Nieuwsfietsparadijs Slovenië

Roglic en Pogacar maken duidelijk: de tijd dat Slovenen alleen knechtten is voorbij

Twee wielrenners uit Slovenië zetten de Tour de France naar hun hand, vooral dankzij hun aanleg voor klimmen. Vanaf vrijdag begeven Primoz Roglic (30) en Tadej Pogacar (21) zich weer op hun favoriete terrein. ‘Hun succes is een statistische afwijking.’

Pogacar (links) en Roglic (rechts) strijden op de Col de Marie Blanqu.Beeld Klaas Jan van der Weij

Massaal zitten de Slovenen deze dagen voor de televisie, duimend voor hun landgenoot en geletruidrager Primoz Roglic. Aan enthousiasme ontbreekt het zijn twee miljoen landgenoten niet, vertelt de Sloveense wielerjournalist Miha Hocevar. Aan wielerkennis wel. ‘Veel mensen vragen zich af waarom hij niet meedoet aan de massasprints.’

De televisiekijkers hebben sinds afgelopen weekeinde nog meer reden om zich te verheugen en te verbazen deze Tour de France, want in de Pyreneeën bleek de pas 21-jarige Sloveen ­Tadej Pogacar een van de belangrijkste uitdagers van Roglic, de kopman van Jumbo-Visma. In de komende bergetappes wordt veel van het duo verwacht, de slotklim van vrijdag lijkt ze op het lijf geschreven.

‘Ze worden overal op handen gedragen’, zegt Maaike Boogaard, Nederlandse wielrenner die al enkele jaren uitkomt voor een Sloveense ploeg. ‘Zeker Pogacar is nu de shit.’ Haar ploeggenoot Urska Zigart is de vriendin van het jonge talent. Toen hij afgelopen zondag de tweede Pyreneeënrit won, vierde Zigart het na afloop met hem via Facetime. Boogaard en haar andere ploeggenoten, bezig aan de Ronde van de Ardèche, juichten in de achtergrond mee.

Wielrennen is een veelbeoefende sport in het land, weet Boogaard, die een flink deel van het jaar met haar Sloveense vriend op zo’n twintig minuten rijden van hoofdstad Ljubljana woont, uit ervaring. ‘Soms lijkt het wel alsof ­iedereen een racefiets heeft. Sowieso zijn ze erg sportgericht, in ieder geval de mensen die ik ken. Ze gaan in het weekend met de familie langlaufen, ­hiken of mountainbiken.’

Populariteit

Datzelfde zegt Miha Hocevar, verslaggever bij Delo, de tweede krant van het land. ‘We zijn een buitenvolk.’ De fiets wint al ruim vijftien jaar aan populariteit in Slovenië. ‘Vroeger was alpineskiën hier de nationale sport, maar dat wordt steeds minder.’ Die verandering heeft twee oorzaken, denkt hij. ‘We hebben de laatste jaren steeds prutwinters met nauwelijks sneeuw. En daarnaast is het skiën ook steeds duurder geworden.’

De resultaten van Roglic en Pogacar hebben de opkomst van het wielrennen versterkt. Boogaard: ‘Als ik hier train zie ik allerlei renners in een Jumbo-pakje. Het is echt een hype.’ ­Hocevar: ‘Je merkt het ook op de populaire mountainbikeroutes in de buurt van Ljubljana. Die zijn nu elke dag hartstikke druk.’

De eerste wedstrijd na de coronastop werd georganiseerd door Pogacar. Dat geeft aan hoe hecht het Sloveense wielerwereldje is. De 22-jarige Boogaard won die wedstrijd, de Pokal Tadeja Pogacarja, bij de vrouwen. ‘Het was een klein rondje over een industrieterrein, vergelijkbaar met een criterium in ­Nederland.’ De naamgever zelf werd bij de mannen negende.

Voor elk wat wils

Het land leent zich perfect voor de wielersport, meent Boogaard. ‘Je kunt er super mooi trainen.’ Voor renners is ervoor elk wat wils: van vlakkere gebieden rond de hoofdstad en aan de Adriatische kust tot de serieuze beklimmingen in de Julische Alpen in het noorden van het land.

Mooi fietsland of niet, dat kan het succes van Roglic en Pogacar niet verklaren. ‘Deze twee jongens zijn een ­statistische afwijking’, zegt Hocevar. ‘Er zijn wereldwijd maar een man of vijftien die het in zich hebben om de Tour de France te kunnen winnen. We hoopten al een hele tijd dat wij er één van zouden hebben en nu hebben we er ineens twee.’

Slovenië telt twee miljoen inwoners en slechts negen profrenners. Dat valt in het niet bij de grote wielerlanden. Zo heeft Italië 134 beroepsrenner, en ­Nederland 58. ‘En van die negen rijden er vijf de Tour’, zegt Tomaz Grm, ­voorzitter van de Sloveense wielerbond, trots. Hij heeft voor de lol berekend wat die verhouding zou betekenen voor Italië. ‘Die zouden dan 75 renners in de Tour moeten hebben.’ Het zijn er 16.

Groot verschil

Ook in de breedte is het verschil groot. De Sloveense wielerbond heeft on­geveer 1.600 licentiehouders. De KNWU, de Nederlandse bond, heeft er een krappe 8.000. Toch rijden er dit jaar maar zeven Nederlanders in de Tour, slechts twee meer dan uit Slovenië.

Slovenië is sinds halverwege de jaren tachtig elk jaar wel vertegenwoordigd in de Tour, maar voor Roglic en Pogacar was er nooit een renner die mocht ­hopen op de eindzege. ‘Dat lag ook aan hun mentaliteit’, meent Hocevar. ‘Ze reden nooit voor de overwinning.’ Dat gold breder in de Sloveense sport. ‘We hebben lang het karma van verliezers gehad.’

Het afgelopen decennium vond een omslag plaats. De basketballers werden in 2017 Europees kampioen en er waren individuele wereldtitels voor Janja Garnbret in het sportklimmen, voor motorcrosser Tim Gajser en ­dubbel olympisch goud voor alpineskiër Tina Maze. Tel daarbij de successen van ijshockeygrootheid Anze Kopitar, tweemaal winnaar van de Stanley Cup, en het werd de Slovenen duidelijk dat ook zij grote prijzen kunnen pakken.

In het wielrennen was Janez Brajkovic een wegbereider. Hij won in 2010 de Dauphiné en werd in 2012 negende in de Tour. ‘Toen wist de jongere generatie dat winnen ook tot de mogelijkheden behoorde’, zegt Hocevar. ‘En het wielrennen zelf veranderde ook. Vroeger reden de meeste Slovenen in Italiaanse ploegen waar ze moesten knechten voor Italiaanse kopmannen. Nu niet meer.’

Nationaliteit

De meeste Slovenen zijn tegenwoordig in dienst bij Bahrain-McLaren, ­Pogacar rijdt voor UAE-Team Emirates. ‘Daar maakt het de sponsoren niet uit welke nationaliteit de kopman heeft’, constateert Hocevar. ‘We waren nog wel even bang dat Roglic bij zijn overstap naar Jumbo zou moeten knechten voor Nederlandse jongens, maar dat is gelukkig niet gebeurd.’

Het is lastig om op basis van Pogacar, zevende in het klassement, en Roglic iets over het Sloveens wielrennen in het algemeen te zeggen, vindt de ­wielerjournalist. De twee zijn onderling al onvergelijkbaar. ‘Roglic is een ­fenomeen. Wat hij doet is niet te bevatten.’ Hij was tot zijn 22ste schansspringer en stapte daarna pas op de fiets. ‘Niemand weet hoe goed hij nog kan worden. Ja, hij is al 30, maar eigenlijk is hij nog maar een jonge renner.’

Pogacar is wel echt een product van het Sloveense wielrennen. Hij begon als 9-jarige met fietsen. ‘Hij was geen supertalent’, herinnert Grm zich. ‘Vooral in de criteriums waren er jongens die beter waren. Maar hij was heel erg gefocust. Dat is nog steeds zo. Als hij een koers in gaat, verandert hij volledig. Dat zag je in de Pyreneeën. Daar toonde hij zijn koerskarakter.’

Ideaalbeeld

De fans hebben de twee renners in hun hart gesloten omdat ze voldoen aan het Sloveense ideaalbeeld. ­Hocevar: ‘We hebben de naam harde werkers te zijn en dat geldt zeker voor Roglic en Pogacar. Zij doen alles tot op de millimeter.’ Een ander aspect spreekt hun landgenoten ook aan, weet Grm. ‘Ze blijven bescheiden. Het zijn geen showmannen.’

Zoals altijd wanneer renners plots goede resultaten boeken, duikt die ene vraag op: is er doping in het spel? ­Terwijl Roglic in de Giro van vorig jaar twee etappes won en als derde in het eindklassement eindigde, werd zijn landgenoot Kristijan Koren uit de koers genomen. Zijn naam was op­gedoken in Operation Aderlass, het Oostenrijkse dopingonderzoek naar de Duitse sportarts Mark Schmidt. Ook ­Borut Bozic bleek betrokken.

‘Elk land heeft problemen met ­doping’, zegt Hocevar. ‘Slovenië is geen uitzondering. Maar het is de oude ­generatie die gekke dingen deed. Pogacar en Roglic zijn exponenten van een nieuwe generatie wielrenners.’ Hij wijst erop dat de misstappen van ­Koren en Bozic plaatsvonden in 2012 en 2013. Pogacar was toen 14 jaar oud. ‘En Roglic moest bij wijze van spreken zijn eerste fiets nog kopen.’

Ziet de toekomst voor het Sloveense wielrennen er nu rooskleurig uit? Dat is niet zomaar gezegd, want de basis is smal. ‘En de wielerclubs hebben het moeilijk, zeker qua sponsoring’, zegt Hocevar. Grm bevestigt dat. ‘Dat geldt voor alle sporten in Slovenië. We zijn een klein land en dus is het marketingtechnisch niet zo aantrekkelijk om te sponsoren. Het bereik is tenslotte maar beperkt.’

De opkomst van Roglic en Pogacar is volgens de journalist dan ook niet toe te schrijven aan Sloveens sportbeleid. ‘Hun succes hebben ze aan zichzelf te danken, niet aan het systeem.’ Het is niet te verwachten dat er snel weer twee zulke hoogvliegers zullen doorbreken. Hocevar: ‘We hebben er dertig jaar op gewacht en zullen straks misschien weer dertig jaar moeten wachten. Het is dus te hopen dat ze nog een tijdje mee gaan.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden