Schaatscoaches uit 21 landen komen naar Nederland voor advies

In de schaatswereld is Nederland nog altijd gidsland

Langebaanschaatsers kunnen veel leren van shorttrackers, vertelt manager shorttrack O'Reilly van de KNSB op een symposium. Coaches uit 21 landen zijn een en al oor.

Jorien ter Mors is shorttracker en langebaanschaatser. Foto anp

Op de ijsbaan van Thialf draaien de schaatsers hun rondjes in voorbereiding op de wereldbekerwedstrijden van aanstaand weekeinde. Twee verdiepingen hoger, met uitzicht op de baan, staat disciplinemanager shorttrack bij de schaatsbond KNSB Wilf O'Reilly. 'Wat is er nodig voor een tijd onder de 33 seconden op de 500 meter?', vraagt hij voor een zaaltje vol internationale coaches. 'Het zit niet in meer trainen of alleen maar in het verder ontwikkelen van materiaal. Het zit 'm wel in de techniek in de bocht.'

Als voorbeeld noemt O'Reilly een rit op de 1.500 meter van enkele jaren geleden tussen Sven Kramer en Shani Davis. Tijdens die rit werden de snelheden heel precies gemeten. Het bleek dat de Amerikaan, van origine een shorttracker, veel meer snelheid in de bocht maakte, terwijl de Fries zoals veel traditionele langebaanschaatsers een versnelling op het rechte eind had. 'Stel je voor dat Kramer de snelheid in de bocht omhoog weet te krijgen.'

Leercurve

O'Reilly is de eerste spreker op een trainersavond van de Internationale Schaatsunie (ISU). Het seminar in Heerenveen is een initiatief van Jildou Gemser die bij de ISU belast is met talentontwikkeling. Zij merkte in haar vorige functie in de technische commissie van de schaatsunie dat er onder coaches behoefte is om kennis te delen. De sessie op maandagavond is de eerste poging om daarin te voorzien.

De Nederlandse schaatsbond KNSB was enthousiast over het initiatief en nam het inhoudelijk deel voor zijn rekening. Ingegeven door de recente successen van shorttrackers Jorien ter Mors en Suzanne Schulting op de langebaan koos de bond voor een praatje van O'Reilly over de les die langebaanschaatsers bij het rijden van een bocht kunnen leren van de mannen en vrouwen op vaste ijzers. Het is bij uitstek het terrein van de shorttrackers. Zij rijden bijna niets anders dan een bocht op hun 111 meter lange baantje.

Jorien ter Mors Foto anp

Bochtentechniek

De trainers uit 21 landen luisteren aandachtig. O'Reilly probeert zijn toehoorders te prikkelen door ze vragen te stellen. Een aantal keer haalt hij iemand naar voren om een oefening voor te doen, zoals meervoudig wereldkampioen Jeremy Wotherspoon, tegenwoordig coach in Noorwegen.

Hij moet zijn houding in de bocht demonstreren. De Canadees stond in zijn tijd bekend om zijn fenomenale bochtentechniek, maar als O'Reilly hem vraagt wat hij exact doet met zijn heup, kan hij het niet benoemen. 'Zeg het me maar', zegt de Canadees.

Dat doet O'Reilly. Hij neemt dezelfde houding aan als Wotherspoon en legt uit hoe de stand van de schouders, de stand van de knieën en de heup allemaal invloed hebben op de bocht van een schaatser. Het is kennis die de meeste Nederlandse topcoaches wel in huis hebben, maar die bij coaches in kleine schaatslanden nog weleens ontbreekt.

De KNSB is niet bang om die coaches vooruit te helpen, ook al komen de Olympische Spelen in Pyeongchang snel dichterbij. O'Reilly: 'Onze filosofie is dat we het liefst zo veel mogelijk met onze concurrenten delen omdat we dan gedwongen worden zelf weer iets nieuws te gaan doen. Anders blijf je in je eigen wereldje hangen. Een wereld waarin je denkt dat je de beste bent, maar die beperkend kan werken.'

Matt Kooreman, bondscoach van de Amerikanen, sluit zich aan bij O'Reilly. Hij ziet ook vooral voordelen in het uitwisselen van denkbeelden en ideeën over training en techniek. Het risico dat je daarmee je positie als schaatsland onder druk zet, is er niet. 'Kennis delen is één, maar het gaat er uiteindelijk toch om hoe je die kennis toepast. Daarin onderscheiden de goede coaches zich.'

Opleiding

Het is daarbij noodzakelijk dat het gebeurt, vindt zijn Nederlandse collega Bart Schouten, al jarenlang bondscoach in Canada. 'Er is wereldwijd een gebrek aan goed opgeleide coaches en als Nederland nog veel vaker 23 medailles op de Spelen wint, dan betekent dat het einde van de sport.'

Die gedachte spreekt O'Reilly tegen. Het succes van de Nederlanders is volgens hem geen reden om schaatskennis met de rest van de wereld te delen. Uitblinken schept geen verplichtingen naar de zwakkere landen. Dat doet het immers in andere sporten ook niet. 'In de atletiek zijn het ook een stuk of drie landen die telkens opnieuw de 100 meter winnen. Daar is Jamaica wat Nederland in het schaatsen is.'

De bereidheid van de KNSB en de andere landen om in een seminar trainingsmethoden en techniek te bespreken is volgens hem een onderdeel van een veel bredere ontwikkeling. 'We delen voortdurend alles op social media. Dit past in die trend. Delen is wat de maatschappij doet en wij dus ook.'