Opgefrist en omgeschoold

Nog altijd voelt hij de machteloosheid van die bizarre septembermiddag in Leipzig. Rob Derikx hing ontredderd in de dug-out tijdens de bloedstollende EK-finale van 2005, waarin Nederland een 2-1-voorsprong verspeelde....

Geen seconde speeltijd gunde bondscoach Roelant Oltmans hem in die historische wedstrijd. ‘Ik had het gevoel dat ik daar voor joker zat’, herinnert Derikx zich haarscherp. ‘Ik had nog liever op de tribune gezeten dan op de bank. Op dat moment ga je twijfelen aan jezelf. Het was het zuurste moment uit mijn hockeycarrière.’

Rob Derikx was weliswaar pas 23 jaar, maar had al 125 interlands achter zijn naam staan. Tot dat toernooi was alles als vanzelf gegaan. Ook in de vier voorafgaande duels in Leipzig kreeg hij weinig speelminuten. ‘Ik voelde me duidelijk de zestiende veldspeler.’

Tijdens het EK sprak hij er nauwelijks met Oltmans over. ‘Hij zei dat hij met zijn basis wilde spelen en bewust voor de oudere jongens koos. Zijn keuze was te rechtvaardigen, maar voor mij heel moeilijk. Tijdens zo’n toernooi ga je daar niet over zeuren.’

Na Leipzig besefte Derikx ook zelf dat het hem aan motivatie ontbrak. Zijn fitheid was teruggelopen, zijn vetpercentage te hoog. ‘Twee maanden later was dat weer in orde, want dat was mijn eer te na. Ik trainde weer mee voor de Champions Trophy in Chennai, maar het bleef knagen.’

Het was uiteindelijk Oltmans die de knoop doorhakte en hem voorstelde even afstand te nemen van het tophockey. ‘Voor het eerst in mijn leven viel ik buiten de selectie en het rare was dat ik er niet eens echt mee zat. Het was een soort bevrijding.’

Derikx vermoedt dat de wet van de remmende voorsprong hem parten heeft gespeeld. ‘Dit was mijn eerste echte tegenslag na twaalf jaar nationale selecties. Dat is ongekend. Alleen Teun de Nooijer heeft nooit stagnatie gekend, maar die is dan ook van de buitencategorie.’

Op z’n 12de speelde Derikx al voor het district, daarna volgden drie jaar in het nationale B-juniorenteam. Op z’n 16de debuteerde hij in het eerste van Den Bosch en stootte hij gelijk door naar Jong Oranje.

Hij was 18 jaar, toen hij in 2001 onder de toenmalige bondscoach Joost Bellaart debuteerde in het Nederlands elftal. ‘Er zijn er niet veel die dat kunnen zeggen. Het is een select gezelschap, Teun de Nooijer, Tom van ’t Hek, niet veel meer.’ Taeke Taekema en Matthijs Brouwer, van dezelfde lichting, begonnen als twintiger. Zijn twee jaar oudere broer Geert-Jan debuteerde pas een jaar na hem.

Onder Bellaart was Rob Derikx altijd vaste keus. Na diens tumultueuze vertrek moest de Bosschenaar zich onder interim-coach Terry Walsh opnieuw bewijzen. ‘Ik beschouwde dat als een uitdaging. Floris Evers had progressie geboekt en in plaats van basisspeler werd ik eerste wissel. Maar dat was geen probleem.

‘Ik won de concurrentieslag met Piet-Hein Geeris en Egbert Ho en was vierde man in de pikorde van het middenveld. Alleen Delmee, De Nooijer en Evers stonden voor me. Ik twijfelde er geen seconde aan dat ik zou worden geselecteerd voor de Spelen in Athene.’

De dreun kwam keihard aan toen Walsh in juli 2004 besloot het olympisch avontuur met slechts drie middenvelders aan te gaan en liefst zes verdedigers. De Australiër durfde tweede strafcornerman Bram Lomans niet te passeren.

‘Het was tegen alle afspraken. Ik vond het onrechtvaardig’, zegt Derikx nu. ‘Maar het lag niet aan mij, ik had keihard getraind en kon mezelf recht in de ogen kijken. Daarom kon ik het ook opbrengen mee te blijven trainen met de groep. Die instelling, bleek later, werd zeer gewaardeerd.’

Tien dagen en een rugblessure van De Nooijer later stelde Walsh zijn plannen bij. Lomans werd bedankt en Derikx mocht alsnog naar de Spelen. ‘Ik moest toen mijn olympische koffer bij Bram thuis ophalen. Dat was best wel gek.’

Pas onlangs, toen Lomans tijdelijk de geblesseerde Taekema in de nationale selectie verving, spraken ze voor het eerst over die hectische periode. ‘Er is nooit enige rancune bij hem geweest. Het ging niet tussen ons, het was een tactische keuze.’

Derikx maakte veel minuten tijdens de Spelen en in de (verloren) finale tegen Australië stond hij zelfs de hele tweede helft in het veld, omdat De Nooijer een knieblessure had opgelopen. ‘Ik ben blij dat ik dat heb meegemaakt. Olympische Spelen blijven toch heel bijzonder.’

Zijn clubgenoot Albert Sala, een Spaanse international, plaagt Derikx nog vaak met de EK-finale in Leipzig. ‘Dan vraag ik hem: heb je wel eens een olympische medaille in je handen gehad? Nou, dan houdt hij zijn mond wel.’

Bij SCHC hervond Derikx vorig jaar zijn hockeyplezier. Hij stortte zich in wat hij noemt ‘het sociale leven’ en maakte flinke vorderingen met zijn rechtenstudie aan de Universiteit Utrecht. Komend voorjaar denkt hij af te studeren.

Als middenmidden zette hij bij SCHC de lijnen uit en Derikx genoot van het vrije leventje. ‘Na al die jaren was het heerlijk tegen mijn vrienden wél ja te kunnen zeggen en wél mee te kunnen doen. Ik voelde me goed en had het naar mijn zin. Het Nederlands elftal geloofde ik even wel.’

Maar vorig jaar zomer kreeg hij toch heimwee. ‘Na een jaar besefte ik ook hoe uniek dat tophockey eigenlijk is. Met een groep vrienden de wereld over, samen ergens naartoe werken en keihard trainen om een doel te bereiken.’

Het WK in Mönchengladbach kwam te vroeg. Hij bezocht alleen de wedstrijd tegen Duitsland (‘2-2, maar we hadden moeten winnen’) om zijn broer te steunen, maar hield verder vakantie. ‘Na die zevende plek weet je dat er iets gaat gebeuren. Voor mijzelf wist ik dat ik er klaar voor was. Ik had er weer zin in.’

Vorig jaar november na de competitiewedstrijd bij Oranje Zwart trok hij de stoute schoenen aan. In het Eindhovense clubhuis sprak hij Oltmans aan. ‘Hoe vind je dat ik speel, hoe denk je over mij, vroeg ik hem. Hij keek me wat verbaasd aan en draaide er een beetje omheen. Kennelijk had hij niet verwacht dat ik op hem zou afstappen.’

Twee weken later behoorde Rob Derikx weer tot de nationale hockeyselectie. Hij weet niet of er een oorzakelijk verband was met het gesprekje bij Oranje Zwart, misschien zou Oltmans toch wel naar hem toe zijn gekomen. ‘Maar het kon in elk geval geen kwaad.’

Hij besefte wel dat het ‘onwijs moeilijk’ zou worden. Timme Hoyng was inmiddels een vaste waarde geworden en Eby Kessing en Laurence Docherty waren er ook bijgekomen op het middenveld. ‘Ik durfde die uitdaging aan.’

In feite moest Derikx weer achter in de rij aansluiten. ‘Maar ik wist zeker dat ik het nog een keer wilde laten zien. Ik wilde de concurrentie aangaan, de anderen eruit hockeyen. En ik had het vertrouwen dat het zou lukken, anders was ik er niet aan begonnen.’

Na vijftien maanden maakte hij zijn rentree in een oefenduel tegen Engeland. In zijn 126ste interland stond hij in de basis én op zijn favoriete positie. Als middenmidden verving hij de zieke Delmee.

Tijdens de testseries begin dit jaar tegen Nieuw-Zeeland en Australië kreeg Derikx echter vrij snel door dat in de optiek van de bondscoach Eby Kessing eerste keus is als stand-in voor aanvoerder Delmee. ‘Eby is zijn wissel en dat vult hij perfect in.’

Derikx legde zich neer bij die rolverdeling en liet tijdens de trip in Oceanië doorschemeren dat hij het ook wel eens op een andere plek wilde proberen. Hij had het oog laten vallen op de rechtsachterpositie. Na het WK bedankte Sander van der Weide voor het Nederlands team en in zijn vacature was nog niet echt voorzien.

In de laatste wedstrijd tegen Australië debuteerde hij in de defensie. Zijn tegenstander was de afzwaaiende Troy Elder, geen kleine jongen. ‘Het ging hartstikke goed en sindsdien richt ik mij op die positie.’

De inmiddels 142-voudig international erkent dat hij geen geboren verdediger is. ‘In de jeugd heb ik daar wel eens gestaan, maar verdedigen was nooit mijn sterkste punt. Ik heb het voordeel dat ik vrij klein ben, laag bij de grond zit en prima kan vegen. En mijn opbouwende kwaliteiten komen zeker tegen zwakkere landen goed van pas.’

Hij stelt vast dat hij het laatste half jaar veel progressie heeft geboekt als verdediger en dat hij er plezier in heeft gekregen. ‘Van elke training leer ik. Dat is het leuke als je een nieuwe discipline onder de knie moet zien te krijgen.’

De technicus Derikx wordt ook hardheid bijgebracht. ‘Ik kan nu ook een stick omhoog tikken of iemand een keer een por geven. In de cirkel moet je contact maken, anders geef je te veel ruimte weg. Als middenvelder zoek je creatievere oplossingen.’

Hij is er vast van overtuigd dat zijn huidige omscholing hem ook als middenvelder completer zal maken. ‘Ik zie de lijnen van het spel nu van een linie terug. Daardoor word ik beter in het sturen. Op het middenveld kun je met dat inzicht de lijnen eerder dichtzetten. Voor mijn ontwikkeling is dat goed.’

Op weg naar de Spelen in Peking heeft Rob Derikx zijn vizier geheel gericht op de rechtsachterpositie. ‘Daar ligt nu mijn kans. Maar ik heb nog steeds de ambitie om daarna de middenmidden van het Nederlands elftal te worden. Ik ben pas 24 en kan nog verder groeien.’

Drie jaar geleden verhuisde Derikx naar SCHC, omdat hij er bij hockeyclub Den Bosch geen heil meer in zag Jeroen Delmee te verdringen als middenmidden. ‘Ik heb veel van hem geleerd’, zegt Derikx, ‘en in het Nederlands team is hij terecht nog steeds onomstreden. Wel merk je dat hij niet meer een hele wedstrijd kan spelen. Hij zou al eerder stoppen, maar na de Spelen is zijn tijd toch echt gekomen, mag je aannemen. Dan hoop ik hem alsnog te kunnen opvolgen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden