Robben, de jongste tovenaar

Arjen Robben betovert de voetbalwereld met zijn dribbels. Voorganger Faas Wilkes: 'Met dat talent word je geboren.' Opleider Ricardo Moniz: 'Alle tactiek vervaagt als je een goede dribbelaar in je ploeg hebt....

Dribbelaars zijn, het kan niet anders, mannen met een ongebreideld zelfvertrouwen. Wie de beste dribbelaar in de geschiedenis van het Nederlandse voetbal is? 'Ik', zegt Faas Wilkes, 81 jaar, onomwonden. 'Moet ik dan iemand anders noemen? Nee toch.'

Dezelfde vraag wordt voorgelegd aan Odilon Polleunis, eigenaar van voetbalschool 'De Dribbelaar' in Sint-Truiden, een naam waarop hij patent heeft aangevraagd. Wie was de beste van België? Na een fractie bedenktijd: 'Ik.' Polleunis was Belgisch voetballer van het jaar in 1968 en begon zijn school omdat het strikt noodzakelijk was om van 'middelmatige spelers betere voetballers te maken'.

Arjen Robben, de pingelende schicht uit Bedum, heeft het flauwe schijnsel van de eredivisie ingeruild voor de felle lampen van de Premiership en de wereld vergaapt zich aan de net 21-jarige Groninger.

Met de bal aan de voet bereikt hij een bijna hogere snelheid dan zonder. Hij is een artiest die, onvervaard, dwars door linies snijdt. Achteloos loopt hij tegenstanders voorbij, wiegend met de heupen. Hij laat ze achter als wiebelende poppetjes op een subuteo-spel.

Als dribbelaar kan Robben net zo'n fenomeen worden als Cruijff, zei Tottenham-trainer Martin Jol onlangs, een uitspraak die breed werd uitgemeten, omdat de nuance verloren ging. Want voetballen is meer dan dribbelen.

Doch Robben wordt bewierookt. The Independent, na de demonstratie van de Groninger afgelopen zaterdag tegen Portsmouth: 'Robben, reeds genoemd als Voetballer van het Jaar, is gezegend met de gave om op volle snelheid met de bal te rennen, terwijl hij het overzicht houdt.'

The Sunday Telegraph: 'Op de dag voor zijn 21ste verjaardag liet Robben zien waarom hij de beste flankspeler sinds George Best kan worden.'

En The Sunday Times: 'Robben was uitmuntend en, nog meer dan een linksbenige vleugelspeler, een spelmaker die vanaf de flanken opereert, een danser met volledige controle over de bal.'

Sinds Robben zich na een blessure in het elftal van Chelsea voegde, is de ploeg veranderd van een stroef draaiende machine tot een winstgevende doelpuntenfabriek. De dribbelaar is de beslissende factor in het collectief van trainer Mourinho.

De geschiedenis van het voetbal herbergt een interessante omkering. Voetbal begon in de negentiende eeuw als een spel voor dribbelaars. Een speler ging lopen met de bal en passeerde tegenstanders, totdat hij de bal kwijt was. Dan probeerde een ander hetzelfde. Zo was elk kind immers ook met voetbal begonnen. Al dribbelend. Volgens de geschiedschrijvers is Queens Park uit Glasgow de eerste club die the passing game naar behoren uitvoerde, waarmee het spel een ander karakter kreeg en dus ook de status van de dribbelaar veranderde.

Hij werd een uitzondering, een zonderling soms. De piepjonge Faas Wilkes hoorde als jongetje van scheidsrechter Nijs dat hij de bal eens moest afgeven, want voetbal was een gezelschapsspel. Wilkes was boos en huilde. Toch trok hij zich later weinig aan van de kritiek. Hij vertelde bij Oranje eens aan teamgenoot Abe Lenstra dat die niet zo moest mekkeren als hij dribbelde. Immers: als Wilkes vier man passeerde, waren er nog maar zeven tegenstanders over.

Wilkes: 'Dribbelen was mijn specialiteit, meer dan bij Cruijff. Het gaat om de combinatie van schijnbewegingen en snelheid. Je maakt een beweging, de tegenstander gaat de ene kant op, en dan ga jij op snelheid langs de andere kant voorbij. Dat gaat automatisch. Nee, je moet daarbij niet nadenken, want dan ben je te laat.'

Elke periode kent zijn eigen dribbelaars en ze bestaan in alle soorten en maten. De een profiteert vooral van zijn snelheid, een ander heeft prachtige passeerbewegingen, een derde mengt alle aspecten tot een cocktail die verdedigers tot wanhoop kan drijven.

De een opereert puur vanaf de vleugel, de ander speelt dwars door het centrum defensies kapot. Robben komt van overal en nergens. Matthews, Albert, Puskas, Gento, Cruijff, Rensenbrink, Keizer, Moulijn, Van de Kerkhof, Futre, Rui Costa, Ginola, Vanenburg, Ling, Best, Dzajic, Jesper Olsen, Conti, Six, Littbarski, de broers Laudrup. Allemaal dribbelaars en elke liefhebber kiest zijn favoriet, op puur subjectieve gronden.

'Vergeet Bertus de Harder niet', aldus voormalig sportcommentator Herman Kuiphof. 'Bertus is voor mij pure romantiek, omdat ik hem van dichtbij heb meegemaakt. Als jongen ging ik naar VUC kijken en daar was hij de held.'

De dribbelaar van tegenwoordig is van iedereen. Elke schijnbeweging van Ronaldinho, Cristiano Ronaldo, Robben, Joaquin of Duff is op televisie. En de dribbelaar is tegenwoordig vrij zeldzaam, want voetbal is geëvolueerd tot teamsport en verdedigers zijn gewiekst en fit als atleten. Zelfs in Volendam, het dorp van Johan Steur, van Billie 'Sportje' Bond, van Jan 'Barre' Molenaar en al die anderen die de bal aan een touwtje meevoerden, zelfs daar heeft dribbelen geen hoogste prioriteit meer.

De 65-jarige trainer in ruste Ben Steur staat bijna elke dag naar de jeugdtraining te kijken. Hij schudt soms meewarig het hoofd. Kaatsen is heilig. Trainers leggen het spel dood als iemand probeert aan paar man te passeren. 'Bedroevend.'

Een anekdote dan. Steur herinnert zich een finale van het Zilveren Bottertoernooi voor jeugd:

Volendam -Club Brugge. Pier Tol, later international en sterspeler van AZ'67, had het warm en vroeg of hij naar de kleedkamer mocht. 'Eerst twee keer scoren', gebood Steur. Wat deed die dekselse Tol? 'Hij ontfermde zich over de bal, passeerde vanaf de middenlijn drie, vier man en scoorde. En dat twee keer binnen vijf minuten. Terwijl wij juichten om de zege, was Pier verdwenen. Hij stond onder de douche.'

In een anekdote is de macht van de dribbelaar samengevat. Hij kan iets wat niemand anders kan, dat hem op de ene dag boven gewone stervelingen doet uitstijgen. En op de andere dag, als alles mislukt of als hij zijn specialiteit overdrijft, maakt hij zijn ploeggenoten gek van woede of onbegrip.

De dribbelaar weet meestal ook niet precies wat hij doet. Op papier staat het zo droog. Woordenboek Van Dale: 'Al lopende de bal aan de voet houden, zó dat hij voortdurend onder controle blijft.' Faas Wilkes: 'Met het talent voor de dribbel word je geboren.' En Arjen Robben, in een serie vorig jaar in de Volkskrant: 'Ik heb niet echt een beweging. Het is dreigen, kijken wat de tegenstander doet, en dan erlangs. Ik ben behoorlijk snel en met techniek kun je passeren.'

Matthews was geniaal, Garrincha geniaal gek, Rensenbrink was niet eens supersnel, maar kronkelde als een slangenmens door de vijandelijke linies. Jan Mulder, oud-voetballer en columnist: 'Je hebt dribbelen en dribbelen. Rechtdoor, zoals Cruijff deed, dat is de kunst. Dreigen, met schijnbewegingen tegenstanders op het verkeerde been zetten, en dan toch bijna rechtdoor gaan.'

Tempowisselingen binnen de dribbel zijn van belang voor het welslagen. 'George Best was misschien de beste', oordeelt Mulder, die ook tal van anderen noemt. Stan Libuda, een Duitser, de Flankengott im Ruhrpott. 'En Polleunis, kan ik bevestigen, was de beste van België. Ik mocht hem niet zo. Hij dribbelde echt om het dribbelen. Daarom heet zijn school natuurlijk ook zo.'

Cruijff wordt luid bezongen door Mulder: 'Hij hield in en vertrok weer. Hij schakelde heel even het licht uit om het meteen daarna weer aan te doen.'

Nederlanders zijn dribbelaars, Britten soms, Portugezen, Brazilianen en Argentijnen. Duitsers zijn geen dribbelaars. Duitsers houden van schieten.

Het doelpunt van Maradona tegen Engeland in de kwartfinale van het WK in 1986 is de Moeder aller dribbels. Ronaldo, als tiener veel meer een dribbelaar dan de wat luie spits van tegenwoordig, raakte de bal in een superbe loop vanaf eigen speelhelft dertien keer, alvorens hij voor Barcelona scoorde tegen Compostela. George Weah pikte de bal tegen Verona op in eigen strafschopgebied, om vrijwel iedereen te passeren en snoeihard in te schieten. Het is misschien de allermooiste bekroonde dribbel, uit 1996. Naarmate voetballers ouder worden, gaan ze minder dribbelen. Maradona als tiener, bij Boca Juniors in Argentinië: weergaloos.

Ricardo Moniz, trainer van de Ajeugd van PSV en docent in de Wiel Coerver-methodiek, wijst op de dribbel van Cruijff die leidde tot de strafschop in de WK-finale van 1974. Het wonder voltrok zich reeds vlak na de aftrap, toen de Duitse linies nog gesloten waren. 'Hij stak de lengteas van het veld over. Dat was zo knap. Even stilstaan, accelereren, gaten slaan in de linies. Alle tactiek vervaagt als je een goede dribbelaar in je ploeg hebt. Dat is het mooiste van voetbal.'

Voor Moniz bestaat geen discussie over wie de beste dribbelaar aller tijden is: Cruijff dus. 'Cruijff had twee dribbelbenen en hij gebruikte daarbij beide buitenkanten van de voet. Dat kon niemand. Hij kon ontwijken als geen ander. Een dribbelaar voelt aan hoe het standbeen van de tegenstander staat. Dat is de kunst: voelen, ontwijken, over de bal blijven kijken, de diepte in het spel zien, de volledige regie voeren, en dan ook nog weten waar de beste afspeelmogelijkheid is.'

Of Robben net zo goed kan worden als Cruijff, durft hij niet te beweren. Moniz: 'Hij moet het nog bewijzen op het hoogste niveau. Hij heeft op Euro 2004 nog niet beslissend kunnen zijn met zijn dribbels. Zijn spel kan ook nog gevarieerder.'

Mulder: 'Robben is een fenomeen. En kijk eens naar die spieren. In zijn dijen heeft hij dezelfde spiermassa als Cruijff. Kabels zijn het.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden