Scheidsrechter is W.F. Hermans

Ze doen de raarste dingen in Nederlandse romans, maar een bal komt er meestal niet aan te pas. En dat terwijl schrijven over sport je echt de Nobelprijs niet hoeft te kosten....

HIJ floot het Franse volkslied, stempelde met de rechterhand vette vingerafdrukken op de spiegel en ging weer naar de radio; een Nederlands station gaf nieuwsberichten. 'U hoort de mars Koning Voetbal', zei daarop de omroeper. 'Nu moet ik', dacht hij, toen hij de knop had afgeschakeld, 'de deur op de knip doen...'

(Gerard Reve, de Avonden).

Zo gaat dat in de Nederlandse literatuur. Koning Voetbal komt eraan en de knop gaat om. Dus dat het Letterkundig Museum in Den Haag erin is geslaagd de tentoonstelling Literatuur met een doel. Schrijvers over voetbal samen te stellen, mag een mirakel worden genoemd. Als er één land is waar voetbal en literatuur elkaar mijden als de pest, dan is het Nederland.

Het is dan ook een kleine tentoonstelling geworden.

Uit de rubriek Persoonlijk in Voetbal International blijkt doorgaans dat voetballers zelden grote lezers zijn. Soms laat de vragensteller de vraag naar het favoriete boek maar liever weg, om niet wéér antwoorden als 'Ik ben niet zo'n lezer' (Heesakkers, RKC) of 'Hooguit het kookboek' (Hilgerink, FC Twente) te moeten noteren.

Des te groter de verbazing als een prof opeens wel een uitgesproken literaire voorkeur blijkt te hebben. Voetbalkenners vielen snakkend naar adem van hun stoel toen Leonard van Utrecht (Cambuur) enige tijd geleden in Sportweek plompverloren verklaarde dat hij dol was op Mulisch en De ontdekking van de hemel zijn favoriete boek noemde.

Harry Mulisch, godbetert!

'Maar dit is Nederland, land van opgetrokken neuzen', schrijft Henk Spaan in de inleiding van het door Erik Brouwer geschreven en hoogst interessante schrijversprentenboek dat de Haagse tentoonstelling begeleidt. Een groter gelijk kon hij niet hebben.

Harry Mulisch, volgens Spaan 'de grootste opgetrokken neus van Nederland', figureert ook in Literatuur met een doel, vermoedelijk tot zijn eigen afgrijzen.

Dat zit zo: in het weekeinde van 1 en 2 december 1951 komen op kasteel Oud-Poelgeest in Oegstgeest schrijvers en dichters bijeen die zijn verbonden aan het literaire tijdschrift Podium. Op zondagochtend spelen zij een potje voetbal tegen dichters die zijn uitgegeven in de poëziereeks 'De Windroos'. Scheidsrechter is W.F. Hermans. Hij heeft geen fluit, maar een jachthoorn - lachen.

Mulisch is nog jong, 24, en had een week eerder voor Archibald Strohalm de Reina Prinsen Geerligsprijs voor het beste debuut ontvangen. Niettemin is hij reserve. Met de rust leidt De Wind roos met 2-1, waarna Podium in arren moede Mulisch inzet. Die scoort tweemaal, eindstand 3-2.

Mulisch en voetbal hébben iets met elkaar, moet de bezoeker van de expositie hieruit opmaken, hoezeer Mulisch de rest van zijn leven ook zijn best heeft gedaan elke relatie te ontkennen. Een juichtoon dav're over de velden!

Onzin natuurlijk. De doorzichtige poging van Mulisch een voetballer te maken, is tekenend voor de verhouding tussen die sport en de literatuur, in Nederland althans. We doen alsof, bij gebrek aan een echte relatie. Het is armoe troef, maar je moet toch wat, als tentoonstellingsmaker.

Op een foto die tijdens de wedstrijd is gemaakt zien we de jonge auteur, naast Bert Schierbeek en Remco Campert. Mulisch staat dom te grijnzen en kijkt niet naar de bal. Campert en Schierbeek maken tenminste nog aanstalten naar voren te rennen, maar Mulisch overduidelijk niet. Het ontbreekt er nog maar aan dat hij onderwijl aan zo'n vieze pijp staat te lurken.

Het is een raadsel hoe Mulisch die twee doelpunten heeft kunnen scoren. Hij was er ongetwijfeld niet van op de hoogte dat daartoe een rond element (de bal) over een denkbeeldige grens (de doellijn) in een rechthoekige ruimte (het doel) moest worden gewerkt. Besefte Mulisch überhaupt dat hij had gescoord? En welke blinde dichter stond er op doel bij De Windroos?

Mulisch heeft niets met voetbal. De hele Nederlandse literatuur heeft niets met voetbal. Als die literatuur over duizend jaar aan een analyse wordt onderworpen, zal de conclusie luiden dat er van alles en nog wat aan de orde komt, maar dat de merkwaardige bezigheid genaamd voetbal, in de twintigste eeuw toch de passie van miljoenen, amper doorklinkt in de Nederlandse letteren.

Wie Anna Karenina van Tolstoj leest, komt behalve over liefdesperikelen in het negentiende-eeuwse Rusland ook wat te weten over paardenraces. Daar komt Anna namelijk andermaal haar minnaar tegen. In moderne Amerikaanse romans wordt gehonkbald en football gespeeld dat het een lieve lust is en als in het land enigszins op niveau zou worden gevoetbald, dan zou die sport in de VS al lang een grote literaire dimensie hebben gekend.

Maar in de Nederlandse literatuur gaat een romanpersonage nooit naar het voetbalstadion. De hoofdpersoon kijkt wel eens naar televisie, maar nooit naar een voetbalwedstrijd. Ze doen de raarste dingen, in Nederlandse romans, maar een bal komt er nimmer aan te pas.

En dat terwijl schrijven over sport je echt de Nobelprijs niet hoeft te kosten. Voormalig keeper Camus was niet bang voor voetbal. De Spanjaard Cela schreef in 1963 het boek Once cuentos de futbol, Heaney Markings - 'We marked the pitch: four jackets for four goalposts/That was all.' García Márquez toonde zijn liefde voor het wielrennen in De kampioen van Colombia.

Pinter, Doyle, Naipaul, Celati, Updike, Tartt, Amis, Tóibín, Mailer, Brecht, Liebling, Malamud, Levi, Roth, Bassani - de lijst van grote schrijvers die vinden dat sport bij het leven hoort en dus bij de literatuur is eindeloos.

Maar in Nederland vinden we literatuur pas echte litteratuur als je er koppijn en depressies van krijgt. Een gedicht is pas een echt gedicht als het vol staat van onbegrijpelijke geheimtaal. En sport zien we als een oppervlakkige bezigheid, die dus uit de echte literatuur geweerd dient te worden. 'Er is nu eenmaal niets aan te doen', schreef Kousbroek, 'sport is voor imbecielen.'

En dat terwijl vanaf de beginjaren van de sport veel jonge Nederlandse schrijvers regelmatig tegen een bal trapten. Herman Gorter - zijn vader Simon introduceerde het woord 'sport' in de Nederlandse taal - was tot 1889 voorzitter van de Amsterdamse club RAP en genoot enige faam als scorende spits. Gorters tennismaatje Frederik van Eeden noteerde in zijn dagboek: 'Zondag flink gefootballd in Haarlem' en A. Roland Holst was in zijn jeugdjaren enige tijd lid van de Hilversumse voetbalclub Victoria.

Maar in hun werk kwam de sport niet voor. In Gorters oeuvre komt één verwijzing naar voetbal voor, in Pan, uit 1912. Maar geen spoor van het gedicht RAP.

Hendrik Marsman voetbalde in het schoolelftal van de Rijks HBS in Utrecht, soms als linksbinnen, meestal als keeper. Godfried Bomans speelde van 1927 tot 1930 in het zesde elftal van Alliance in Haarlem en werd later een vaste bezoeker van HFC. J. W. F. Werumeus Buning was lid van VVO in Velp (net als later Guillaume van der Graft en zijn zoon Benno Barnard) en J. C. Bloem stond vaak langs de lijn bij AFC Quick. Of beter: hij stond naast het doel, te discussiëren over poëzie met de keeper, de jong overleden dichter Philip van Goethem - als AFC Quick in de aanval was, mogen we hopen.

J.J. Slauerhoff had graag willen voetballen, maar zijn zwakke fysieke gestel stond dat in de weg. Wel schreef hij in een brief aan een vriend: 'Zeg Hendrik Marsman dat ik voetballende dichters góden vindt.'

Maar de goden zagen er maar hoogst zelden brood in de bal het werk te laten doen. Bomans was een uitzondering. Zijn beschrijving van het grote Haarlemse talent Arie Rekelbast behoort nog steeds tot de grappigere voetbalverhalen. En dan was er Simon Vestdijk. In zijn min of meer autobiografische roman Surrogaten voor Murk Tuinstra verklaart hij zijn liefde voor de legendarische Vitesse-keeper Just Göbel en ook in ander werk (De koperen tuin) toont Vestdijk zich een literator die voetbal beschouwde als een gewoon maatschappelijk verschijnsel dat in de literatuur niet vermeden diende te worden.

Leve Vestdijk, tijd voor een herwaardering van deze grote schrijver!

AAN het einde van de jaren vijftig leek het alsof de Nederlandse literatuur zich enigszins aan de zwaarwichtigheid ontworstelde. Nico Scheepmaker, die eerst stilistisch oefende in het clubblad van Blauw Wit, schreef over voetbal én dichtte erover: In de naam van de Vader/Van de Zoon/Van de Heilige Geest/Abe.

Anderen traden in zijn voetsporen. Schrijvers en dichters als Cees Buddingh' (in zijn jeugd topscorer van DFC), Verhagen, Armando, Vaandrager en Sleutelaar gooiden de valse schaamte van zich af en namen sport serieus. Buddingh' zelfs in een heuse voetbalnovelle: Daar ga je Deibel. Koos van Zomeren schreef in 1965 Het land van de dichter: D.W.S.-Spcl. Enschede 3-1/Heracles-G.V.A.V. 0-0/Sparta-Feyenoord 0-3/(Vitesse-Z.F.C. 0-0)//Zondag 18-10-'64

Dat land liet zich echter nog niet overtuigen. Scheepmaker verwoordde de misère van de sportieve dichters: 'Het komt misschien ten dele ook omdat er voetbalgedichten bij zitten en dan nemen ze je überhaupt niet meer au serieux. Ja, dan denken ze wellicht dat ze in de maling worden genomen, dat kan nooit poëzie zijn.'

Het hielp niet. 'Een schrijver is iemand. Een sportman is Iemand Anders', schreven de literatuurhistorici Van den Eynde en De Witte in 1968. Jan Mulder, voormalig spits van Anderlecht en Ajax, ondervond het omgekeerde. Toen hij nog tegen de bal trapte, was hij een grootheid. Maar hoe virtuoos hij later het bruine monster ook met de pen beroerde, in de ogen van de literatuurpolitie werd hij nooit meer dan een 'stukjesschrijver'.

Pas toen Ajax aan de weg begon te timmeren, in het begin van de jaren zeventig, klaarde de lucht voor de sportminnende literatoren weer wat op. Bij bosjes werden ze plotseling gesignaleerd op de tribunes in de Meer: Guus Luyters, Theun de Winter, Henk Spaan, Tim Krabbé, Willem Wilmink. Ze hadden één ding gemeen: de ivoren toren van de literatuur kwamen ze niet binnen, het bastion van het dédain wisten ze niet te slechten.

Ook Sparta-fan Deelder lukte dat niet. Terwijl zijn beschrijving, in Drukke Dagen, van het moment waarop Jayne Mansfield op Het Kasteel de aftrap verrichtte voor Sparta-DOS (oktober 1957) toch een fraai staaltje mag heten. 'Een hekje zwaaide open en onder donderende ovaties betrad Jayne Mansfield licht vooroverhellend het veld, waar ze door de Rots als aanvoerder van Sparta met een galante handkus werd verwelkomd. De blonde vamp beantwoordde de begroeting op een wijze die van haar verwacht mocht worden. Ze nam de Rots ogenblikkelijk in de houdgreep, tot grote hilariteit van het publiek. ''Hahaha! Mot je kijke! Rinus sta met een paal in z'n broek'', gnuifde de jongenstribune, ''astie nou de bal nog maar ken vinde!'''

In 1978 wreef Jeroen Brouwers, die overigens in de veronderstelling verkeerde dat Marco van Basten een schaatser was, het de sportschrijvers nog maar eens onder de neus, in zijn befaamde tirade 'De nieuwe revisor'. '(...) de jaren zeventig zijn ervan bezwangerd geweest. Ging het niet over fietsen, dan ging het over boksen, of over de Engelse sport waar Buddingh' het almaar over heeft, of over voetballen. Verlos ons, verlos ons!'

Het mág niet in Nederland, voetbal en literatuur. De twee dienen strikt gescheiden te blijven. In 1994 begonnen Henk Spaan en Matthijs van Nieuwkerk hun tijdschrift Hard gras, ten einde een brug te slaan. In het zesde nummer constateerden zij dat 'voetbal voorgoed onderdeel is geworden van de literatuur'. Maar is dat echt zo?

Zeker, er wordt meer en beter over voetbal geschreven dan ooit. Maar de journalistieke vorm overheerst nog steeds, naast de columns en de specifieke voetbalgedichten. Van een echte literaire doorbraak is het nog steeds niet gekomen.

Er zijn de voetbaldichters als Chris Willemsen, Theun de Winter en Henk Spaan, die voetbalgedichten schrijven - en soms hele mooie. Er zijn schrijvers (Marcus, De weg naar Oude God, Keulemans, Overal om me heen is ruimte, Moens, Zondagskind, Giphart, De Voorzitter) die er voetbalromans uitgooiden.

Maar waar blijft de uit het leven gegrepen roman waarin voetbal een rol speelt, naast liefde, haat, seks en drugs en rock 'n roll en andere hele erge dingen?

Ze zijn er, de schrijvers die het moeten kunnen. Arnon Grunberg (voormalig lid van de fanclub van PSV, liet in Blauwe Maandagen al een beetje voetballen), Hermine Landvreugd (de voormalige zeer getalenteerde spits van ZDH wier zoontje Petterson heet, naar de vroegere Ajax-aanvaller), Thomas Rosenboom (ex-worstverkoper op de tribunes van Vitesse, wiens 'Warme worst! Warreme worst' steevast werd gevolgd door de reactie: 'Stop maar in de reet van de scheidsrechter') en Nanne Tepper.

Tepper ja, die moet het doen. Op hem is onze hoop gevestigd. Nanne Tepper was een veelbelovende laatste man in de jeugd van Veendam. In 1994 schreef hij, in een artikel in het Nieuwsblad van het Noorden: 'Ik heb mijn voetbalverleden zelf de nek omgedraaid. En dat is het kruis dat ik moet dragen. Ik zou het simpel kunnen samenvatten: ik voetbalde van mijn tiende tot mijn vijftiende bij Veendam, kreeg toen de meisjes in de kop en gaf er de brui aan. Maar alles is veel en veel erger, duisterder, ingewikkelder; stof voor op zijn minst een trilogie.'

Kom op, Tepper, met die trilogie! Nait soez'n! Het heeft lang genoeg geduurd. Het is tijd voor de echte entree van Koning Voetbal in de Nederlandse letteren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden