Oorsprong Nederlandse topschaatsen ligt in Noorwegen

Lang voor de eerste kunstijsbaan werd gebouwd, trokken de schaatstoppers uit Nederlandal naar Noorwegen. Om daar het vak te leren.

Irèn Sinnerud leidt ons rond door de gebouwen van Fjetre, langs de antieke schaatsen en beeltenissen van grootvader Peter Sinnerud, de lauwerkrans van diens wereldtitel van 1904 en door de kamers – zestien slaapplaatsen – waar vroeger de Nederlanders sliepen. Irèn: ‘Rijders uit vele landen kwamen hier. Met Kerst, kan ik me herinneren, zongen we liedjes uit negen verschillende landen.’

In 1895, op het Mjøsameer van Hamar, was Jaap Eden de eerste Nederlandse wereldkampioen op Noors ijs. Sven Kramer kan dit weekeinde in het overdekte Vikingschip in dezelfde stad voor een mijlpaal zorgen. Als hij zondag als eerste eindigt, is hij de tiende Nederlander die in Noorwegen de hoofdprijs in het allroundschaatsen verovert.De Noor Havard Bøkko geldt als zijn grote concurrent.

]]>

In 1993 waren ze nog eens allemaal terug, onder leiding van oud-bondscoach Klaas Schenk, de vader van drievoudig olympisch kampioen Ard, en van de wereldkampioen van 1961, Henk van der Grift. ‘Henk was de initiatiefnemer. En Klaas was nog in voor een pleziertje. Hij was dik tachtig en zei na het diner: kom, we gaan naar de nachtclub.’

De Nederlanders, mannen als Broekman, Van der Voort, Huiskes, Van der Grift en Van ’t Oever, leerden het vak in Noorwegen. Het mocht van de schaatsbond niet te veel kosten. Er was een beperkt budget. Een gulden (45 eurocent) zakgeld per dag, daar moesten de jongens het mee doen.

Zesendertig uur in de trein zitten, om Hamar te bereiken. Dagelijks het ijs op van de baan die nu nog in het centrum van het stadje ligt te pronken, maar waar geen Noor zich op noren vertoont.

In 1985 was de Nederlander Hein Vergeer de laatste die op die intieme baan wereldkampioen allround werd. Daarna werd even buiten de stad het overdekte Vikingschip gebouwd, het ijsstadion voor de Winterspelen van 1994, en begon het moderne schaatsen – indoor – ook in Noorwegen.

Vergeer: ‘Als ik in Hamar ben, lopen we altijd nog naar de oude baan. De hoek om vanuit het Victoria Hotel. Ik kan het paadje dromen. Nederlanders willen dat graag zien. Er zaten er tweeduizend op de tribune, toen ik hier kampioen werd. En de Noren waren even aardig voor mij.’

De kou maakte die dagen Noorwegen voor vorstbestendige Nederlanders – mannen en vrouwen met schaatsbloed – aantrekkelijk. Vergeer: ‘Bij dat WK van Hamar werd het ’s avonds min 20. En de dag na het kampioenschap gingen we bij een temperatuur van min 30 naar huis. Droge kou, dat is beter te harden. Dat element is tegenwoordig weg. We schaatsen eigenlijk alleen nog maar binnen.’

De Noorse vrieskou maakte ook de rijders hard. Wim van der Voort, olympisch zilver bij de Winterspelen van 1952 (Oslo), kan er nog van vertellen. De 85-jarige Westlander: ‘We stookten een zelfgemaakte sauna bij de boerderij van Fjetre. Een partij kolen op het vuur en dan een emmer water erover. Het werd wel 80, 85 graden. Transpireren en dan naar buiten, de sneeuw in. Rollebollen. Het lijf prikte alsof je in de brandnetels lag. En dat vijf keer achter elkaar.’

Maar het bevroren Noorwegen was vooral de werkplaats van de Nederlandse schaatsers. Van der Voort: ‘We kwamen in december met drie maanden achterstand binnen. De Noren stonden dan al weken op het ijs.’

Henk van der Grift: ‘Ik heb er toen voor gekozen om twee jaar lang in Noorwegen te blijven. Van 1957 tot 1959 zat ik in Fagernes. Want de beschikbaarheid van ijs was het verschil tussen Noorse en Nederlandse schaatsers.

‘Ik ging met een kennis, de starter van de ijsclub van Fagernes, de bergen in. Daar lagen meertjes. Reden we vrijdag met de auto veertig kilometer omhoog en veegden we een baantje, met een rubber schuiver. Kon ik op zaterdag en zondag schaatsen. Zo had ik al in oktober ijstraining in de benen.’

De trainingskampen werden later minder spartaans. Er werd gekozen voor verblijf in hotels. De aantrekkingskracht ebde weg, toen Inzell en Davos, in de Alpen, een rol gingen spelen. Vergeer: ‘Met Egbert van ’t Oever als coach gingen we nog, naar Kongsberg, Trondheim en Stavanger. En er was een schaatsgek in Savalen.’

Het ging in Noorwegen in het begin – vanaf 1927 verzamelden zich al nieuwsgierige Nederlandse ploegen in Oslo – om kennisoverdracht. Van der Voort werd geholpen door de Noor Sverre Farstad, de olympisch kampioen op de 1500 meter in 1948. ‘Ik keek altijd naar de techniek van de Noren. Ik kreeg aanwijzingen. En niet van de minsten. Want wij Nederlanders stonden er goed op.

‘Farstad zei: Wim, jij hebt talent voor de 1500 meter. Ik heb zijn stijl overgenomen. Een krachtige slag, met een flinke armzwaai. Goed boven het standbeen komen. Zo heb ik olympisch zilver gewonnen, achter de Noor Hjalmar Andersen.’

Van der Grift beheerste de kunst van het afkijken als geen ander. ‘Ik trof de Zweed Ivar Nilsson en de Fransman André Kouprianoff. Zij reden wat meer rechtop. En hanteerden een hoog bewegingsritme. Dat heb ik gekopieerd.’

De oude Peter Sennerud stond ook aan de wieg van de Nederlandse leerweg. Hij had in de Verenigde Staten geschaatst. Hij had weet van moderne trainingsleer en beschikte over een netwerk.

Van der Grift: ‘Dan werd Hans Engnestangen, een grootheid op de 500 meter, uitgenodigd om onderricht te geven. Als hij de Noren trainde, stond ik er op korte afstand naar te kijken. Dat was ook het grote voordeel van Noorwegen. Overal waren dorpen met hun eigen banen en hun eigen trainers. En eens in de zoveel tijd kwam de Landstrener langs, de bondscoach.’

De grote Noorse kennisvoorsprong en de ruime beschikbaarheid van ijs boezemden Nederlanders ontzag in. Er werd opgekeken naar de Noren. Hun superioriteit werd als haast mythisch ervaren. Maar toen Nederland de bijlessen in eigen omgeving in de praktijk kon brengen, veranderde dat snel. Van der Grift: ‘Het verschil tussen ons was ijs. Tot wij in de jaren zestig zelf ijs kregen, met al onze kunstijsbanen. Toen liepen we snel in.’

De deskundigheid van het Noorse schaatsvolk en zijn gescandeerde ‘heya, heya’ hielden Nederland nog lang in de ban. Talrijk zijn de verhalen van belevenissen op het ijs van Bislett, het Olympisch Stadion van Oslo, waar ’s winters een natuurijsbaan werd uitgezet.

Er is vooral enthousiasme. Ard Schenk, goed voor twee wereldtitels op dat ijs: ‘De Noren tegen wie ik reed, zoals Fred-Anton Maier, Roar Grønvold en Dag Fornaess, waren helden in hun land. Hen verslaan was een bijzonderheid.

‘Rijden in Bislett was dat sowieso. Bij mijn wereldtitels waren elke dag 26 duizend toeschouwers aanwezig, 52 duizend in een weekeinde. Bij dat WK van 1972, net na de Spelen van Sapporo, zaten er ook zevenduizend Nederlanders. Ik zie ze daar nog op de Karl Johann polonaise lopen. Daar keken die Noren dan weer van op. Het was een massale intocht van Nederlandse fans.

‘De magie van het geluid was er vooral door de Store Sta, de grote staantribune. Die was overkapt. Dat kabaal zwol enorm aan, als de Noren reden.’

Die psychologische voorsprong ondervond Van der Voort in 1951. Hij zou Europees kampioen zijn geworden, ware het niet dat zijn gevallen tegenstander, Hjalmar Andersen, mocht overrijden. De Noor was verblind geraakt door het flitslicht van een fotograaf. De wedstrijdleiding ging overstag.

Van der Voort: ‘Ze wilden mij tijdens die beslissende 10 kilometer ook van het ijs halen. Ik reed met gebalde vuisten op dat zootje af. Later bleek dat het niet helemaal eerlijk was gegaan. Hjalmar zei in het tv-programma van Wilfried de Jong dat ik het goud wat hem betreft alsnog mocht hebben.’

Als een rots in de branding stond bij zulke gebeurtenissen koning Olav op de tribune, met potlood en invulschema in de hand. Het is een beeld dat iedere schaatser nu nog op het netvlies krijgt. Het droeg bij aan de magie van het schaatsen in Noorwegen.

Wereldkampioen Harm Kuipers: ‘Ik had gedacht dat ik, toen ik de titel veroverde, in de koninklijke loge ontvangen zou worden. Maar dat bleek niet zo te gaan.’

Bislett, als ijsbaan niet meer functionerend, bood destijds natuurijs en dat gaf een aparte dimensie aan schaatsen. Kuipers: ‘Bochten raakten uitgetrapt. Er kon niet tussendoor voortdurend gedweild worden. Soms was er één grote pauze. Je moest bij de loting in de eerste groepen geplaatst worden. Dat gaf voordeel.’

Vergeer, in 1986 de laatste Europese kampioen op Bislett: ‘Natuurijs wordt in Noorwegen opgebouwd door een tractor met een watertank het ijs op te sturen. De druppels worden via een mat verspreid. Je krijgt ribbelig ijs, niet zo mooi glad als kunstijs. Maar je had er met je ijzers wel meer grip op. Ik reed 1.57 op de 1.500 op Bislett, een baanrecord. Met een ouderwetse schaats, zonder klappers dus.’

Leo Visser had in 1989 gedacht nog een laatste keer de magie van Bislett mee te maken. Het pakte anders uit. ‘Het dooide. We moesten uitwijken naar het kunstijs van Valle Hovin, ergens in een buitenwijk van Oslo. Een soort Uithof in Den Haag. Ik ben er nooit meer geweest. Bislett ken ik alleen van foto’s in een museum. Het moet indrukwekkend zijn geweest.’

Met de intrede van het indoorschaatsen in het Vikingschip veranderde het karakter van de sport, ook in Noorwegen. In Fjetre Gard, deels golfhotel, ontvangen ze nog steeds schaatsers. De familie Sinnerud is minder Nederlands georiënteerd. Op de veranda van het slaapgebouw staan twee standbeelden, van de Japanner Shimizu en de Noor Søndral. Die olympische kampioenen verbleven graag bij boer Sinnerud die in de zomer nog altijd 70 hectare wortels, aardappels en tarwe teelt.

Kees Verkerk (midden) wordt in 1967 in het Bislett-stadion gehuldigd als wereldkampioen. Naast hem de nummers 2, Ard Schenk (rechts), en 3, de Noor Fred-Anton Maier. (ANP)
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.