Oud-topsporter Robert de Wit: 'Na topsport sterft een deel van je af'

Na de winterspelen: Robert de Wit (55)

Welk pad bewandelden voormalige olympiërs na hun topsportcarrière? Deze week: Robert de Wit (55) was bobsleeër op de Olympische Winterspelen van 1994. Als tienkamper had hij al twee Olympische Zomerspelen achter zijn naam staan. Nu is hij eigenaar van een bedrijf in systeembeheer.

Robert de Wit Foto Jiri Buller

'Als tienkamper ervoer ik veel druk. Er kon zo veel misgaan op die verschillende onderdelen. Dat risico lag bij bobsleeën veel lager, want zoiets als een valse start, waardoor je toernooi in één klap voorbij kon zijn, bestaat in die sport niet. Rob Geurts had me als remmer gevraagd in zijn tweemansbob. Ik moest ervoor zorgen dat de bob de eerste 50 meter zo hard mogelijk werd aangeduwd en op het einde moest ik op tijd aan de rem trekken. Lomp en sterk zijn, daar kwam het in feite op neer. Heel overzichtelijk.

'Als tienkamper had ik de Spelen van Seoul en Barcelona meegemaakt, in de zomer. Dat was massaal en hectisch. Lillehammer was bijna idyllisch, we zaten in zo'n knus wintersportdorp, waar iedereen met ski's rondliep of in dikke wintersportpakken wandelde. Om eerlijk te zijn: het had voor mij niet de impact van de Zomerspelen. Die atleten in Lillehamer waren ongetwijfeld de beste in hun sport, maar ik miste de druk, het echt moeten presteren, van de Zomerspelen. We eindigden als 24ste.

Ouderwetse ruilhandel

'Misschien kwam het ook doordat ik er anders in stond. Voor mij waren de Winterspelen nog een cadeautje, aan het einde van mijn carrière.

'Na Lillehammer ben ik gestopt. Het is altijd mijn frustratie geweest dat ik niet van de topsport kon leven. Er wordt heel veel verdiend aan de Spelen, maar de atleten zelf blijven meestal bekaaid achter. Om toch wat geld in het laatje te krijgen, heb ik op een gegeven moment een boek over programmeren gekocht. Ik dacht: dat lijkt me wel leuk en het kost weinig energie naast mijn trainingen.

'In ruil voor gratis behandelingen ben ik toen software gaan ontwerpen voor fysiotherapeuten en manueel therapeuten. Een ouderwetse ruilhandel. Na verloop van tijd kreeg ik steeds meer klanten. Dat ik als topsporter genoodzaakt was om er iets bij te doen, bleek dus achteraf mijn redding. Het zwarte gat heb ik nooit gezien.

Eergevoel

'Ik doe dit werk sinds 1998. Ik vind het fijn eigen baas te zijn, zonder vast personeel. Een baan van 9 tot 5, met iemand boven me, zou echt niet werken. Daarvoor was ik te veel gewend aan mijn vrijheid. In al die jaren heb ik nog nooit hoeven zeggen tegen een klant: dit probleem heb ik niet kunnen oplossen. Ik blijf net zo lang puzzelen tot ik weet wat het probleem is. Misschien is dat wel mijn valkuil, dat eergevoel. Ik kan me ergens helemaal in verliezen, terwijl je misschien best een keertje kunt zeggen: ga maar naar een ander.

'Bij de Kamer van Koophandel vroegen ze: hoe moet je bedrijf heten? Ik zei: Decathlon, de Engelse vertaling van tienkamp, maar die naam was al door een winkelketen gedeponeerd. Toen is het Deca geworden, ook mooi. Het is de enige link met mijn bestaan als topsporter, want ik kan verder weinig overeenkomsten bedenken.

'Alles na topsport is surrogaat. Er sterft een gedeelte van je af. Het reizen, de vriendschappen. Atleten zijn als broers en zussen voor je, het voelt als familie. Daar wil je eigenlijk geen afscheid van nemen, maar op een gegeven moment moet het toch.'

Meer over