lange benen en armen. Als ik kleiner was geweest, reed ik op een kleiner frame en zag het geheel er compact uit – vind ik mooi. Maar ik kan niet een paar centimeter van mijn benen afzagen.’

En dan nog: ‘Ik ken renners die helemaal top zitten op hun fiets, maar niet vooruit komen. Ik ken ook renners, waarvan ik zeg: nou, nou, dat ziet er niet uit. Maar die zijn wereldklasse.’

Zoals de uitgesproken lelijk fietsende Spanjaard Peio Bilbao, ploeggenoot van Poels in Bahrein-Victorious (nr 162). In welke discipline hij ook rijdt, zijn voorwiel gaat nimmer rechtuit. Bij elke trap die Bilbao doet, geeft hij een rukje aan zijn stuur, op nat wegdek een kronkelend spoor achterlatend. ‘Hij rijdt dus altijd best wat verder dan wij’, denkt Van Baarle. ‘Maar hij gaat er wel hard mee. Het kost extra energie, maar kost nog meer energie om het af te leren.’

Niets aan veranderen, adviseert Poels. ‘Het gaat er uiteindelijk om dat je zo comfortabel mogelijk op die fiets zit en tegelijk zo hard mogelijk op die tappers kunt duwen. Mooi of lelijk maakt niet uit als je als eerste over de finish gaat.’

Mooi en lelijk vroeger

Het is een kwestie van smaak, toch is er bij de liefhebbers enige overeenstemming over de mooie en lelijke zit van enkele wielrenners uit het verleden.

Mooi

Mooi zitten drie Italianen. De weinige, grove zwart-witbeelden van Fausto Coppi (actief: 1939-1959) laten er niettemin geen twijfel over bestaan hoe vloeiend zijn rijstijl was. Het stuur strelend, het bovenlichaam stil en vanuit een sterke onderrug – als kind reed hij op een zware slagersfiets omhoog – bewogen alleen zijn lange benen. Met de enkels als gracieuze scharnieren wist Coppi ogenschijnlijk zonder inspanning, bijna lui, grote druk op de pedalen te zetten. Als hij demarreerde gingen alleen zijn benen iets sneller ronddraaien.

Ook Coppi’s opvolger, Francesco Moser (actief: 1973-1988) leek het allemaal geen moeite te kosten. Moser wist een gestroomlijnde, schuin naar beneden toe lopende lijn van de rug vol te houden, met de armen in een hoek van 90 graden en de onderarmen waterpas. En dat geheel bewoog nauwelijks. Alleen op de kasseien van Parijs-Roubaix, het ruige monument dat deze stilist niettemin drie keer won, stuiterend.

Daarna kwam Gianni Bugno (actief: 1985-1998), die zo moeiteloos leek te fietsen, dat het zijn tegenstanders verwarde. Bugno trapte zwaar, dus langzaam, zat stil en leek, mede door zijn oogopslag, in een halfslaap op de fiets te zitten. Zo, in een ogenschijnlijke slakkengang, won hij zelfs sprints. De concurrentie dacht hem eenvoudig te verslaan, maar van bovenaf was duidelijk te zien dat Bugno eenvoudigweg te hard voor ze ging.

Lelijk

Over twee Spaanse oud-wielrenners, Fernando Escartin en Francisco Mancebo, is het volgersoordeel: lelijker is niet mogelijk. Voor de derde plek in dit klassement zijn meerdere gegadigden, zoals de Australiër Cadel Evans, de Colombiaan Santiago Botero en de Spaanse dopingzondaar Juan José Cobo. Alledrie reden ze zo’n overdreven zware versnelling dat mooi fietsen uitgesloten was.

Escartin (actief: 1990-2002) heette niet voor niets De Krab. Hij zat zo scheef op zijn fiets dat hij zich inderdaad zijwaarts naar voren leek te bewegen. Met zijn knieën naar buiten alsof een schooltas om de bovenbuis was geslagen, het hoofd permanent afgewend met het oor tegen de schouder, de rug onnatuurlijk gekromd, in en uit het zadel, van links naar rechts bewegend, ging hij niettemin vrij hard omhoog en werd in 1999 zelfs derde, later tweede (Armstrong) in de Tour.

Met Mancebo (actief: 1998-2019) hetzelfde verhaal: goede klimmer, scheve zit. Vooral het beeld van achter was vreemd: alsof het veel te grote, gehelmde hoofd tien centimeter naar links van het midden op de romp was geplaatst. Optisch bedrog als resultaat van een rechterschouder die naar voren stond en een linkerschouder die Mancebo naar achteren duwde. Gevolg: de ruggenwervel liep met een boogje schuin links naar voren en tegelijk roteerde de romp bij elke trap; de ultieme scheve zit.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden