Niks geen geweld, eerder kunst

Het gaat zo makkelijk, zo mooi ook, maar bovenal zo verschrikkelijk snel. Zie Jan Bos. Sprinten, de hogeschool van het schaatsen, is het domein van rasartiesten met een fabelachtige techniek....

'VROEGER zag je het ijs opspatten; nu is het allemaal zo gestileerd', zegt Jos Valentijn.

Dat waren nog eens tijden, eind jaren zeventig. Jos Valentijn werd bijna wereldkampioen en de sprint was een spektakel van gladiatoren. En kijk nu, het lijken wel balletdansers. Niks geen geweld, maar eerder kunst. En de beste komt uit Nederland, Jan Bos, de grootste stilist op smalle ijzers. Nooit een misslag, amper geluid als hij voorbij vliegt.

Jan Bos, 1.90 meter en 83 kilo, is naar eigen zeggen op het goede moment geboren. 'Vijftien jaar geleden had ik het kunnen vergeten. In de wind en op slecht ijs zou ik weinig kans hebben gehad tegen de Russische klerenkasten.'

Rusland geldt als trendsetter in het sprintmetier, met steevast Valery Moeratov als geestelijk leider. Zelf was hij begin jaren zeventig 's wereld beste sprinter, later vestigde hij als coach zijn naam opnieuw. In de jaren tachtig kneedde Moeratov de Wit-Rus Zjelezovski tot de perfecte sprinter van zijn tijd - een beer van 1.95 m en 96 kilo - om een decennium later met Klevtsjenja - een acrobaat van 1.77 m en 70 kilo - de nieuwe tijdsgeest een gezicht te geven.

Alle statistieken accentueren de Russische suprematie door de jaren. Sinds in 1972 het eerste officiële WK sprint werd gehouden eisten de volgelingen van Moeratov elf titels op, een score waaraan geen enkele andere schaatsnatie kan tippen. Vijfentwintig wereldrecords op de sprintnummers (mannen) getuigen evenzeer van de rijke Russische traditie.

Dat laatste cijfer had een iets bescheidener aanzien kunnen hebben als Eric Heiden in zijn hoogtijdagen permissie had gekregen zijn kunsten in Alma Ata te vertonen. Maar nadat de 18-jarige Amerikaan bij zijn enige optreden op de toenmalige Sovjet-wonderpiste in 1977 het wereldrecord op de 1000 meter (van de Rus Koelikov) met anderhalve seconde had verpulverd, besloot het Russisch sportcomité dat Heiden voortaan geweerd moest worden.

Aan de zijlijn zag Achim Franke, schaatscoach in de toenmalige DDR en later succesvol met de sprinter Mey, hoe het politieke spel verstrekkende sportieve consequenties kreeg. 'In die tijd lag het heel gevoelig dat een Amerikaan de Russen overklaste op hun terrein. Heiden werd vier keer op rij wereldkampioen sprint, daarop moest een antwoord van de Russen komen. Dat ging niet alleen om sport.'

Heiden had de schaatssport in de tweede helft van de jaren zeventig professioneel aanzien gegeven. Door zowel de sprint als het allroundschaatsen te domineren, toonde hij aan dat beide disciplines nog niet zo gespecialiseerd waren als de conservatieve schaatswereld destijds veronderstelde. Het succes van Heiden zette Moeratov aan het denken, met als gevolg dat de Russen terugsloegen met exceptioneel gespierde sprinters.

Van nabij sloeg Jos Valentijn de ontwikkelingen gade. 'Als iedereen twintig kniebuigingen deed, deed Heiden vijfentwintig. Hij liet zien dat je met krachttraining heel veel kon bereiken. Dat werd de trend. Toen zijn we in Nederland ook met gewichten gaan trainen. Maar de Russen sloegen alles. Zoals die eruit zagen, daar viel je mond soms van open.'

Namen?

'Chlebnikov natuurlijk. Dat was wat.'

Sergei Chlebnikov was de meest extreme exponent van de Russische school. Zijn excessieve musculatuur leverde hem in 1982 de wereldtitel op, maar even kenmerkend waren de talloze spierblessures die hem parten speelden. In Igor Zjelezovski stond een sprinter op bij wie kracht en techniek beter in balans waren.

'Niemand kon zo met zijn krachten smijten en toch redelijk technisch blijven schaatsen als Zjelezovski', zegt Franke.

Maar schaatsen gebeurde buiten. 'Ik heb genoeg wedstrijden meegemaakt waar het ijs matig was en een stevige wind stond', zegt Valentijn.

Logisch derhalve dat sprinters hun heil zochten in spiermassa, erkent Jan Bos. Zelfs nu nog, in een periode dat grote sprinttoernooien zich bijna uitsluitend afspelen onder een dak, merkt hij hoe de hiërarchie verandert op de spaarzame momenten dat de sprintelite de krachten in de buitenlucht meet. Dan gaat winnen Bos veel moeilijker af.

Bos: 'Op buitenbanen zit de rest redelijk dicht bij me, binnen rijd ik ze op seconden. Tegenwoordig gaat het minder om brute kracht, veel meer om techniek en explosiviteit. Je hoeft nu niet bang te zijn dat een windvlaag je uit balans zal brengen. Met mijn postuur zou ik veel meer last hebben gehad van de wind dan Zjelezovski. Die beukte gewoon door alles heen.'

De wetenschap plaatst overigens vraagtekens bij die stelling. Onderzoek aan de VU in Amsterdam heeft uitgewezen dat extra spiermassa z'n tol eist op het gebied van luchtweerstand - meer massa betekent meer omvang. Beide effecten (spierkracht versus weerstand) zouden elkaar zelfs nagenoeg in evenwicht houden. Volgens wetenschapper Jos de Koning, verbonden aan de VU, was het geloof in spierkracht mogelijk vooral een mentale kwestie.

'Je moet de psychische effecten niet onderschatten. Als destijds collectief gedacht werd dat je zonder zoveel spierkracht kansloos bent, dan ìs dat ook zo. Iemand die aan de start staat met het idee ''aan mijn kracht kan het niet liggen'' heeft een mentale voorsprong op iemand die denkt ''heb ik wel genoeg kracht?''. Ook al toont de wetenschap aan dat die kracht niet zaligmakend is.'

Slechts een enkeling durfde in de jaren 70/80 uit de Russische voetsporen te treden. De opvallendste solist was de Canadese Gaetan Boucher die weigerde zijn magistrale techniek ondergeschikt te maken aan kracht. En met succes.

De eigenzinnigheid van Boucher zette Achim Franke aan het denken. In Uwe-Jens Mey had de Oost-Duitse trainer een sprinter ontdekt met een fragiel postuur maar een uitzonderlijk coördinatief vermogen, wat hem voor het dilemma plaatste in hoeverre krachttraining ten koste zou gaan van de natuurlijke gaven.

Voor Franke was de Amerikaan Thometz het voorbeeld hoe het niet moest. 'Nick Thometz en Dan Jansen waren als junior beiden ook atletisch, geen krachtpatsers. En Thometz was misschien wel het grootste talent van de twee. Maar ik denk dat ze te veel de nadruk op krachttraining hebben gelegd. Jansen kon dat verwerken, maar Thometz raakte het gevoel kwijt.'

Franke's pupil Mey brak wel door. Vrijwel uitsluitend op basis van techniek greep de Berlijner tweemaal olympisch goud op de 500 meter (1988 en 1992) en accepteerde daarmee min of meer dat zijn gebrek aan brute kracht hem nooit de wereldtitel zou opleveren. Op het WK bleef zijn succes beperkt tot driemaal zilver, respectievelijk achter de beulen Jansen en Zjelezovski.

Voor Franke leidt het desondanks geen twijfel wie de beste pur-sang sprinter was. 'Uwe-Jens Mey is de beste aller tijden. Bos komt technisch in zijn buurt, Shimizu heeft hetzelfde reactievermogen. Als Mey vaker in een hal had kunnen rijden, zou hij meestal van Zjelezovski hebben gewonnen. Kijk maar naar hun tijden in Calgary.'

IN DE olympische hal van Calgary werd in 1988 aangetoond dat techniek een zwaarwegender factor was geworden dan kracht. Waar Mey naar goud (500 meter) en zilver (1000 meter) flitste, had Zjelezovski alle moeite op de been te blijven. Brons was op de kilometer een troostprijs voor de Wit-Rus, die tijdens negen WK's twaalf keer de duizend meter won. De trendbreuk in Calgary was coach Moeratov niet ontgaan.

Hoewel de technische bijscholing die Zjelezovski nadien onderging hem nog vijf jaar aan de top hield, begreep Moeratov dat het moderne tijdsbeeld een ander type sprinter vereiste. Bij het indoor-WK van 1994 presenteerde de Russische sprintprofessor zijn nieuwe meesterleerling, Sergei Klevtsjenja. De nieuwe ster werd op het WK tweede - Zjelezovski zesde - en greep in 1996 en 1997 de wereldtitel.

En weer haakte de rest van de wereld aan. 'Iedereen heeft Klevtsjenja gekopieerd; we zijn nu bezig die stijl te perfectioneren. Niet meer smijten met je krachten. Lang glijden, een hele goeie timing, en een heel felle, explosieve afzet. Klevtsjenja is technisch absoluut beter dan Zjelezovski, veel beter zelfs', meent Bos.

Dat laatste waagt Valentijn te betwijfelen. 'Omdat de omstandigheden in een hal ideaal zijn, oogt het bij alle sprinters nu mooier. Maar Russen hebben altijd een fabelachtige techniek gehad. '

Wetenschapper Jos de Koning, gerenommeerd onderzoeker van schaatsontwikkelingen, ziet niettemin een opmerkelijk verschil. 'Tegenwoordig hebben sprinters nauwelijks nog moeite met de binnenbocht. Vroeger bijna allemaal. Dat betekent dat de techniek beter is geworden.'

Bos gaat nog een stap verder. 'Vroeger dachten ze: oei, binnenbocht. Wij denken: fijn, binnenbocht. Daar pakken we juist onze snelheid.'

En met de komst van de klapschaats is die ontwikkeling in een stroomversnelling gekomen. Door de hogere snelheden die in de hal en op de klapschaats worden bereikt, zijn ook de fysieke normen voor sprinters veranderd. Spiermassa wordt tegenwoordig beschouwd als ballast, met name in de bochten.

De Koning: 'Door de hogere snelheid neemt de centrifugaal kracht toe. Met zo'n groot, zwaar lichaam word je eerder uit de bocht geslingerd dan met een kleiner, atletisch lichaam.'

De opvallendste exponent van de nieuwe generatie is Hiroyasu Shimizu, slechts 1.62 meter en 65 kilo maar niettemin ongenaakbaar op de 500 meter. Op snelle pistes is de Japanner zelfs bij machte de wereldtitel (500 en 1000) te grijpen, stellen Bos, Franke en De Koning unaniem, en dat was vijftien jaar geleden ondenkbaar.

Franke: 'Met die korte beentjes zou Shimizu vroeger niet genoeg kracht hebben kunnen ontwikkelen bij zijn afzet. Nu zijn die korte beentjes juist zijn voordeel. Niemand kan op dat snelle ijs zo'n hoge slagenfrequentie maken en daardoor zo versnellen als hij.'

Een ander bewijs voor de verbeterde techniek weerspiegelt zich volgens De Koning in het toenemende aantal sprinters dat zich de laatste jaren laat gelden op de 1500 meter. Waar slechts een enkeling in het verleden de macht vond om de extra ronde op de mijl te volbrengen, weten sprinters zich nu met relatief gemak te handhaven. Bos was zelfs al eens officieus wereldrecordhouder.

'Doordat sprinters tegenwoordig een betere techniek hebben, kunnen ze zuiniger met hun krachten omspringen en daardoor verzuren ze minder snel', doceert De Koning.

Alle signalen wijzen volgens Achim Franke op een periode van hoogconjunctuur in het sprinten. Steeds nadrukkelijker ziet de Duitse trainer een neiging onder sprinters om talent specifiek in dienst te stellen van òf de 500 meter òf de combinatie van 1000/1500 meter. Marginale verschillen in fysiek en techniek zullen volgens Franke in de toekomst beslissen over winst en verlies.

Die verwachting, gevoegd bij de wetenschap dat volgend seizoen de hal van Salt Lake City op 1300 meter hoogte (300 meter hoger dan Calgary) zijn poorten opent, brengt Franke tot een gewaagde voorspelling. 'Volgend jaar rijdt een sprinter de 500 meter onder de 34 seconden.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden