Overheid bepaalt ruimte van mogelijkheden sport

De dynamiek van sport als aanjager van een op veel plaatsen vastgelopen samenleving. De sport taxeert haar kansen, de overheid bepaalt het raam van nieuwe ambities.

Poul Annema

Binnenkort spreekt het kabinet zich uit over het Olympisch Plan 2028. Al maanden borrelt onder de Nederlandse sport het intrigerende idee dat olympische koorts het land naar een sportief en sociaal nieuwe belevingswereld kan loodsen.

De vraag is of de overheid bereid is zich financieel te verbinden aan dit avontuur. De dynamiek van sport en bewegen, kortom, als gangmaker voor nieuw elan.

Het eindpunt van de reis door de toekomst ligt in 2028, bij de organisatie van de Olympische Spelen. Onderweg moet, in 2016, een klimaat worden achtergelaten waarin sport de aanjager is van maatschappelijke vernieuwing.

‘Heel Nederland op olympisch niveau’, luidt de slogan van de missie. De waardering voor sport en sportprestaties in Nederland groeit, zo bleek uit een onderzoek van hoogleraar sportontwikkeling, Maarten van Bottenburg. Maar de verenigingscultuur, de kurk waarop deze sport drijft, staat, ondanks zijn gebleken meerwaarde, onder druk.

Uit de jaarlijks door het Mulier Instituut uitgebrachte Verenigingsmonitor blijkt dat nog geen 10 procent van de grote sportclubs in staat is zijn traditionele waarde (wedstrijden en trainingen) te combineren met maatschappelijke activiteiten. Dat laatste gaat van naschoolse opvang tot het ontwikkelen van lifestyle-programma's.

Een gezonde levenswijze moet de standaard zijn, zegt Olympisch Plan 2028, om enerzijds bewegingsarmoede en obesitas terug te dringen en anderzijds burgers vitaal en geestelijk scherp te houden.

Zonder professionalisering van zowel technisch als bestuurlijk kader en verbetering van de sociaal veilige omgeving en infrastructuur dreigen de sportverenigingen vast te lopen.

Op tafel ligt het NOC*NSF-voornemen om in 2016 minimaal 75 procent van de Nederlanders op de één of andere manier aan sport te laten doen. Dat vraagt om passend sportaanbod, voor jongeren maar ook voor de ouderen in de snel vergrijzende samenleving.

Op twee aan dit onderwerp gewijde bijeenkomsten deze week viel één gemeenschappelijke conclusie te trekken: het bewegingsonderwijs in Nederland is volstrekt onvoldoende. Met gemiddeld negentig minuten per week lichamelijke activiteit in het schoolrooster voldoet Nederland niet aan de internationale maatstaf. Dat het anders moet, is al jaren onderwerp van de discussie waarin Onderwijs en VWS elkaar vinden in allianties, maar nooit in sluitende afspraken.

Deze week nog stelde NOC*NSF-voorzitter Erica Terpstra alles in het werk om staatssecretaris Bijsterveld ervan te weerhouden haar plan om 'vitaal burgerschap' uit het rooster van het mbo-onderwijs te schrappen.

Van Bottenburg betoogt dat juist het bewegingsonderwijs kan bieden wat de sportvereniging niet kan: een palet van beoefeningsvormen. Gesteund door wetenschappelijke bevindingen stelt hij vast dat een brede sportoriëntatie aan de basis staat.

Intensivering van het bewegingsonderwijs vergroot niet alleen het motorische vermogen van kinderen, maar ook het atletische. Dat sluit aan bij de ambitie op een plaats in de Top 10 van de wereld. In het veld van de grootmachten is die uitdaging onvervulbaar op basis van financieel-economische potentie of de macht van het getal.

‘We zullen slimmer moeten zijn dan de rest', concludeert technisch directeur Maurits Hendriks van NOC*NSF. Dat 20 procent van de Nederlandse topsporters zegt af te haken vanwege blessures, is een signaal waaraan niet kan worden voorbijgegaan.

Ook heeft de nieuwe kopman van de Nederlandse topsport erop gewezen dat de sport-index een belangrijker ijkpunt moet zijn dan de vaak in een paar sporten veroverde medailles. De cijfers wijzen uit dat topsporters met 70 procent van het minimumloon voor 32 uur hard werken op inkomensniveau laag zijn ingeschaald.

Dat levert een spanningsveld op in het beoogde klimaat van excelleren, waarin Hendriks de contouren wil aanscherpen met een afrekencultuur.

Onder de motto’s ‘Weg met de zesjescultuur’ en ‘Wie niet goed genoeg is, wegwezen!’ klinkt een nieuwe reveil van de topsport. Nederland moet zich, met steun van de overheid, in 2016 met een onvervalste sportcultuur profileren als een waardige kandidaat voor de organisatie van de Olympische Spelen in 2028.

De sport taxeert haar kansen waar de overheid uiteindelijk zal bepalen tot hoever de grenzen van ambitie reiken. Totaal onverschillig kan ze niet zijn, nu de effecten van verantwoorde sportbeoefening voor individu en samenleving vaststaan.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden