Nederlandse waterratten wakkergeschud

In april 1962 kwam hij vanuit Australië naar Nederland. Het sneeuwde bij aankomst op Schiphol, maar de zwemwereld wist dat met de komst van de Australische coach exotische tijden waren aangebroken....

Hij en zijn vrouw Ursula – het stel runt op hoge leeftijd (85 en 75) een keten van zwemscholen in Sydney – deden de voorbereiding op de Europese titelstrijd van Leipzig naar hun inzichten. Die waren op wetenschappelijke kennis en ervaring gestoeld. Carlile had er geen moeite mee om onderzoeken naar het zenuwsysteem van ratten te transfereren naar de sport.

‘Het toepassen van de gevolgtrekkingen van deze wetenschap op de training van sportlieden – in het bijzonder van zwemmers – is een niet te grote overgang’, schreef hij in zijn door Joop van der Reijden vertaalde zwembijbel Forbes Carlile Over Zwemmen.

De Australiër met de borstelwenkbrauwen was in eigen land een vermaarde coach, maar als professional moest hij bij de Olympische Spelen van 1956 en 1960 uitwijken naar tv-commentaarposities. Hij mocht in het puriteinse olympische wereldje als non-amateur niet aan de rand van het bad.

Hij besloot, aangezocht door de pas benoemde directeur Wim den Boer van de Nederlandse zwembond, te verhuizen naar Nederland, een door de olympische boycot van 1956 verbleekt topland uit het Europese zwemmen.

Carlile ging naar het koude Holland (‘met dat loodzware buitenwater van jullie’) voor het toen duizelingwekkende salaris van 31.500 gulden. Hij kreeg van de bond een auto.

‘Ik reed ermee door het hele land. De uitvalsbasis was Utrecht. Mij zijn vooral de ritten naar het verre Groningen bijgebleven. Daar ging ik heen om Klenie Bimolt training te geven.’

Carlile, zelf in 1952 deelnemer aan de Spelen op de moderne vijfkamp, was een pionier. Hij was in alle opzichten zijn tijd ver vooruit. In 1955 promoveerde hij aan de Universiteit van Sydney op ‘fysiologie in de spieractiviteiten’. Hij werkte samen met professor Frank Cotton en de grote Amerikaanse coach, Doc Counsilman.

Hij was een filmgek en maakte, als eerste, onderwaterbeelden. Hij werkte met een hartslagmeter, nam bloed af voor de meting van het hemoglobinegehalte en had in het Ryde Swimming Centre zijn eigen laboratorium. ‘Dat alles liet ik achter voor een tijdelijke emigratie naar Europa’, vertelde hij deze herfst in zijn woning in Ryde, een museum van zwemparafernalia.

De Australische trainer voerde na zijn – met veel onrust omlijste – komst de intervaltraining in, de afwisseling van afstanden en inspanningen. Dat was een cultuuromslag voor de Nederlandse zwemtop, in die tijd in handen van Wil Bunschoten en Jan Stender.

Zij waren gewend in de Loosdrechtse plassen ‘in matige snelheid’ stukken van één kilometer heen en één kilometer terug te oefenen.

Nog beroemder werd de wetenschapper Carlile door de tapering-off. Dat trainingsprincipe van kort voor de grote toernooien allengs meer rust nemen, is heilig verklaard in het zwemmen en geldt nog steeds in de aanpak van de huidige topcoaches als Jacco Verhaeren en Fedor Hes.

‘Kort voor de beslissende competitie is het beter weinig te doen dan veel te doen’, sprak Carlile. Hij noemde het kalm aan doen, op één tot drie weken van het toernooi. ‘Ik beveel in het algemeen niet aan helemaal niets te doen. Ik stel wat minder intensief zwemmen voor, op 75 procent van het kunnen.’

Kort voor de EK van Leipzig betrokken de Carliles een trainingskamp in Borne, een openluchtbad, waar hij tenten plaatste om tussen de trainingen door te kunnen rusten. Tot grote schrik van de volgers werd er nauwelijks gezwommen.

Dat moest wel misgaan. Hij drukte zijn zwemmers op het hart rustig te blijven, de resultaten van zijn bewezen aanpak zouden volgen. Hij beval zijn zwemmers zich volledig te scheren, dat zou een à twee seconden schelen. Warming-up en cooling-down werden begrippen.

Hij leerde de zwemmers ook visualiseren. Zij moesten de race tevoren in het hoofd doornemen. Wisselslagzwemmer Jan Jiskoot vertelde er na zijn zilver over: ‘Carlile schreef rust voor. Wij moesten slapen en denken. Denken zei hij. Zie jezelf in de race. Kijk naar de tegenstanders. Let op je keerpunt. Verzamel krachten voor de eindsprint. Nu, nu is het tijd. Explodeer. En vlieg van de concurrentie weg. En win, win altijd. Denk nooit aan verliezen.’

De Nederlandse ploeg won in de Oost-Duitse stad. Ze keerde terug met zes gouden medailles, zes zilveren en vijf bronzen. Nederland, met illustere namen als Ada Kok, Ria van Velsen, Adrie Lasterie, Johan Bontekoe en Jan Jiskoot, werd eerste in het medailleklassement.

Forbes Carlile had zijn naam gevestigd. Zijn grote rol, achteraf beschouwd: hij schudde het Nederlandse zwemmen, nog altijd terend op de roem uit tijden met topcoaches als Ma Braun en Jan Stender, wakker uit een suffe slaap.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.