EK volleybal Nimir Abdelaziz

Nimir Abdelaziz acteert deze weken bij het EK volleybal als het ware servicekanon

Nimir Abdelaziz maakt tijdens het EK volleybal indruk als servicekanon. Met de sprongservice, ontwikkeld in de jaren tachtig, dwingt hij zijn lichaam tot het uiterste. Het leverde Nimir vorig jaar een hernia op, nu speelt hij met een gordel. ‘Ik moet veel oefeningen doen om het onder controle te houden.’

De sprongservice van Nimir Abdelaziz . Beeld Klaas Jan van der Weij / de Volkskrant

Hij neemt de bal vier meter achter de achterlijn van het volleybalveld in de hand, vertroetelt hem wat en kijkt uit pure concentratie stijf naar de grond. Dan gooit hij de geel-blauwe bal hoog het veld in, een meter of zes zal het snel zijn. Zelf klimt hij met een driepas, links, rechts, links, de lucht in en raakt met de rechterhand de bal als die boven het oranjegekleurde veld al eventjes de daling heeft ingezet. De bal slaat als een mortier in, met een kromme baan. Het publiek scandeert ‘ace, ace’.

Het directe punt uit de sprongopslagen van Nimir Abdelaziz is een hoogtepunt tijdens de Europese titelstrijd in Nederland. De zoon van een Tsjadische vader en Nederlandse moeder doet er laconiek over, maar het is een bijzondere kunst die hij beheerst. De ace, bekend uit het tennis, is een erkend wapen van de diagonaalaanvaller van de Nederlandse ploeg.

Als hij met zijn 2.01 meter aan de achterlijn verschijnt, is er eerst het geroezemoes van pure verwachting en vervolgens hels gefluit, als het stadion zoals in Rotterdam door supporters van de tegenpartij (Polen) wordt overheerst. Abdelaziz zegt dat hem dat niet uitmaakt. Elk geluid is welkom. Liever een volle zaal dan een leeg stadion, als hij zijn topvolleybal speelt.

128 per uur

Abdelaziz, niemand noemt hem zo, het is altijd Nimir voor en Nimir na, weet bij zijn sprongservice de bal een maximale vaart van 128 kilometer per uur mee te geven. Dat is best goed, een Nederlands record op zijn minst, maar hij weet zich nog geklopt door enkele grootheden, de Italiaan Zaitsev (134 km/u) en de Bulgaar Kaziyski (132 km/u). De Duitser Grozer zou 140 hebben aangetikt.

Nimir houdt het op zijn bewondering voor de Cubaan met Pools paspoort, Wilfredo Leon, tegen wie hij in de Italiaanse competitie en in oefeninterlands heeft gespeeld. ‘Weet je, ik haal de 128 als het goed gaat. Als ik mijn dag heb. Maar Leon is zo constant, bij hem is het altijd hard hard. Indrukwekkend.’

De Nederlander leerde al op jonge leeftijd zichzelf de sprongservice aan. Het is zoals oud-bondscoach Peter Murphy altijd graag doceerde. Jongeren kunnen technieken die juist zijn ontstaan heel snel aanleren. Nooit is iets te moeilijk. Murphy: ‘Wij zeggen: zien is doen.’

Abdelaziz weet niet precies hoe oud hij was toen hij leerde om de bal meters hoog op te gooien (‘die timing heeft mij altijd het best gepast’) en hem springend naar de andere kant van het veld te slaan. Nadenkend: ‘Ik was 12 of 14, zoiets. Ik heb voor mijn gevoel altijd die sprongservices gedaan. Het was al in het Nederlands jeugdteam dat ik het volop deed. En in de loop van de jaren is het steeds harder gegaan. Ik sla nu harder dan toen ik 16 was natuurlijk. Maar heus, dit is geen hogere wiskunde. De opgooi is het belangrijkst. Verder denk ik niet te veel. Als je lekker in de wedstrijd zit, dan gooi je de bal op en geef je ’m een lel. En je verhuist soms van de rechterkant van de achterlijn naar de linker. Omdat het licht in je ogen schijnt. Of omdat je de tegenstander in verwarring wilt brengen.’

Jaren tachtig

De sprongservice, het type met de harde bovenhandse lel, dateert uit de jaren tachtig. De Brazilianen en de Amerikanen deden het voor, tijdens het olympisch toernooi van 1984, in Los Angeles. In de jaren vijftig was er een sprongservice met onderhandse push geweest, een snel gedateerd verschijnsel.

Joop Alberda was in de jaren tachtig de coach van de nationale juniorenploeg, met Ron Zwerver en Olof van der Meulen in het team. Hij liet ze beelden zien van wat die Amerikanen en Brazilianen wel niet konden. ‘Ik keek welke jongens van ons dat zouden kunnen. Wie de versnelling van schouder, elleboog, pols en hand had om dit uit te voeren.’

De intussen legendarische Ron Zwerver staat met Pieter-Jan Leeuwerink te boek als de man die de sprongservice in Nederland introduceerde. Van der Meulen, de diagonaalaanvaller van de olympische kampioensploeg van 1996, is daar niet zo zeker van. ‘Ik weet niet wie er eerder was: Ron of ik. We deden het allebei bij Jong Oranje. Van wie ik het leerde? Nou, we deden het gewoon. Ik weet nog wel: zorgen dat het ventiel links of rechts zat als ik de bal opgooide. Anders deed het zeer aan de hand.’

Van der Meulen kwam met zijn sprongopslag, vaak met een zijeffect, tot snelheden van 110 kilometer per uur. ‘Dat was hard. Maar nu gaat het nog weer harder. En over tien jaar is er weer een nieuwe snelheid bereikt.’

Regelwijzigingen

Dat er harder geslagen kan worden, heeft deels met regelwijzigingen te maken. Vroeger was er een servicevak van drie meter breed, de resterende zes meter van de achterlijn mocht toen niet gebruikt worden voor de sprong. Bovendien mocht de bal de netband niet raken. Dan ging de bal naar de tegenpartij. Tegenwoordig mag via het net worden gescoord. Het maakt dat er met meer risico geserveerd kan worden.

Ook is er een verandering van materiaal ten goede. De bal van tegenwoordig is zachter gepolsterd, wat lichter van gewicht en er kan daardoor meer snelheid worden gegenereerd.

Het lichaam wordt bij de sprongservice tot het uiterste gedwongen. Nimir Abdelaziz speelde vorig jaar een ijzersterk WK, maar begon twee dagen na de uitschakeling van het Nederlands team alweer met zijn clubwerk, bij Milano. De vermoeidheid zat nog in het lijf. ‘Twee weken later had ik een hernia. Ik ben er zeven weken uit geweest. Ik had het geluk niet geopereerd te worden. Nu speel ik met een gordel. Het gaat goed. Ik moet veel oefeningen doen om het onder controle te houden.’

Het lichaam helt bij de sprong naar de bal achterover. Het vervolg is een zwiep naar voren, als een soort van zweepslag om de bal extra vaart te geven. Abdelaziz: ‘Die zwiep zal wel iets met je rug doen, inderdaad. Eigenlijk is het probleem dat wij elfenhalve maand die zwiep doen.’

Beperking in training is er niet. Abdelaziz, op de vraag hoeveel van die sprongservices hij per sessie aflevert: ‘Valt wel mee hoor. Bij zes tegen zes, het partijspel, sla je jouw voorkeursservice. Een floater? Nee, hooguit eens een iets kortere bal.’

Van der Meulen: ‘Op je hardst serveren om de passer-loper van jouw team te trainen hoeft nu niet meer. Daarvoor hebben ze een machine, het ballenkanon. Want twintig services met honderd procent achter elkaar slaan, dat houdt geen mens vol.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden