ANALYSE

Nederlandse zwemmers snakken naar succesje

Geen enkele Nederlandse man heeft zich gekwalificeerd voor de WK kortebaan. Een enkeling liet die mogelijkheid schieten, anderen zijn niet goed genoeg. Het is hoog tijd voor verandering.

Verschuren op de NK kortebaan. Hij is een van de weinige Nederlandse mannen die dicht bij de wereldtop komen.Beeld Koen van Weel / ANP

Acht vrouwen en nul mannen, dat is de Nederlandse afvaardiging naar de WK zwemmen op de kortebaan, begin december in Qatar. Het is een dieptepunt in de moderne geschiedenis van het Nederlandse zwemmen. De overheersing van de vrouwen is compleet, de mannen zijn ondergeschikt geraakt.

Technisch directeur Joop Alberda wilde geen kunstgrepen uithalen om alsnog vier mannen voor een estafettenummer mee te nemen naar Doha. Bij de vrouwen werd het vijftal geplaatste topzwemsters juist met drie estafetteleden uitgebreid, om de kans op WK-succes te optimaliseren.

Ranomi Kromowidjojo

Dat de vrouwen de Nederlandse mannen in het bad domineren, is niets nieuws. Alberda kwam zondag, bij de NK kortebaan in Tilburg, met historische voorbeelden. De Nederlandse vrouwen, van Zus Braun tot Ranomi Kromowidjojo, deden het meestal goed, legde hij uit. Op de laatste vier Olympische Spelen hebben ze een behoorlijk aantal medailles behaald, maar dat is slechts 35 procent van de totale oogst van de vrouwen sinds 1928, de eerste keer toen ze mochten meedoen.

De mannen zwemmen al sinds 1896 op de Spelen. Tot 2000, het jaar van de mondiale doorbraak van Pieter van den Hoogenband, slaagden de Nederlanders er nauwelijks in een medaille binnen te slepen. Tussen 2000 en 2012 werd 85 procent van de totale hoeveelheid olympisch eremetaal veroverd. Bij al die plakken was Van den Hoogenband betrokken.

Alberda noemde de tweevoudig olympisch kampioen op de 100 meter vrije slag 'de Cruijff van het zwemmen', een uniek talent dat één keer in de honderd jaar voorbij komt. Niemand zal dat tegenspreken.

Ranomi Kromowidjojo bereidt zich voor op de 100 meter vrij tijdens de Open Nederlandse Kampioenschappen.Beeld anp

Talent

Zo'n talent is nu niet voorhanden. De enige mannen die in de buurt van de wereldtop vertoeven, Sebastiaan Verschuren (vrije slag) en Joeri Verlinden (vlinderslag), zijn om uiteenlopende redenen in hun ontwikkeling blijven stilstaan.

Verschuren, de nummer 5 van de olympische finale op de 100 vrij, blijkt twee jaar lang te weinig hardheid en diepgang in zijn training te hebben gelegd. Verlinden, de nummer 6 van de 100 vlinder in Londen, is door coach Martin Truijens de deur gewezen. Hij traint voortaan in Eindhoven.

Verlinden en Verschuren waren sterk geworden in de samenwerking van een groep van vier. In Amsterdam trainden in de aanloop naar Londen 2012 vier jongens uit de wisselslagestafette. Lennart Stekelenburg en Nick Driebergen, beiden na Londen gestopt, deden fanatiek mee.

Uit die samenwerking haalt Alberda de inspiratie om een nieuwe project te beginnen. Hij wil de 4 x 200 meter vrije slag van de mannen, waarop Nederland nummer 5 van Europa is, aanmerken als Project 2016. Alleen op die manier kunnen er naast een tiental vrouwen ook vijf mannen naar de Spelen in Rio.

Alberda, sinds elf maanden actief bij de zwembond, noemde in Tilburg vijf namen: Sebastiaan Verschuren, Ferry Weertman open water), Kyle Stolk, Maarten Brzoskowski en Joost Reijns. Hij vergat Dion Dreesens, die naar Amerika is uitgeweken.

Strenge evaluatie

De technisch directeur van de KNZB hamert op meer competitie. Onder zijn voorganger Jacco Verhaeren werd Nederland een land dat zwemmers opdroeg een, hooguit tweemaal per jaar te pieken. Het was het pad dat Verhaeren na 2000 voor Van den Hoogenband had uitgestippeld. Dat werkte, voor hem. Het is volgens Alberda niet het procedé waaraan het hele zwemmen zich moet houden.

Zijn betoog: een WK is een WK. Hij ergert zich aan de zwemmers die elke competitie wegen, die kortebaan minder belangrijk vinden dan langebaan (50 meter-bad). Zo liet Verschuren de mogelijkheid schieten zich in Tilburg voor Doha te kwalificeren.

Hij en zijn trainer Truijens kunnen een strenge evaluatie tegemoetzien. Alberda vindt elke competitie, Europees of mondiaal, van groot belang. Zwemmers moeten zwemmen, is zijn opvatting. In de top zijn verschillen te zien van tachtig starts per jaar. De ijverigste gaat per jaarlijks 102 keer te water, de meest berekenende doet het 22 maal.

Het schrikbeeld is dat bij de Spelen van Rio een marginale ploeg wordt afgevaardigd. Alberda kent de geschiedenis: bij de Spelen van Barcelona in 1992 kwam Nederland met acht vrouwen en één man aan de start. De arme Marcel Wouda ging ten onder aan de verwachtingen.

Joop Alberda, technisch directeur van de KNZB tijdens de persconferentie van de Nederlands ploeg op het EK zwemmen in Berlijn. Augustus 2014Beeld anp
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden