Nette clubs tegen het volksvoetbal

Het spel met het leren monster was oorspronkelijk aan de gegoede burgerij voorbehouden. Kwam de spelverruwing uit de lagere standen voort?...

NIEMAND zal zich de wedstrijd Vitesse-Wageningen uit de voetbalcompetitie van 1927/1928. herinneren. Het werd een gelijkspel, 1-1. Een wat saaie uitslag, maar dat gold niet voor de wedstrijd.

Uit het verslag in de Arnhemsche Courant: ''t Was een vertoning die zeker meer op een rugby- dan op een voetbalwedstrijd geleek, waarbij de duizenden voetballiefhebbers zich zullen hebben geërgerd aan de meest walgelijke, de meest unfaire voetbalpraktijken waaraan een aantal zogenaamde sportmensen zich talloze keren schuldig maakten.'

Vooral Wageningen-speler Arnouds maakte het bont. De Arnhemsche Courant: 'Het spel was nog slechts enige minuten oud, toen deze speler als een dolleman op Vitesse-doelman Spanjaard afstormde om hem het leder uit de handen te lopen. Hij kreeg een waarschuwing van de scheidsrechter, doch Arnouds scheen zich hier al bitter weinig van aan te trekken. Mogen we Vitessenaar De Jong geloven, dan beloofde Arnouds hem onder 't spel een trap te zullen geven, een belofte die hij niet verzuimde na te komen, met 't gevolg dat De Jong na rust moest uitvallen...'

De onlangs in het nieuws gekomen voorzitter van de Wassenaarse voetbalvereniging Graaf Willem II/VAC, Loek Borsboom, is zeker niet de eerste voetbalbestuurder die zich druk maakt om de spelverruwing. Graaf Willem II/VAC was eind januari betrokken bij ernstige ongeregeldheden op het voetbalveld, waarbij drie spelers van tegenstander De Jagers de scheidsrechter te lijf gingen. Voorzitter Borsboom waarschuwde bij die gelegenheid dat op die manier als vanzelf een wilde competitie zou ontstaan van verenigingen die wel een leuke pot voetbal willen spelen. Borsboom: 'Ik zal daar niet de organisator van zijn (...), maar ik verwacht dat die ontwikkeling niet tegen te houden is.'

Dat is nog maar de vraag. Het plan voor een competitie tussen 'nette' clubs is tachtig jaar geleden ook al eens geopperd en al die tijd is er niets van terechtgekomen.

Terug naar 1927. Het verloop van de wedstrijd tussen Vitesse en Wageningen staat model voor een ontwikkeling die in de jaren na de Eerste Wereldoorlog steeds manifester werd. Voetbal groeide in die jaren als kool. Het aantal van 2300 - uit de grote stad afkomstige - spelers dat in 1900 de competities bevolkte, was 25 jaar later gegroeid tot bijna vijftigduizend voetballers uit heel het land. Elk jaar kwamen er duizenden spelers en tientallen clubs bij.

De invoering van de achturige werkdag, de toegenomen vrije tijd en de relatieve goedkoopte van de sport hadden voetbal tot een zaak van het gewone volk gemaakt. Door de mobilisatie in de Eerste Wereldoorlog hadden bovendien de plattelandsjongeren met voetbal kennisgemaakt.

Alles bij elkaar betekende dit dat de oude stedelijke eliteclubs (waaronder in zekere zin Vitesse) steeds vaker moesten voetballen tegen clubs als Wageningen, waarvan de leden uit een mindere stand kwamen.

In het begin van de eeuw vonden de eliteclubs dat nog niet zo erg ('op het voetbalveld bestaat geen standsverschil'), maar in de loop van de tijd waren zij zich steeds onprettiger gaan voelen. De arbeiders en de plattelanders speelden het spel zo hard, dat het welhaast een levenskwestie leek. Ook meer algemeen bleken de opvattingen over hoe het voetbal behoorde te worden gespeeld, uiteen te lopen. Was voor de oorspronkelijke clubs het voetbalspel slechts een tijdverdrijf, waarbij genoegen en ontspanning op de eerste plaats kwamen, bij het wassende leger aan volksclubspelers werd de wekelijkse wedstrijd een gebeurtenis van belang, waarbij men zich kon manifesteren voor soms duizenden toeschouwers.

De sportjournalist D. Hans wees erop dat volksvoetballers robuuster en met meer fanatiek enthousiasme speelden dan de oude elitevoetballers, die het spel onverschilliger en eigenlijk blasé benaderden. Zijn mening werd gedeeld door de godfather van het Nederlandse voetbal, Pim Mulier. Mulier vond dat de hogere kringen de teloorgang van hun positie mede aan zichzelf hadden te wijten. Van de training bijvoorbeeld maakten zij een potje. Een paar rekoefeningen konden er nog van af, maar 'verhardingsoefeningen, als plus minus twee kilometer in zéér stevige draf desnoods tweemaal in de maand en atletisch juist uitgevoerde start-trials, ontbreken vooral bij de best gesitueerde standen'.

Daarnaast betekende het toekijken van supporters dat er toegang kon worden geheven. Met inkomsten waren de volksclubs in staat betere spelers te lokken, door gunstige reis- en verblijfskosten.

DERGELIJKE praktijken waren de eliteclubs niet gewend. Geld, de beuk erin gooien, ronselen, per se willen winnen, onbeschaafd gedrag: zij vonden het voetballen ronduit ongezellig geworden. In de jaren na de Eerste Wereldoorlog verlieten dan ook steeds meer spelers de oude clubs en weken uit naar het hockey, het tennis of het cricket. Daar was men tenminste weer onder elkaar.

Om de ontwikkelingen van verruwing en professionalisering een halt toe te roepen, werd op 12 november 1922 door enkele bestuurders van de oude eliteclubs de vereniging De Nederlandse Corinthians opgericht, naar analogie van de Britse Corinthians, een vereniging van amateurs die zich ten doel hadden gesteld de voetbalsport te propageren.

Een van de ideeën die tijdens een van de eerste bestuursvergaderingen op 17 februari 1923 werden geopperd, was toelating tot de eerste klasse aan dusdanige regels te onderwerpen dat alleen 'nette' clubs nog eersteklasser konden worden. Het idee is nooit tot uitvoering gebracht, zoals de meeste ideeën van de Nederlandse Corinthians zijn blijven hangen in de notulen. Dat komt mede door de beeldvorming van de Nederlandse Corinthians in de sportpers. De Corinthians vormden een arrogante, elitaire club en werden door de sporters weinig sympathiek gevonden.

Wie de negen jaargangen van het tijdschrift De Corinthian doorneemt, kan daar begrip voor opbrengen. Mocht de gewone voetballer in theorie waardering hebben voor hun doelstelling te 'streven naar zuivere amateursopvattingen én naar verbetering van sportverhoudingen', in de praktijk bleek het blad grotendeels gevuld te worden met verslagen en reportages over golf, autorijden, lawntennis, hockey en skiën. Daar hadden de gewone voetballers weinig boodschap aan, ondanks de soms komische propaganda voor fair play die in het blad viel te lezen.

De in 1937 stilletjes opgeheven Nederlandse Corinthians hebben dan ook nooit een gezaghebbende positie verworven, ook al hadden de voetbalbondsbestuurders, die uit dezelfde maatschappelijke klasse kwamen, wel sympathie voor hun opvattingen van sportiviteit, amateurisme en leiderschap.

In de praktijk moest de Nederlandse voetbalbond, die wel de grootste, maar lang niet de enige Nederlandse overkoepelende voetbalorganisatie was, echter schipperen. Ontevreden clubs konden zomaar overstappen naar aparte voetbalbonden voor bijvoorbeeld kantoorpersoneel, arbeiders of katholieken. Een aparte competitie was onhaalbaar en met het verordonneren van strengere straffen moest men voorzichtig zijn. Wat nog het best kon, was de kwaliteit van het kader bevorderen door sportleiderscursussen te organiseren.

Daarover valt in een sportblad echter weinig te melden. De voornaamste eye catcher bleef daardoor het ruwe spel als uiting van onbeschaafd gedrag. Daar viel veel meer en veel gemakkelijker over te schrijven. Herhaaldelijk klinkt in De Corinthian daarom de roep om strengere straffen tegen overtreders van de spelregels: 'Wanneer zal de bond nu eens afdoende optreden tegen de spelbedervers, tegen de vlegels van elken zondag, die nu hier, dan daar, zich meester voelen en door een ruwen, niets ontzienden speltrant ons spel van goede sportlui onberekenbaar nadeel doen?'

Ook Pim Mulier liet in 1929 weten: 'Reeds vijf jaar geleden heb ik rigoureuze maatregelen tegen zeer enkelen, die als gemene gevaarlijk spelers bekend staan, aanbevolen, wilde die buitengemeen streng vervolgen. Het is geketst. Maar toch ben ik er nog steeds vast van overtuigd, dat bij recidive vooral het voor lange tijd en facultatief zelfs voor het leven, zonder genade uit onze voetbalwereld verbannen van die enkele onverlaten, het spel en onze bond, als nationale zaak beschouwd, ten goede zou komen. Men straft te slap! Die enkelen onbeheersten en ruwe poenen verjagen de kinderen van onze upper duizend van onze velden, dat behoeft geen commissie voor mij uit te knobelen. Zó is het.'

Inmiddels is de KNVB al strenger gaan straffen. Kennelijk heeft het nog niet veel geholpen. Een aparte competitie? Daarin kunnen toch moeilijk álle voetbalclubs deelnemen. Resteert wellicht een plan dat de sportsociologen dr. Ruud Stokvis en dr. Maarten van Bottenburg op 15 november 1997 in het Algemeen Dagblad publiceerden. In hun opvatting zou de KNVB zich meer moeten gaan bezighouden met de socialisatie van voetballers en zou er daarnaast een toelatingsbeleid moeten worden ontwikkeld. Met andere woorden: niet iedereen zou zomaar lid van een voetbalclub mogen worden, men zou eerst een soort examen moeten afleggen. Daarnaast dient ieder elftal een gekwalificeerde leider te hebben.

Ideeën die een Corinthian niet zouden misstaan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden