NieuwsNationaliteit in sport

Overdreven opwinding over het wisselen van nationaliteit in de topsport

Slechts 8,2 procent van de olympische deelnemers uit elf geselecteerde immigratielanden vertegenwoordigde, bij de Spelen van Rio (2016), een andere natie dan hun geboorteland. 

Ted-Jan Bloemen in de Gangneung Oval na de 10.000 meter op de Olympische Winterspelen van Pyeongchang. Beeld ANP

De Nederlandse onderzoeker Joost Jansen komt in zijn proefschrift ‘Wie kan de natie vertegenwoordigen?’ tot de conclusie dat ‘het wijdverspreide idee dat landen in toenemende mate vertegenwoordigd worden door atleten die geboren zijn in andere landen’ een overdreven voorstelling van zaken is.

Het aandeel van die soms als ‘strategisch denkende huursoldaten’ omschreven sportmensen in het olympische deelnemersveld schommelt sinds de telling van Londen 1948 tussen de 6,2 procent en 8,2 procent (2016). Jansen, donderdag promoverend aan de Erasmus Universiteit, meent te onderscheiden dat het aandeel van migrerende sporters zelfs aan het afnemen is. Er is zeker geen sprake van stijging, is zijn waarneming.

De uitschieter, over elf gemeten landen, was die van de Spelen van Londen 2012, met 9,2 procent van ‘in het buitenland geboren’ sporters. Dat kwam met name door de Britse thuisploeg die 61 deelnemers met een migratieachtergrond telde, onder hen de befaamde hardloopkampioen Mo Farah, een geboren Somaliër. De ‘Plastic-Brits’, als namaak-Britten neergezet door het populistische tabloid Daily Mail, vormden het begin van Jansens onderzoek. Er was een golf van vooral negatieve krantenpublicaties in dat jaar.

Het koloniale verleden van Groot-Brittannië, met zijn Gemenebest van West-Indië tot India, zorgde voor relatief hoge cijfers. Nederland levert met een koloniale geschiedenis en de recente instroom van gastarbeiders in die vergelijking ook al hoger dan gemiddelde cijfers. Jansen: ‘In 1952, bij de Spelen van Helsinki, was het aandeel in onze nationale ploeg zelfs 14,4 procent, maar dat had toen vooral met ons juist voorbije Nederlands-Indië verleden te maken.’

In 2004, ’08 en ’12 piekte Nederland boven het gemiddelde van de elf onderzochte landen uit. Op rij: 12,4, 11,0 en nog eens 11,0 procent. Er waren oorzaken. De honkbalploeg (24 man sterk) bijvoorbeeld had een hoog Antilliaans gehalte. In 2016, met ‘witte’ ploegen als het handbalteam en de volleybalploeg, zakte het aandeel met een nieuw verworven Nederlands paspoort naar 6,8 procent, 1,4 procent onder het gemiddelde van Jansens statistiek, met inbreng van typische immigratielanden als Australië, Canada (23,7 procent in 1968) en de VS.

Jansen had graag willen beschikken over de cijfers van een wegens import van topsporters bekritiseerd land als Qatar. Die heeft hij niet weten te krijgen. Hij zegt overigens alle begrip te hebben voor de Afrikaanse hardlopers die voor een Qatarees bestaan kiezen. ‘Het is logisch dat Kenianen strategisch kiezen. Het is het beste ervan maken in jouw leven, van jouw carrière. Hun enige kans. Geef ze dan eens ongelijk.’

Jansen, met een droge conclusie over de opwinding die in het westen bestaat over het wisselen van nationaliteit: ‘Als 8 procent het door mij gemeten gemiddelde is, dan betekent het dat verreweg het grootste deel van de topsporters gewoon blijft uitkomen voor het land waar ze geboren zijn.’

Het oversteken van land naar land wordt, naar Qatarees voorbeeld, vaak uitgelegd als het commercieel uitbuiten van het eigen talent. Slechts ‘een kleine fractie doet dat’, aldus Jansen. De Rotterdammer maakt duidelijk dat er veelal heel andere redenen aan ten grondslag liggen: werk, studie, liefde, familieband. ‘En soms is het de druk van een beperkte kans op olympische deelname. Dat een land slechts twee schaatsers per afstand mag afvaardigen. Dan gaat die derde schaatser, zoals Ted-Jan Bloemen met zijn Canadese geboortebewijs, dat andere paspoort benutten. En dan wordt hij olympisch kampioen 10 kilometer.’

Het oversteken van land naar land is volgens Jansen van alle tijden. ‘De wereldvermaarde voetballer Alfredo di Stefano kwam tussen 1947 en ’62 voor drie verschillende landen uit: Argentinië, Colombia en Spanje.

Die tijd van ‘veelwijverij’ is in het voetbal voorbij. Toen Hakim Ziyech, in bezit van een dubbelpaspoort, zijn eerste interland voor Marokko had gespeeld, wist hij dat hij nooit meer voor zijn geboorteland Nederland zou kunnen uitkomen. Jansen: ‘Vraag me niet waarom, maar de regels zijn in de olympische sporten veel soepeler dan in voetbal. Officieel hanteert het IOC, het Internationaal Olympisch Comité (IOC), een overstappauze van drie jaar. Maar als beide federaties het eens zijn, dan kan het heen snel gaan. Mathieu van der Poel, ik heb hem op de cover van mijn promotieonderzoek gezet, is in België geboren. Hij zou volgende week, in theorie, als beide bonden akkoord zijn en hij over de juiste documenten beschikt, voor dat land kunnen uitkomen. Maar ook voor Frankrijk eventueel, omdat zijn moeder Francaise is.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden