ColumnPeter Winnen

Onbedwingbare lust om uit louter chauvinisme ‘de tegenstander’ te slaan

Zo surrealistisch was het beeld dat ik dacht dronken te zijn. Anna van der Breggen alleen op kop, op een richel. De helikopter hangt op gelijke hoogte. Het vage decor schuift langzaam naar links als was het aangedreven door een theatermechaniek. De zon schijnt, Anna van der Breggen schijnt solo in de eeuwigheid. Dat was zaterdag.

Zondagmiddag scheen de zon iets minder, maar het peloton op dezelfde richel leverde dezelfde sensatie op, die van dronkenschap. Verder gebeurde er niets, het was nog ver naar de finish. Zeker was al wel dat het parcours in Imola bezig was met haar trage sloopwerk. Wie er ook wereldkampioen werd, hij moest taaie benen hebben. Zoals gebruikelijk zweefde ik van kanaal naar kanaal. Dezelfde beelden, andere stemmen; het spannende niets door verschillende ogen gezien.

Uren later, op de finale steilte, plaatste Julian Alaphilippe een loei van een demarrage. Zo stond het in het ongeschreven script. Iedereen wist een maand geleden al dat hij het precies daar ging doen, met tijdstip en al erbij. Want alleen Alaphilippe lust dat soort hellingen rauw. Hij was los, al kon hij met een lasso gevangen worden. Je zou kunnen zeggen dat hij het perfecte, voorbereidende werk van de Belgische ploeg op Franse wijze gestalte gaf.

Nog een kilometer of twaalf. Lichte paniek brak uit bij de VRT waar ik op dat moment uithing. Wout van Aert, de man die niet kón verliezen, de meest complete coureur van het ondermaanse dreigde langs de pot te gaan piesen. Wie rijdt dat gaatje dicht, help! Als er een patroonheilige voor Vlaamse hardfietsers had bestaan, de commentatoren hadden hem aangeroepen.

Toen werd Primoz Roglic maar aangeroepen.

Bedwelmd als na zes kelken trappistenbier hing ik aan de lippen van Michel Wuyts en José De Cauwer. Ik voer een dimensie van sportbeleving binnen die ik niet kende. Nou vooruit, een dimensie die ik als tienjarige ooit gekend heb: de onbedwingbare lust om uit louter chauvinisme ‘de tegenstander’ te slaan.

Primoz Roglic met zijn verdorde beentjes werd, vrij samengevat, opgedragen, bevolen, verordonneerd, gecommandeerd de achtervolging in te zetten. Dat was toch niet teveel gevraagd na alle sleurdiensten van Wout van Aert in de Tour. Dit was het moment om van de landenwedstrijd een ploegenwedstrijd te maken. Toch?

Alaphilippe rondde zijn werkstuk pront af. In de nazit met studiogasten werd de sfeer er niet beter op. Ik begon stilaan te denken dat het coronavirus zijn tol begint te eisen: een regenboogtrui om Belgische schouders zou alle hinderlijke maatregelen en onzekerheden aanzienlijk hebben verzacht. En ik dacht aan de erfenis waar Eddy Merckx de Belgen mee heeft opgezadeld: het verlangen naar een nieuwe Merckx is zo groot dat de redelijkheid er soms bij inschiet.

Merckx is voor altijd buiten schot, maar ik zou niet treuren met een Van Aert en Evenepoel binnen de grenzen.   

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden