Reiken naar de goden

Morgen wordt de Ronde van Vlaanderen verreden. Rik Vanwalleghem maakte daarover een boek: 'Het wonder van Vlaanderen'. Het werd een boek over hebzucht en onbaatzuchtigheid, over lafheid en durf....

BIJ DE receptie van Het Nieuwsblad in Brussel vraagt Rik Vanwalleghem, adjunct-hoofdredacteur van die krant: 'Gaan we naar spreekkamer 1, 2 of 3, of zullen we naar het café verderop?'

De intonatie laat geen keuze, zodat Vanwalleghem tien minuten later de brand in een sigaartje jaagt, zich een glas uit het vat Corsendonk laat volschenken en zegt: 'Gij en ik in elk geval zijn doordeweekse kakkers.'

Ter verduidelijking: doordeweekse kakkers zijn mensen die alles met mate doen, ook in de bevrediging van hun eerzucht. Zondagse kakkers, meer bepaald de sportmensen onder hen, zijn daarentegen van een geheel ander slag. Hun eerzucht is grenzeloos.

Op de door hem zelf opgeworpen vraag hoe groot het karakter van een sportmens kan zijn, zoekt Rik Vanwalleghem het antwoord in de persoon van wielrenner Johan Museeuw. 'Want het zijn altijd uw antipodes die u bewondert', zegt hij. 'Maar begrijp me goed, ik val er niet plat voor achterover.'

De erelijst van Museeuw is geen aansporing om een pintje (maar niet te veel) of een sigaartje (maar niet te vaak) te versmaden. Voor een doodgewone kakker is geluk heel gewoon en bovendien eenvoudig bereikbaar. Aan de andere kant: les gens heureux n'ont pas d'histoire.

En als Johan Museeuw iets heeft, dan is het een levensgeschiedenis. Veel gewonnen in zijn loopbaan, vorig jaar na een valpartij op de intensive care beland, bijna geen coureur meer geweest, bijna zelfs een been kwijt geweest en dan toch die onblusbare wil om terug te komen. Rik Vanwalleghem noemt dat abettant, verbazingwekkend.

'Er is een professor geweest, ik ben zijn naam kwijt, die de schitterende stelling heeft gelanceerd dat negentig procent van de topsporters manisch depressief is. Ik denk het ook. Die gasten hebben iets dat niet helemaal juist is. Waarom die mannetjesputterij? Mocht ik Museeuw zijn, goedverdoeme, dan zou ik wel weten wat ik moest doen.'

Dat zou zijn: leven als een gewoon mens met de luxe van een goedgevulde portemonnee. Maar Johan Museeuw is een buitengewoon mens. 'Jaja, er scheelt iets aan. Wat drijft die klootzak nou nog? Die vent is ziek in zijn kop. Maar pas op, tegelijkertijd is hij groot daarin.'

We besluiten nog wat te bestellen en Vanwalleghems boek over de Ronde van Vlaanderen komt op tafel. Liever gezegd: zijn tweede boek over de Ronde van Vlaanderen komt op tafel.

Het eerste, dat in 1991 verscheen, was getiteld naar zijn onderwerp en vooral bedoeld voor de wielerliefhebber. Het tweede, eind vorig jaar verschenen, heet Het wonder van Vlaanderen en vertelt veel over de sociaal-culturele plaats van de Ronde in de Vlaamse geschiedenis.

Het wonder van Vlaanderen wil daarnaast, in de woorden van zijn schepper, een blikopener zijn. 'Om te komen bij de fundamentele dingen van de mens zelf, hoe de mens georganiseerd is.'

Rik Vanwalleghem wil zijn Vlaams wonder niet vergelijken met de Odyssee van Homerus. Maar de universele thema's, zoals die in de literatuur worden behandeld, zie je terug in de sport en zeker in de Ronde.

In een zware en belangrijke koers als de Ronde van Vlaanderen bladdert het laagje vernis van de deelnemende mens af. Hij toont zich in zijn elementaire staat. 'In negatieve zin is dat: verraad, lafheid, hebzucht. In positieve zin: kameraadschap, onbaatzuchtigheid, durf, trotseren van gevaar. Laten we een beetje bombastisch zijn, want dat hebben jullie graag in Nederland: de mens die reikt naar de goden en probeert zichzelf te overstijgen.'

Eén dag per jaar wordt tussen startplaats Brugge en aankomstplaats Meerbeke het leven met de grote L geleefd.

- Waarom uitgerekend in die wedstrijd?

'Omdat het er de wedstrijd voor is. Je voelt dat bij de volgers, de persmensen. Vlinders in de buik. Je weet dat de renners anders aan de start verschijnen dat in de Brabantse Pijl. Het is authentiek, het is d'rop of d'ronder. Hier wordt de rangorde bepaald, in al zijn lelijkheid, in al zijn glorie, in al zijn leepheid.'

We bladeren naar het door de Nederlandse wielerjournalist Peter Ouwerkerk geschreven hoofdstuk over Jan Raas. De tweevoudig winnaar vertelt daarin dat hij altijd alles wist van zijn tegenstanders. 'Ik wist precies hoe ze reden, of ze ziek waren, of er scheve verhoudingen binnen de ploeg waren. Dat anderen dat niet deden, vond ik onbegrijpelijk. In andere takken van sport gebeurt het toch ook.'

Zelfs als een concurrent privéproblemen had, wist Raas ervan. 'Ik heb eens met iemand weggezeten in een grote klassieker, die had problemen thuis. Die kon dus nooit zo geconcentreerd zijn dat hij mij ging kloppen. Heeft-ie ook niet gedaan.'

Vanwalleghem: 'Ik vind dat fantastisch. Het is toneel, het is opera, het is dat al bijeen. Je kunt het wel hebben over versnellingen, over 52x12, maar daar gaat het niet om in de sport. Dat is voor de freaks. Het gaat om het drama.'

De 46-jarige Rik Vanwalleghem was ruim tien jaar wielerverslaggever voor Het Nieuwsblad. Daarna nam hij zitting in de hoofdredactie en, uit hoofde van die functie, ook in de stuurgroep Ronde van Vlaanderen. Zijn krant organiseert elk jaar de wielerronde die 'de wortels van een volk blootlegt', zoals hij in zijn voorwoord schrijft.

DE Ronde van Vlaanderen was in het begin van deze eeuw het initiatief van Karel Steyaert, alias Karel Van Wijnendaele, hoofdredacteur van het dagblad Sportwereld. Op 25 mei 1913 weerklonken voor de eerste keer zijn legendarische woorden Heeren, vertrekt.

De Ronde was niet alleen een 'promotionele kruiwagen' voor Sportwereld, maar diende ook om flandriens, die 'rauw vleesch etende mensen', een passend decorum te geven. De flandriens hadden tot dan de wielerbanen onveilig gemaakt, maar volgens Van Wijnendaele zouden ze in het wild beter tot hun recht komen.

Maar in feite diende de Ronde van Vlaanderen een nog hoger doel. Van Wijnendaele wilde de Vlamingen met zijn wielerronde iets geven om trots op te zijn. 'Ik heb getracht bij middel van de sport ons laagliggend volk omhoog te duwen.' Behalve journalist, koersorganisator en ploegleider was Karel van Wijnendaele misschien in de eerste plaats wel een zendeling.

Internationaal stelde de Ronde van Vlaanderen voor de Tweede Wereldoorlog nog weinig voor, maar in Vlaanderen bleek het na een aarzelende start een voltreffer. Vlak voor het begin van de Tweede Wereldoorlog kwam Sportwereld, dat het aanmerkelijk minder goed deed, in handen van Het Nieuwsblad dat daarmee tevens beslag legde op de Ronde.

Onder de nieuwe leiding ging de Ronde in de jaren vijftig ook internationaal meetellen. Dat was overigens te danken aan de goede contacten van de nog steeds actieve Van Wijnendaele met Henri Desgranges, organisator van de Tour.

Karel van Wijnendaele verenigde in één persoon de karaktertrekken die een initiatief als de Ronde kon doen welslagen. 'Als het alleen een goed schrijver was geweest, en geen organisator, of pr-mens, dan was het niet gelukt', aldus Vanwalleghem.

Na de dood van Van Wijnendaele in 1961 was er een team nodig om de klus te klaren. Ook collectief werkte de formule. Vanwalleghem: 'We zijn steeds op de juiste wagon gesprongen. Dat is, denk ik, het geheim van het succes.

'In de jaren vijftig werd al voorzien dat tv het nieuwe medium zou worden. Nu lijkt dat volstrekt normaal, maar toen was dat bijzonder. Televisie leek aanvankelijk alleen iets voor de gegoede klasse te zullen zijn.'

Toch heeft de Ronde zich pas in de laatste decennia ontwikkeld tot algemeen Vlaams cultuurbezit. Wielrennen was lange tijd iets van het gewone volk. Alleen 'Heimatschrijvers als Claes' lieten de Ronde in hun boeken wel eens voorbij trekken.

Van Walleghem constateert met genoegen dat Walter van den Broeck nu een toneelstuk over de Ronde heeft geschreven en dat ook andere kunstenaars haar serieus nemen. 'En dan gaat het ook echt over de Ronde.' Dat wil zeggen: niet over de wedstrijd op zich, maar wel over het elementaire karakter en wat dat bij de deelnemers teweeg brengt.

A LS spektakel is de Ronde volgens Vanwalleghem het best vergelijkbaar met de Elfstedentocht. 'Ook met een niet-rationele dimensie, zodat de mensen denken: that's it. Daar is het te doen.'

In elk geval is de Ronde folkloristischer geworden dan Van Wijnendaele er destijds mee voor ogen stond. Van Walleghem: 'Van een Vlaamse reflex is allang geen sprake meer. Ik wil daarmee niet zeggen dat het een soort carnaval is geworden, maar de Ronde is wel een excuus om een goede pot te pakken. Om weg te zijn, om onder vrienden te zijn.'

Als de Ronde er toch nog in slaagt de wortels van een volk bloot te leggen, dan doet ze dat in de weerspiegeling van haar decor: de elementaire natuur waarin dat volk woont. 'Noest, koppig, zwijgzaam, verbeten, maar onmondig', aldus Vanwalleghem in zijn voorwoord.

'Je moet de overdrijving eraf pellen en naar de essentie gaan, naar het wroeten, naar het nurkse van de Vlamingen. En vergeet niet dat de Ronde van Vlaanderen in feite de Ronde van de Vlaanderens is, van Oost- en van West-Vlaanderen. Ik ben zelf een West-Vlaming en die heeft hier in Brussel het imago van altijd maar doorwerken. Zaterdag of zondag? Niet naar kijken, doorwerken.

'Dat beeld zie je bevestigd in het landschap, in de zware luchten ook. Het is de Vlaming die nooit uitbreekt naar de wereld. Ik denk dat wij met de Ieren de minst bereisde bevolking van Europa zijn. Maar wel enorme villa's bouwen. My home is my castle. Bewijzen van wat je bereikt hebt. Ook dat zie je terug in de Ronde.'

- Nochtans schrijft radioreporter Jan Wauters in een bijdrage dat de Ronde een geromantiseerd beeld geeft van Vlaanderen, een Vlaanderen dat niet meer bestaat.

'Het is geromantiseerd omdat het oubollig is. Scheefgezakte boerderijen en dat soort dingen. Dat is voorbij. Het meeste van Vlaanderen is natuurlijk wel meegegaan in de wereld. Maar de hindernissen die wij zoeken, zijn op de grote wegen niet meer te vinden.

'Eerlijk gezegd heb ik soms het gevoel dat het in de buik van Oost-Vlaanderen een beetje bewerkelijk wordt. Het is lastig om een alternatief te vinden, maar je moet niet te vaak langs hetzelfde punt komen. Ik plaats me dan toch ook een beetje in de positie van de renners. Die zullen denken: ze spelen hier met ons voet. De Ronde mag geen soortement kermiskoers worden. '

Rik Vanwalleghem heeft overigens nog geen enkele reden om aan de status van de Ronde te twijfelen. 'De massa denkt in iconen. De fonteinen van Rome, de piste van Parijs-Roubaix. En zo heeft de Ronde van Vlaanderen ook zijn eigen perceptie. Strontweer, scheefgewaaide bomen, afgrijselijke landschappen. Dat zijn dingen die een mens kan bevatten, dingen die in het collectieve geheugen worden vastgelegd.'

- Als Johan Museeuw deze Ronde wint, is hij de eerste die dat vier keer deed. Zal hij daarmee herinnerd worden als de Ronderenner van de twintigste eeuw?

'Nu nog niet, maar misschien over twintig jaar wel. Hij zal de kleur, de patine van de overlevering, nodig hebben. Het zou natuurlijk een ongelooflijke prestatie zijn, maar nu is het nog te vers. Het vergrootglas van de legendevorming zit er nog niet op.

'Vier keer winnen op zich is ook niet genoeg. Het tweede element is hoe en het derde element is de aandikking. Dat mensen over twintig jaar gaan zeggen: ik heb Museeuw nog zien rijden. Het heeft ook te maken met het algemene beeld dat blijft hangen. En bij Museeuw heb ik nu nog niet het idee dat alles zo bijeen komt en dat is het voedsel van de collectieve geest op termijn.'

We plaatsen een laatste bestelling en proosten op een verschrikkelijke vierde van Johan Museeuw.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden