Schlemieligste nummer 2 uit WK-historie

Negen dagen gingen Alexander Schwarzman en Mark Podolski gezamenlijk aan de leiding. Ook de slotronde van het WK 2007 bracht daar geen verandering in....

Een ongeschreven regel zegt dat het niet echt chic is de juistheid van een toernooizege ter discussie te stellen. ‘De winnaar heeft altijd verdiend gewonnen’, luidt een veelgehoorde cirkelredenering, ‘anders zou hij niet hebben gewonnen’.

Ook ik deel de mening dat men in dit soort zaken terughoudendheid dient te betrachten. Tenslotte valt in elke winstpartij wel een moment aan te wijzen waarop het nog remise stond. Of – en zo ja: in welke mate – men de winnaar van een partij verwijt ‘fortuinlijk’ te zijn geweest, hangt af van zowel het damtechnisch inzicht als de persoonlijke smaak van de zich aan de zijlijn ophoudende beschouwer.

En zelfs als een toernooiwinnaar in sommige partijen aantoonbaar geluk heeft gehad, pleegt men hem dat vaak te vergeven. Immers: dat ‘geluk’, dat hem toch maar mooi één of twee punten boven zijn concurrenten heeft doen uitstijgen, heeft de winnaar kennelijk op de een of andere manier ‘afgedwongen’, heet het in dergelijke gevallen.

Maar met betrekking tot het WK 2007 gaat dit alles niet op. Het ‘verschil’ tussen Schwarzman en Podolski bedroeg namelijk niet één of twee maar nul punten. Er is dus, óók volgens de gehanteerde puntentelling (waarbij bedacht dient te worden dat men van het systeem van drie punten per winstpartij, waarmee de damwereld korte tijd geëxperimenteerd heeft, allang weer – en terecht – is teruggekomen), geen sprake van dat een van de twee beter zou hebben gepresteerd dan de ander.

Mij dunkt dat die nuchtere constatering de beschouwer het morele recht verschaft om – naast het ventileren van zijn teleurstelling over het door de Wereld Dambond op dit punt gevoerde beleid – óók de vraag aan de orde te stellen wie van de twee eerste prijswinnaars het beste dammen heeft laten zien. Naar mijn overtuiging was dat Podolski. Diezelfde Podolski zal, dankzij de zoveelste gril van bestuurlijke zijde, de historie ingaan als de schlemieligste tweede prijswinnaar uit de geschiedenis der WK-toernooien.

Zo-even betuigde ik mijn instemming met het afschaffen van het systeem van drie punten per winstpartij. Ik heb daar (op z’n minst) twee – zij het sterk uiteenlopende – redenen voor.

De eerste heeft met het ‘menselijk tekort’ te maken: een puntentelling die drastisch afwijkt van de gangbare (met 1 punt voor een remise en 2 punten voor een overwinning), is nu eenmaal buitengewoon fraudegevoelig.

Zo legde wijlen Douwe de Jong mij eens uit waarom de nationale bond het idee om – bij wijze van aanmoediging – voor elke winstpartij een extra geldprijs uit te loven, uiteindelijk tóch maar verworpen had.

‘Je hoeft maar drie spelers te hebben die het met elkaar op een akkoordje gooien’, luidde althans de strekking van zijn college, ‘of de bond is na afloop enkele honderden guldens armer.’

Datzelfde scenario vormt een bedreiging voor het driepuntensysteem. Met – sportief bezien – nog veel ernstiger gevolgen dan een lege bondskas. Want stelt u zich eens voor dat in een grootmeestertoernooi speler A van speler B wint en B op zijn beurt van speler C, waarna de laatste weer van speler A mag winnen. Gedrieën zouden zij dan op 3 punten staan, terwijl de concurrentie op 2 punten is blijven steken. En die harde valuta? Die rollen bij de prijsuitreiking vanzelf naar het sjoemelende driemanschap toe!

Maar mijn grondigste bezwaar tegen het driepuntensysteem én alles wat daarnaar riekt (zoals de thans gehanteerde regel dat ingeval van gelijke aankomst het grootste aantal winstpartijen de doorslag geeft), is wel dat een dergelijke bepaling – het moet, na de rampen die Baljakin (op de slotdag van het NK 2007) en Podolski getroffen hebben, maar eens gezegd worden – haast per definitie in het voordeel van de zwakste spelers werkt.

Om te beginnen zullen de sterkste spelers de wenselijkheid van een verliespartij niet zo gauw inzien. Maar wat je in de toernooipraktijk vooral ziet gebeuren, is dat een speler die zojuist verloren heeft (en ik spreek uit – gelukkig niet al te ruime – ervaring) door zijn tegenstanders als aangeschoten wild wordt beschouwd. Die ruiken als het ware bloed, en dat maakt het voor de ‘brekebeen’ beduidend gemakkelijker een winstpartij te boeken dan voor hen die gevreesd worden en derhalve géén tegenstanders-met-open-vizier treffen.

Tot besluit het partijtje dat Schwarzman in de zevende ronde van Anikejev won. Ik zeg niet dat Schwarzman ‘normaliter’ nooit zou hebben gewonnen. Maar ik vraag mij wél af of Anikejev, die tegen alle overige deelnemers ongeslagen bleef, dezelfde wanprestatie óók zou hebben geleverd wanneer zijn tegenstander niet kort tevoren van Tsjizjov had verloren.

Schwarzman-Anikejev

WK 2007

1.32-28 17-22 2.28x17 12x21 3.34-30 7-12 4.30-25 21-26 5.40-34 16-21 6.45-40 1-7 7.50-45 18-22 8.31-27 21x32 9.38x18 12x23 10.36-31 8-12 11.43-38 20-24 12.34-30 14-20 13.25x14 9x20 14.30-25 10-14 15.49-43 23-29??! 16.31-27 11-16 17.37-32 12-18 18.41-37 7-12 19.32-28 18-23 20.37-32 2-7??

In tóch al dubieuze positie overziet Anikejev een elementair tactisch wendinkje.

21.35-30! 24x35 22.33x24 20x29 23.39-33

Zwart geeft het op.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden