InterviewPrimoz Roglic

Roglic, voormalig schansspringer, is zelf ook een beetje verrast dat hij Tourfavoriet is

Hij is favoriet om de Tour te winnen. En dat is opvallend, want Primoz Roglic werd pas een paar jaar geleden profwielrenner, na een carrière als schansspringer. Verbaast de Sloveen zichzelf ook? We interviewden hem.

Primoz Roglic ziet zijn ploeggenoot Tom Dumoulin niet als bedreiging. ‘We maken elkaar sterker.’Beeld Klaas Jan van der Weij

Aan de gelaatsuitdrukking van Primoz Roglic (30), tot nu toe de belangrijkste kandidaat voor de gele trui in Parijs, valt doorgaans lastig af te lezen hoe hij zich voelt in de wedstrijd. Grimassen doet hij pas als het echt pijn doet.

Als de Sloveen, rijdend voor Jumbo-Visma, een grap maakt – en die maakt hij nogal eens – is dat ook niet altijd onmiddellijk duidelijk. Toen hij zich in de Tour de l’Ain, begin augustus, tot verbazing van velen met een massasprint bemoeide, zei hij dat hij geen keus had in een ploeg met zoveel sterke klassementsrenners – alsof hij het kneusje van het team was. Een zweem van een glimlach speelde om de lippen.

En toen NOS-verslaggever Han Kock hem vorig jaar aan het begin van de Giro d’Italia vroeg of hij niet te vroeg in vorm was na een lange reeks zeges, antwoordde hij dat hij na twee weken zou opgeven. Pas in de montagekamer, zei Kock onlangs op de omroepsite, zag hij dat de Sloveen het allesbehalve serieus bedoelde.

Op deze middag, in een binnentuin van een hotel aan de rand van de Jura, is het helemaal gissen naar zijn gemoedsrust. Mocht hij in de loop van het gesprek een stalen gezicht opzetten, dan zal dat schuilgaan achter een mondkapje. Hij klinkt voorlopig stellig en serieus. ‘Natuurlijk moet je plezier hebben, op tijd de ontspanning zoeken. We ­lachen wat af in de ploeg. Stress is er al ­genoeg in de wedstrijden.’

Na een verblijf van ruim vier jaar in de boezem van Jumbo-Visma, verkiest hij nog altijd het Engels boven het Nederlands. ‘Ik kan spreken beetje Nederlands. Ik snap het behoorlijk, we brengen veel tijd samen door. Maar zelf praten doe ik in het Engels. Nederlands is niet eenvoudig. Het is zeker wat anders dan Sloveens.’ Ziedaar, een twinkeling in de ogen; opgelet, dit is een open deurtje.

Toen het coronavirus het wielrennen lamlegde, stond hij eerste op de wereldranglijst, met onder meer winst in de ­Vuelta. Zijn dominantie zette hij na de hervatting van het wielrennen door, in de Tour de l’Ain, in het Critérium du ­Dauphiné, hoewel hij daarin als klassementsleider op de voorlaatste dag opgaf na een val. In de Tour was er afgelopen dinsdag ritwinst in de allereerste bergetappe. Hij staat tweede, op 3 seconden van de Brit Adam Yates.

Verbaas je jezelf?

‘Het is vooral mooi om te zien dat we met het hele team zo goed zijn. Maar ja, een beetje positief verrast was ik wel. Je verliest na zo’n lange tijd zonder wedstrijden het gevoel met andere renners. Hoe goed zijn die nu? Je hebt tegenstanders nodig om preciezer te weten hoe je ervoor staat. Maar ja, vorig jaar was ik ook niet de slechtste renner, hè. Ik heb al wat jaren achter me als fietser en ik groei nog steeds.’

Je klopte bergop al een paar keer Egan Bernal, de winnaar van de Tour de France vorig jaar.

‘Dat geeft wel vertrouwen, ja. Maar ik ga mezelf geen druk opleggen. Ik moet kalm blijven. Focussen op wat nodig is.’

Jumbo-Visma viste hem eind 2015 op uit het kleine Sloveense team Adria Mobil. Ploegleider Frans Maassen was getipt over een ‘bijzonder geval’ uit Slovenië, een voormalige schansspringer die op de fiets behoorlijk hard reed. Roglic, ­gebeld toen hij op vakantie was in Griekenland, kwam voor een inspanningstest naar Amsterdam en trapte waarden die vergelijkbaar waren met de vedetten uit het team. Maassen, later: ‘We zagen dat hier een Ferrari-motor in lag.’ Onder de testuitslagen lag meteen een contract.

Je bent er nu vierenhalf jaar. Voel je je thuis in het team?

‘Ja. Dit is mijn eerste grote profteam. Zij hebben me de gelegenheid geboden om op het hoogste niveau te racen. En nu draag ik bij aan het succes. Dat maakt het zo mooi: we zijn samen gegroeid.’

Dit seizoen kwam Tom Dumoulin ­erbij, net als jij beoogd kopman voor de Tour de France. Zag je dat als een bedreiging?

‘Nee, niet echt. Ik vond het een goede stap. Als je sterke jongens binnenhaalt, wordt het hele team sterker. We maken ook elkáár sterker. Tom is ook nog eens een sympathieke jongen, hij past ook prima in het team. Ik kan alleen maar aardige dingen over hem zeggen. Ik ben er heel tevreden mee.’

Nederlandse wielerliefhebbers en sommige sponsoren zullen liever Dumoulin in het geel zien dan jou. Hoe ga je daarmee om?

‘Het is simpel: ik heb er geen invloed op. De beste van ons zal winnen. Als we in staat zijn de gele trui te pakken, is dat goed nieuws voor alle betrokkenen. Het houdt me verder niet zo bezig. Ik probeer de beste versie van mezelf te laten zien. Dat is het enige waar ik me zorgen over hoef te maken.’

Wie zie je in Frankrijk als je grootste concurrenten?

‘Hoeveel zijn er niet die in aanmerking kunnen komen voor het geel? Tien? Twintig? Iedereen wil wat bereiken. Op dit niveau zijn er geen slechte renners. Ik ga geen namen noemen. Ik focus op mezelf, mijn taak, het team. Dan kunnen we samen fraaie resultaten bereiken.’

De gretigheid waarmee je koerst, roept geregeld de vraag op of je niet te veel met je krachten smijt. In de Giro van vorig jaar leek het daar in de laatste week wat op.

‘We hebben ervan geleerd, ikzelf, de coach, dat zag je al terug in de Vuelta. Daar ging het goed. Iets meer doseren, wat langer wachten. Maar ik wil nu eenmaal graag winnen. Elke race is een ­bonus. Je weet nooit hoeveel er nog gaan komen.’

Roglic groeide op in Trbovlje, zo’n 60 kilometer oostelijk van Ljubljana. Het voormalige mijnwerkersstadje is vooral bekend door een 362 meter hoge schoorsteen van een kolencentrale, in 1976 opgetrokken om de schadelijke uitstoot verder te verspreiden over omliggende valleien; het is de hoogste van Europa.

Voor de jonge Primoz telde vooral de aanwezigheid van een skischans, op 2 kilometer van zijn huis. Zijn buurman was zijn eerste coach. Met het Sloveense team werd hij in 2007 wereldkampioen. Maar na een zware val in hetzelfde jaar, van de hoge schans in Planica, waar een ski losraakte en hij in volle vlucht de balans verloor, gevolgd door enkele jaren met blessures, besloot hij te stoppen. Hij zag geen toekomst meer in zijn sport.

Op zijn 22ste koos hij voor de fiets. Hij keek op tv altijd graag naar de Tour, zeker als de Alpencols werden aangedaan. Zijn eerste klimwedstrijd reed hij op een mountainbike die hij van zijn buurman had geleend. Hij haalde vervolgens dikwijls het podium, waarna zijn eerste profcontract volgde.

Stoort het je dat je na al die successen op de fiets nog altijd wordt aangeduid als ex-schansspringer?

‘Nee, het is een deel van mijn verleden, van mijn carrière als sporter. Ik ben vijftien jaar schansspringer geweest. Daar ben ik trots op, ik ben ermee opgegroeid. Veel van mijn vrienden doen het nog altijd, ik ga graag kijken naar wedstrijden. Het blijft mooi, om ze zo te zien vliegen, te zien zweven. In Slovenië draait veel om de wintersport. Skiën, biathlon, langlaufen, skispringen.

‘Maar nu ben ik acht jaar wielrenner. Mijn perspectief is veranderd. Als je schansspringer bent, denk je dat schansspringen de grootste sport ter wereld is. Nu ik fiets, denk ik dat wielrennen veel groter is. Slovenen zien mijn succes en dat van Tadej (Pogacar, 23-jarig talent en landgenoot, red.) en beginnen zich dat ook te realiseren. Ze volgen mij intussen ook. Fans zijn al naar de Giro en de ­Vuelta geweest, ze zijn ook in de Tour.’

Kun je nog gewoon over straat in Slo­venië?

‘Ik heb nog wel wat privacy, maar het is aan het veranderen. Iedereen wil een foto of een handtekening. Het fietsen wordt er echt populairder. Mijn vriendin heeft een boek geschreven, Kilometer Zero. Het is net uit. Daarin legt ze uit wat fietsen is, hoe het werkt in een peloton. Zo ontstaat er wat meer begrip. Maar ik verblijf niet zoveel meer in Slovenië, we wonen in Monaco. Daar is echt helemaal niemand geïnteresseerd in wie ik ben. Dat is prima. Dan kan ik gewoon mijn werk doen.’

Er is argwaan ontstaan over het ­succes van het Sloveense wielrennen. Het bloeddopingschandaal rond de Duitse arts Mark Schmidt leidde al tot een schorsing van een renner. Een manager die je kende van vroeger zou ook betrokken zijn.

‘Er zullen altijd twijfels bestaan. Dat mag ook, gelet op het verleden in deze sport. Ik geloof dat er nu een generatie is die overtuigd is van de noodzaak om schoon te presteren. Ik hoop dat het zo blijft. Er wordt veel geïnvesteerd in goede training. We worden veel gecontroleerd. Ik heb niks te verbergen.’

Vind je de scepsis vervelend?

‘Dat valt wel mee. Iedereen kan denken wat-ie wil. Ik kan daar niks tegen ondernemen. Ik kan alleen vertellen wat ik doe en hoe ik het doe. Ik wil zoveel mogelijk een normaal leven leiden. Dat gaat naar wens. Ik ben nu waar ik wil zijn.’

Eddy Merckx zei al na je eerste etappezege in Frankrijk, in 2017, dat hij een toekomstige winnaar van de Tour de France had gezien.

‘O, is dat zo? Mooi! Dank voor zijn mooie woorden. Hij is een groot kampioen. Ja, wat kan ik zeggen? Hopelijk komt zijn voorspelling uit.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden