'Nooit te groot om klein te zijn'

Vrouwen zijn gedisciplineerder dan mannen. Voetballers hebben meer individuele doelen dan andere teamsporters. En de groep is strenger dan de coach....

Ze zijn bezeten van hun vak. Ze respecteren elkaar. En ze geloven dat ze van elkaar kunnen leren, juist omdat ze zeer verschillende olympische ervaringen hebben.

Hockeycoach Marc Lammers voldeed aan de torenhoge verwachtingen door zijn vrouwen naar goud te leiden. Waterpolocoach Robin van Galen liet zijn vrouwen stunten door onverwacht goud te pakken. En Foppe de Haan keerde met een kater terug. Zijn voetballers werden in de kwartfinale uitgeschakeld door de latere olympisch kampioen Argentinië.

In hun gedachten zijn de Olympische Spelen vier maanden na dato nog springlevend. Ze spreken vrijuit aan de hand van vier stellingen.

Vrouwelijke topsporters zijn harder voor zichzelf dan mannelijke.

Van Galen: ‘Mij is vaak de vraag gesteld waardoor het komt dat juist de Nederlandse vrouwen zo succesvol waren bij Olympische Spelen? Ik heb er eens een wetenschapper over gesproken. Die zei dat het vanuit de natuur kwam. Uit onderzoek blijkt dat vrouwen effectiever zijn in het bereiken van doelen dan mannen.’

Lammers: ‘Vrouwen bleven thuis en gingen samen het land bewerken. Ze waren veel loyaler. Mannen gingen op jacht.’

De Haan: ‘Je ziet het in Afrika nog. Vrouwen houden de boel overeind.’

Van Galen: ‘Ik vind vrouwen coachen moeilijker. Maar ik heb ervaren dat, als je vrouwen eenmaal voor je hebt gewonnen, ze ook echt door het vuur gaan. Dan zijn ze ook gedisciplineerder dan mannen.’

Lammers: ‘Als je tegen een groep vrouwen zegt: we rennen rechts om het hotel heen, dan gaan de vrouwen meteen weg. Heel gedisciplineerd, loyaal. Als je tegen een groep mannen zegt: we rennen rechts om het gebouw heen, dan vragen ze meteen: waarom niet linksom? Het zijn haantjes, opstandig, ze zeggen wat ze denken. Vrouwen gaan weg en beginnen halverwege tegen elkaar: belachelijk hè, dat we rechtsom moeten.’

Van Galen: ‘Ik heb de vrouwenploeg eens een broeikas van irritaties genoemd. Ik doelde op een situatie die we hadden gecreëerd, de basis voor ons succes. We hebben vijf, zes keer per week getraind, dag in dag uit, jaar in jaar uit, 48 weken per jaar. We zaten bij elkaar opgesloten in een soort jeugdherberg, op houten stoelen, met een televisie. Zet 20 vrouwen bij elkaar met een televisie en dan is het wachten op problemen.’

De Haan: ‘Voetballers zijn juist heel solitair. Bij ons hebben ze allemaal een eigen kamer. Trainen gaat prima, eten in het hotel ook. Daarna zijn ze weg. Dan zitten ze met laptop of iPod of wat dan ook op hun kamer. Vroeger, nog niet eens zo lang geleden, zaten ze te kaarten. Dan ontstond er iets. In Peking moest je het organiseren, anders zag je ze niet meer. Je probeert ze dingen helder te maken, uit te leggen, gezamenlijk dingen te laten doen. Dat ging hartstikke moeizaam. Ik had het gevoel dat ik elke dag opnieuw moest beginnen. Dat proces van samen onderweg zijn, ontstond heel langzaam.’

Lammers: ‘Het is heel belangrijk voor een team dat je je eigen huiskamer hebt. Wij noemen dat ons Holland House. Er was in het hotel altijd een kamer ingericht als huiskamer.

Van Galen: ‘Dat hebben wij ook gedaan. Dat hebben we een beetje gepikt van de hockeyers.’

Lammers: ‘Wij huurden een suite waar iedereen bij elkaar kon komen, met internet en een laptop. Desnoods gingen we naar een goedkoper hotel, als we maar een suite hadden om samen te komen. Emoties zijn heel belangrijk bij vrouwen. Vrouwen moet je met elkaar laten communiceren. Als dat lukt, heb je een sterk team. Dat betekent irritaties uitspreken, want vrouwen zijn in principe conflictvermijdend. Mannen niet.

‘Die gaan conflict aan, schoppen elkaar tegen de schenen, drinken een biertje en dan is het over. Wij hebben geprobeerd dat mannentrekje erin te krijgen. Spreek het maar uit, zeg het tegen elkaar, scheld maar een keer.’

Van Galen: ‘Dat is een proces van jaren. Ik heb de vrouwen drie jaar begeleid. Uiteindelijk was het laatste jaar het succesvolst. Het kost tijd om techniek en tactiek in te slijpen, maar dit soort mentale processen hebben ook tijd nodig.’

Lammers: ‘Ik dacht vroeger: ik moet zestien Marc Lammersen in mijn team hebben. Dan word ik wereldkampioen. Ik heb in de mastercoach-klas van Peter Murphy (technisch adviseur, red.) gezeten. Peter zei tegen me: jij scoorde nooit hè. Dat was waar. Van Peter heb ik geleerd: diversiteit is de kracht van je team.’

Met amateurs is het gemakkelijker werken dan met duurbetaalde professionals.

De Haan: ‘Geld kan een rol spelen. Een voetballer heeft belangen. Zijn club heeft belangen. De zaakwaarnemer heeft belangen. Iedereen heeft een eigen agenda. En iedereen belt met de speler.

‘Daardoor zijn de spelers moeilijk te hanteren. Want het is belangrijk hoor, voor de speler. Zijn toekomst hangt er vanaf. Hij vraagt zich af of hij straks wel bij zijn club speelt als hij de voorbereiding mist omdat hij meedoet aan de Spelen. Voordat je achter die agenda bent, ben je een paar weken verder. Die tijd heb je vaak niet. Ik heb het gevoel dat we in Peking bij de laatste vier waren gekomen als ik twee of drie weken eerder was begonnen.’

Lammers: ‘In het voetbal hebben alle spelers individuele doelen, veel meer dan in hockey. Daar wil iedereen olympisch kampioen worden. Het is de taak van de coach op zoek te gaan naar een gezamenlijk doel. Ik snap dat jij naar Engeland wilt, ik help mee. Als we met dit team iets bereiken, is de kans dat jij weg kan groter.’

De Haan: ‘Ik had in de voorbereiding flink rondgereisd, ook in China. Ik kan je niet vertellen waar ik allemaal ben geweest. Het is onvoorstelbaar. Het valt niet mee de spelers duidelijk te maken wat ze zullen ervaren. Een mooi voorbeeld is die klimaatkamer op Papendal. Gerald Sibon komt eruit. Hij zegt: als het zo is, stelt het niks voor. Ik zeg: nou Gerald, het is een beetje erger hoor. Sibon kwam uitgekleed terug uit China. Er was niks van hem over. Hij verloor per training meer dan 3 liter vocht. Dat soort dingen moet je ervaren.’

Van Galen: ‘Wij hadden een prachtig budget, laat daar geen misverstand over bestaan. De meiden kregen maximaal 800 euro per maand, dus voor het geld hoeven ze het niet te doen. Het grote voordeel daarvan is dat ze een geweldige intrinsieke motivatie hebben. Daar hoef je heel weinig energie in te steken.’

Lammers: ‘Dat is bij ons ook zo. De meesten zitten gewoon op een stipendium van NOC*NSF.’

Van Galen: ‘Die drive is ontzettend groot. Sommige mensen vragen me: waarom doen ze dat nou, waarom ben je nou zo gek dat je vier jaar in zo’n tunnel gaat leven? Nou gewoon. Je bent ergens goed in en je wilt het uiterste eruit halen.’

Lammers: ‘Ik denk dat veel voetballers ook die motivatie hebben. Zij hebben ook eens voor voetbal gekozen omdat ze het gaaf vinden in het Nederlands elftal te komen.’

De Haan: ‘Ze zijn hartstikke gemotiveerd, alleen ze moeten afscheid nemen van al die andere belangen. Dat kost tijd. Het is geen kwestie van even rond de tafel zitten en zeggen: zo doen we het. Je moet er hard voor vechten, een keer botsen tegen elkaar, een keer waardeloos trainen, en op een goed moment een wedstrijd winnen waarvan je denkt: die kunnen we eigenlijk niet winnen. En dan ontstaat er iets.’

Lammers: ‘Als mens weet je dat je soms vier dingen goed doet en vijf dingen fout. Ik vind het jammer als mensen zich niet kwetsbaar opstellen en zeggen: ik heb me gewoon niet goed voorbereid op de Spelen. Iedereen zag toch dat sommige voetballers niet fit genoeg waren.’

Van Galen: ‘Bij voetbal wordt alles onder een vergrootglas gelegd. Dat is moeilijk voor Foppe. Ik heb er weinig mee te maken, gelukkig.’

Lammers: ‘Een van de belangrijkste dingen is het langetermijndenken versus het kortetermijndenken. De hockey-en de waterpolobond denken in de lange termijn. Als het een keer misgaat, staat er niet gelijk een figuur als Johan Derksen klaar om je af te maken. Daarom staat de rem erop in het voetbal, daarom is er zo weinig innovatie.’

Van Galen: ‘In Peking verloren wij de eerste wedstrijd. Toen liepen de emoties bij sommige ouders, speelsters en media hoog op. De keepster moest gewisseld worden, vonden ze. Daar heb ik me niet door laten leiden. Als je dat doet, gaat het mis. Later is ze de beste keepster van toernooi geworden.’

De Haan: ‘Zo gaat dat.’

Lammers: ‘De eerst reactie van mensen op innovatie is weerstand, Niemand wil veranderen. Het kost energie. Het liefst doen mensen hetzelfde als gisteren. Lekker die pook in de een en twee, de drie en vier. Mensen vinden het irritant ineens in een automaat te rijden. Waarom? Zijn ze niet gewend.’

De Haan: ‘Maar het is wel lekkerder.’

Lammers: ‘Ik zeg altijd: als je hetzelfde doet als vijf jaar geleden, dan zul je hetzelfde krijgen als vijf jaar geleden. Dat wil ik niet. Ik wil eerste worden, ik wil beter worden. Maar dat gaat tegen de natuur in.’

Coaches kunnen pas functioneren als ze hun kwetsbaarheid durven tonen.

De Haan: ‘ Het gaat uiteindelijk om contact maken. Dat kan alleen als je zelf ook echt bent. Ik heb een kreet, die heb ik weleens gebruikt bij de jongens: als je vindt dat je zo groot bent, moet je nooit te groot zijn om ook klein te durven zijn.

‘Als je jonger bent, heb je de neiging afstand te houden. Je denkt: o wee als ze te dichtbij komen, dan verlies ik mijn gezag. Maar dat is niet zo. Je moet gezaghebbend zijn, dat is wat anders dan dwingend zijn.’

Lammers: ‘Ik dacht ook, ik moet erboven staan. Ik moet niet mijn kwetsbaarheid laten zien. Ik weet alles. Ik ben niet onzeker. Totdat we steeds tweede werden. Toen dacht ik: zo werkt het niet. Ik heb allerlei bijscholing gekregen en geleerd dat het ook weleens goed is tegen de meiden te zeggen dat de fout bij mij lag.

‘Dus in het eerste het beste toernooi zei ik bij de evaluatie: dit heb ik niet goed gedaan, dat heb ik fout gedaan. Ze keken me aan met zo’n blik van: wat doe je nu? Toen begonnen die meiden zelf: ik had die bal ook beter kunnen aangeven. Ik dacht: hé, jullie stellen je kwetsbaar op. Zeiden ze: ja, jij begint zo. Dat is voor mij de les. Het begint bij ons. Als ik wil dat die speelsters zeggen wat ze denken en ik heb dat zelf nooit gedaan, waarom zouden zij het dan doen?’

De Haan: ‘Het gaat om openheid, daardoor worden dingen bereikbaar. Als er geslotenheid is, heb je twee wegen naast elkaar met een vangrail ertussen. Dan ga je, hopelijk, dezelfde kant op. Maar je raakt elkaar nooit.’

Van Galen: ‘Ik coach nu 20 jaar. In 1995 kwam ik bij de eerste vrouwenploeg terecht. Een team met alleen ex-internationals. Ik was 25, er zaten internationals bij van 35. Ik heb veel van ze geleerd door af en toe te zeggen: hoe deden jullie dat dan? Je blijft eindverantwoordelijk, maar je betrekt ze erbij. Het schept openheid. Daardoor kom je samen op een hoger niveau.’

Lammers: ‘Ik stelde altijd de doelen op. En de waarden die we moesten uitstralen: naar de supporters, naar kinderen en naar elkaar. Elke keer viel me op dat als iemand zich niet aan die regels hield, de speelsters mij aankeken. Wat doet hij? Ik leek wel een politieagent de eerste vier jaar.

‘Toen hebben sportpsycholoog Rico Schuijers en ik bedacht dat het anders moest. We zijn met de speelsters bij elkaar gaan zitten. Rico heeft tegen ze gezegd: jullie gaan eens met elkaar afspreken wat jullie gezamenlijk willen bereiken, wat jullie willen uitstralen, welke waarden jullie belangrijk vinden, welke normen, en wat je ervoor over hebt die te bereiken.

‘De doelstelling was niet moeilijk: iedereen wilde proberen olympisch goud te winnen. Maar die waarden verschilden best. Een paar jonkies zeiden: plezier, gezelligheid. De ouderen, die al eens tweede waren geworden bij de Spelen, zeiden: fanatisme, doorzettingsvermogen, er alles voor over hebben. Dat botste. Dus hebben we ze weer bij elkaar gezet. Maak daar een compromiswaarde van. Daar kwam ‘commitment’ uit.

‘Dat houdt in dat iedereen een ruimte krijgt, tot een bepaalde grens. Toen ging het dus over normen. De concurrenten trainen zeven keer per week, dus wij moeten wij dat ook doen. En dan is er tijd nodig voor het persoonlijk ontwikkelingsplan. En toen kwam: wat doen we met een biertje en een wijntje.

‘Ik dacht: af en toe een wijntje, vind ik niet zo erg. Maar de speelsters zeiden: vanaf 1 maart drinken we niet meer. Een speelster stak haar vinger op. Ik heb er best moeite mee, zei ze. Ik ga eens in de twee maanden met mijn vriendje uit eten en dan vind ik een glaasje wijn zo lekker. Wij lagen dubbel van het lachen. Toen zei de groep: we maken een uitzondering. Een keer in de twee maanden mag iedereen een glaasje wijn.’

De Haan: ‘De groep is strenger dan de coach.’

Lammers: ‘Ik had eerst een lijst met twintig regels. Die vonden ze te lang. Uit die besprekingen, die wel vijf dagen in beslag namen, kwam een lijst met wel zestig regels. Ze zeiden: het is handig om toch wat af te spreken.’

Van Galen: ‘Wij hadden geen regels. Wel hebben in overleg met Rico Schuijers een oefeningetje bedacht. Schrijf de waarden op die voor jou belangrijk zijn en ook voor de ploeg moeten gelden. Eén schreef saamhorigheid op, een ander 100 procent inzet, weer een ander discipline.

‘Al die termen hebben we op een flipover in de kleedkamer gehangen. Daar werden ze iedere dag mee geconfronteerd. Ze konden elkaar erop aanspreken. En dat deden ze ook.’

Lammers: ‘Dat proces buiten het veld, daar heeft Foppe veel te weinig tijd voor gehad.’

De Haan: ‘Als ik de baas van de bond was geweest, had ik nu al een programma gemaakt op weg naar de Spelen van Londen. Dit zijn de stappen die we maken. En vanaf nu spreken we over het Olympisch Team.’

Om te winnen moet je zo min mogelijk aan winnen denken.

De Haan: ‘Je moet nooit zeggen: we willen winnen. Er is een mooi verhaal van Ron Zwerver, uit de beginperiode van het Bankrasmodel van de volleyballers. Hij vertelde dat er door de week slecht was getraind. Maar, zei hij, dan stonden we in het weekeinde voor een wedstrijd bij elkaar voor een yell. Dan riepen we: winnen, winnen, winnen! Dan dacht hij: hadden we maar goed getraind, dan hoefden we dit niet te schreeuwen.

‘Als je speelt, moet je je taken uitvoeren, de afspraken nakomen. Dat moet je proberen goed te doen. Dan heb je de meeste kans dat je wint. Je kunt een beetje pech of geluk hebben. Maar de voorwaarden om te winnen, moet je in het voortraject creëren.’

Van Galen: ‘Rico Schuijers heeft geprobeerd ons bewust te maken met wat hij noemt ‘de cirkels van invloed’. Er zijn er zes. De eerste cirkel zijn de taken waarvoor je geselecteerd bent. Als je die zo goed mogelijk uitvoert, als iedereen dat doet, dan is het logische gevolg dat de ploeg goed gaat spelen. Het logisch gevolg daarvan is dat je gaat winnen.’

Lammers: ‘Daar heb je het meeste invloed op.’

Van Galen: ‘Het gaat veel minder als je bezig bent met cirkel twee: bijvoorbeeld een lawaaiig publiek, of de scheidsrechter die slecht fluit. Of als je bezig bent met cirkel vier: winnen of verliezen. Of cirkel vijf: de gevolgen van winnen of verliezen. Als je denkt, o god, als we vandaag winnen, zijn we olympisch kampioen, ga je echt niet beter spelen.’

Lammers: ‘Vier jaar geleden hoorde ik speelsters voor de finale zeggen: het zal toch niet fout gaan hè. Die waren al bezig met het gevolg van het resultaat. Dan ben je heel ver van huis. Bij deze Spelen ging het over taken, over handelingen. Wat je uiteindelijk wilt, is dat speelsters onbewust bekwaam zijn. Je moet spelen zoals vroeger op straat, de bal in het midden en succes.’

De Haan: ‘Lekker ballen.’

Lammers: ‘Zo zei ik het ook voor de finale. Dames, tieten vooruit! Laat je zien!’

De Haan: ‘Wat voor dingen?’

Van Galen: ‘Heb je dat echt gezegd?’

Lammers: ‘Tieten vooruit! Drie begonnen te lachen. Drie zeiden: dat kun je niet maken. Maar het was ontspannend. Ze stonden te lachen en dachten; we gaan een wedstrijd spelen, we zijn goed, we zien wel.’

De Haan: ‘Fantastisch.’

Lammers: ‘Tieten vooruit, dat had ik nog nooit gezegd. Ze schrokken ervan, dus de spanning was weg.’

Van Galen: ‘In het zwembad sta je in de callroom te wachten tot je het zwembad in mag. Onze teammanager zei bij de eerste wedstrijd voor de gekkigheid dat hij net had staan luisteren bij die tegenstander. Ik wil niet stoken hoor, zei hij, maar die Grieken zeiden dat jullie teringwijven zijn. Die zou ik straks een paar rossen verkopen.

‘Dat is een eigen leven gaan leiden. Voor elke wedstrijd kwam hij langs. Ook in de finale. Ik wil niet stoken hoor, maar die Amerikaanse meiden. . . Zo ontstond er steeds een heel ontspannen sfeer.’

De Haan: ‘Het is zo vanzelfsprekend. Eigenlijk komt het erop neer dat je steeds moet bedenken waarom je doet wat je doet. Waarom je bent gaan voetballen, of hockeyen, of waterpoloën. Het gevoel dat je had toen je 5 of 6 jaar was: als je dat kunt oproepen, dan kun je bijna niet verliezen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden