Naar de andere kant van de muur

Voor veel Nederlandse hardlopers is de marathon van New York, die morgen wordt gelopen, het ultieme doel. Zo ook voor Volkskrant-correspondent Diederik van Hoogstraten, die sinds 2002 in de stad woont en traint....

Het is dat ik geen haar op mijn hoofd heb, anders zou het van de snelheid wapperen. Voor mijn gevoel vlieg ik de heuvel af. Toby Tanser fietst naast me. Zijn blonde manen dansen wel in de wind. ‘Zet door’, zegt hij. ‘Een lichte pas, als de Kenianen.’ Ik schiet in de lach, wat me bijna doet struikelen. Hoewel ik tanig te noemen ben, zijn er niet veel overeenkomsten tussen een Keniaan en mij. Toby laat zich niet afleiden. ‘Ontspan je schouders. Loop vanuit de heupen.’

Het is een regenachtige dinsdag in het voorjaar. In Central Park doen we met vijftien mensen speedwork, een wekelijkse intervaltraining die vandaag drie keer 1 mijl (1,6 kilometer) op snelheid behelst, steeds met twee minuten pauze. Na afloop sta ik naar adem te happen bij een boom. Toby klopt op mijn rug. ‘Niet slecht, Nederlander.’

Een klein compliment van Toby – daar doen volksstammen lopers het voor in het groene hart van Manhattan. Hij is de coach van de New York Flyers, mijn hardloopvereniging. Met een boeddhistische uitstraling traint en inspireert hij allerlei clubjes en mensen. De in IJsland geboren New Yorker rent elke dag en zit in het bestuur van de New York Road Runners, die de marathon organiseren. Hij is bevriend met ongeveer elke loper in de stad. En met Martin Lel, Lorna Kiplagat en veel andere top-Kenianen, die hij vaak bezoekt. Hij schreef hardloopboeken en doet goed werk voor gehandicapten in New York en kinderen in Kenia.

Dat is Toby, een soort burgemeester van Central Park en een extreem kalme hoofdpersoon in de fanatieke, diverse loopgemeenschap van New York. Ren met hem langs het Reservoir of de Great Lawn, en om de paar minuten roept er wel iemand: ‘Hé, Toby!’

Hij was niet de reden dat ik me begin dit jaar bij de Flyers voegde. Ik kende zijn naam niet eens. Maar zijn steun droeg er wel aan bij dat ik in het rode Flyers-shirtje sneller ging lopen, mijn pas en postuur verbeterde, en me in alle opzichten beter ging voelen. Dit terwijl mijn 40ste verjaardag in juni kwam en ging.

De datum zondag 1 november hangt al het hele jaar in mijn hoofd rond. De ING New York City Marathon is zwaar en legendarisch. Zozeer, dat de Nederlands-Keniase Lornah Kiplagat (wereldrecordhoudster op vele afstanden) me dit laat weten: ‘Het zou de kroon op mijn carrière zijn.’

Weinig is mooier dan alles geven op het podium dat New York is, met twee miljoen toeschouwers langs de kant. Honderden Nederlanders zijn het met Kiplagat en mij eens. Zij komen om te lopen of juichen, herkenbaar aan oranje shirts en lange, getrainde lijven.

Op die eerste zondag in november zijn de straten leeg en schoon. De overige 364 dagen is de stad een oneindige hindernisloop. Ik houd net als iedere runner van idyllische natuurtochten, maar mijn stad is nu eenmaal rauw en druk. Dit komt de loper ten goede, daarvan ben ik overtuigd, want zonder focus, kracht en flexibiliteit delf je het onderspit.

We hebben te maken met botte buschauffeurs en volstrekt onberekenbare gele taxi’s. En tegenwoordig ook met zwalkende idioten op fietstaxi’s. Om de chaos compleet te maken laat iedereen zijn eten brengen door ontelbare bezorgers-te-fiets. Voor de loper is elke bezorger een potentiële opponent.

Bovendien worden de trottoirs in mijn buurt in beslag genomen door moeders en nanny’s met kinderwagens . Een ongeschreven wet van de New Yorkse stoep is dat je je tempo en richting aanhoudt. Geen onverhoedse bewegingen. Vrouwen met kinderen negeren die regel achteloos. Meer dan eens heb ik een jonge moeder van achteren ‘aangelopen’ toen ze abrupt tot stilstand kwam. En dan boos op mij werd.

Na vele aanvaringen hou ik me tegenwoordig rustig. Maar de klassieke woordenwisseling valt met regelmaat te horen. Laatst nog op 3rd Avenue:

Bezwete hardloopster: ‘Hey asshole, ik heb voorrang.’

Taxichauffeur, toeterend midden op het zebrapad: ‘Fuck you.’

‘Fuck me? Ik loop hier! Fuck YOU.’

‘Go fuck yourself.’

‘You too.’

Toch wemelt het van de lopers – doorgaans leuke en beleefde mensen, echt waar. Rennen is een sport van hoogopgeleide blanken, zeggen ze. Maar niet in New York. De watervlugge latino’s van loopclub Los Compadres duiken overal op. Ik heb met zwarte dames op leeftijd in Harlem gerend, met Aziatische kinderen in Queens, met joodse heren inclusief keppeltje in Brooklyn. De stilte van Central Park kan betoverend zijn, en niet alleen voor verliefde stellen. Een rondje downtown langs de Hudson-rivier met zicht op het Vrijheidsbeeld? Ongeëvenaard.

De veertigste NYC Marathon wordt mijn derde. En het moet beter.

Ze zeggen dat er na de 25 kilometer een muur is waar iedere loper stuk kan gaan. Mijn ervaringen tot nu toe bevestigen dit.

Maar dan moet er ook een andere kant zijn, en daar wil ik heen. Kiplagat en haar man en coach Pieter Langerhorst raden dan ook aan om de tweede helft sneller te lopen dan de eerste. Een goed advies voor de eliteloper, maar voor de meeste stervelingen weinig realistisch. Toch zegt Langerhorst: ‘Probeer tot 34 kilometer met de rem erop te lopen. Dan kun je je echt laten gaan.’

Het idee is dus om over de muur te springen. Nou ja, zonder ambitie ben je nergens.

De ambitie en de passie zijn niet voor iedereen. In het boek Waarover ik praat als ik over hardlopen praat vertelt de Japanse schrijver Haruki Murakami hoe duurlopers alleen kunnen zijn; een absolute voorwaarde. Om die reden suggereer ik net als Murakami zelden dat iemand het eens moet proberen. Wie het in zich heeft, vindt vanzelf zijn weg.

‘De meeste lopers lopen niet hard omdat ze langer willen leven’, observeert hij in dit mooie, ranke boek. ‘Maar omdat ze hun leven volop willen leven. Om zo de eenzaamheid te genezen en relativeren.’ Hij omschrijft lopen als een manier ‘om afstand te nemen van wie je was’. Ik herken dit als voormalig ziekenhuispatiënt en roker.

De vraag is waar deze sportieve neiging vandaan komt. Mijn grootvader Kees en grootmoeder Frieda Dorsman waren in de jaren twintig en dertig fanatieke roeiers en lopers. Later bleven ze wandelen, zeilen, bergbeklimmen en genieten tot het einde. De laatste keer dat ik mijn opa zag in 2006, stond hij erop dat we gingen lopen. Dat leek me ambitieus – hij was 94 en broos – maar wie ben ik? We reden met de auto naar een bospad. Met mijn moeder schuifelden we vierhonderd meter door het zand, zo ver als een rondje op de atletiekbaan waar hij als jongen zegevierde.

‘Lekker gelopen’, vond opa Kees, die een maand later rustig stierf.

In de jaren zeventig nam hij neef Kees en mij mee om te trimmen in Eindhoven. Als kranige kereltjes vonden we dat gaaf. Kees is ook nog steeds een loper. We voelen beiden aan dat we met de jaren beter worden. Ouder, wijzer én sneller. Kees: ‘Je hebt er toch geduld voor nodig.’

Geduld, en zelfvertrouwen. Afstand en snelheid kunnen samen een intimiderende cocktail vormen. ‘Ik kan het niet’ is een verlammende overtuiging, zeker bij het lopen. Pas begin dit jaar begon ik te beseffen dat ik het wél kan, als ik tenminste ophoud met mezelf grenzen opleggen. Tegenwoordig heb ik dankzij mijn vereniging een loopvriend, Eddie. Zodra hij me hoort twijfelen, versnelt hij de pas en vraagt hij me om ‘die onzin’ achterwege te laten.

In onze familie heette het zich snel te voet voortbewegen ook wel hollen. Die term veroorzaakt bij lopers die ik ken een grimas alsof ze na de eerste slok merken dat ze zout in hun koffie hebben gestrooid. Hollen is voor paarden, schreef een respondent op de Volkskrant-blog die ik in 2007 bijhield. Deze vergelijking zou de lopende mens trouwens kunnen omarmen. Probeer maar eens om een paard in galop bij te houden.

Hollen, trimmen, joggen, lopen, ik bleef het altijd doen. Maar zonder focus. Het jong zijn is aan jongeren niet besteed. In 1992 liep ik in Utrecht probleemloos 21 kilometer in 1 uur en 30 minuten. Ik dronk en rookte, at en sliep slecht – en ik liep een aardig persoonlijk record dat zeventien jaar zou standhouden, totdat ik onlangs 1.29 in Queens en 1.27 op Staten Island liep.

De nicotine hield me in haar greep. Toch liep ik door. Washington, Amstelveen, Los Angeles, Chicago, Nijmegen, overal. Geld mee, en gaan. Er is geen betere manier om een plaats te verkennen, al kan het wonderlijke beelden opleveren. Een lange Hollander die door de verwoeste, zwarte wijken van New Orleans snelt. Een beer die zich rot schrikt van de ingepakte loper – en vice versa – in de bevroren bossen van Alaska.

Echt hard ging het nooit en soms ging het mis. Ruim drie jaar geleden moest ik tijdens de halve marathon van de Bronx meermalen in ademnood stoppen. Bijna twee uur na de start hobbelde ik over de finishlijn. Sinds ik mijn leven als zieke 17-jarige niet zeker was geweest, sprong ik roekeloos met mijn gezondheid om, besefte ik toen in de Bronx.

Er zat niets anders op. Ik stopte met roken. Maar daarmee was succes niet gegarandeerd. In 2007 kwam mijn eerste marathon, langs de kustlijn van New Jersey. Na een pijnlijke botsing met de muur finishte ik in 3 uur 49. Ik was koud en ontgoocheld. Tijdens mijn dagelijkse rondje over de Brooklyn Bridge voelde ik me lekker. Ik flirtte met hardlopende meiden, ontdekte de stad en genoot. Maar dit?

De marathon van New York ging twee jaar geleden nog slechter: 3.55. Tot het 20-kilometerpunt lag ik op schema om in 3.30 te finishen, terwijl mijn bezoekende ouders toekeken. Ik genoot van gospelmuziek, juichende kinderen, opgetrommelde vrienden, en grinnikte om de gast die al in Brooklyn per ambulance werd afgevoerd. Hard werd ik gestraft. Uit mijn blog van toen: ‘Ik voel de moed wegglijden, langs mijn brandende benen zo het nieuwe asfalt in. Ik kan niet meer.’

Na afloop beloofde ik om dit nooit meer te doen. Gelukkig was het een belofte aan mezelf. Het breken ervan was een formaliteit.

Waarom kiezen voor afzien? Je plaatst je welbewust buiten de comfortabele werkelijkheid, waar niet iedereen begrip voor heeft. Een simpel antwoord is dat elke loper zich na een loop beter voelt dan toen hij de deur uitging. Maar ook schrijvende duurlopers worstelen met die vraag. ‘Verslavingen zijn nooit netjes te definiëren’, zei de ultraloper Dean Karnazes weifelend toen we in San Francisco renden. Toen ik doorvroeg over het waarom: ‘Omdat het kan. Ik heb het gevoel dat ik leef als ik pijn heb en worstel.’

Marukami besloot na vele marathons: ‘Pijn is onvermijdelijk, lijden is een keuze.’ Een wijs woord voor wie leeft, en voor wie hardloopt. Als het zwaar begint te worden in de 18de kilometer van een halve marathon of na twee uur trainen in de natte sneeuw, dan denk ik aan die mantra. De evenwichtigheid die ik in bevriende lopers zie, komt denk ik voort uit hun neiging om grenzen op te zoeken en te overschrijden, en de pijn te aanvaarden, wat alles binnen die grenzen meerwaarde geeft.

Volgens ultraloper en journalist Christopher McDougall is het simpel: we zijn er voor gebouwd. Mensen zijn de beste lopers. Andere dieren gaan sneller, maar wij ontwikkelden ons als enigen tot duurlopers. Naarmate ik bewuster train en vlugger word, herstelt het lijf zich ook steeds sneller. Migraine, knieblessure en rugpijn zijn voorbij. Liefdesverdriet of depressie – lopen is een probaat middel. Het is duidelijk dat deze inspanning natuurlijk is. ‘Lange-afstandlopen was hoe we overleefden en ons over de planeet verspreidden’, schrijft McDougall in het boek Born to Run. ‘Je liep om te eten en te voorkomen dat je werd opgegeten. We werden geboren om hard te lopen. We werden geboren omdat we hardlopen.’

Logisch, dus, dat het doorgaans gedachtenloos is. Duurlopers zien er vaak uit alsof ze peinzen over onbegrijpelijke kwesties: het ontstaan van het heelal, de Nobelprijs voor Barack Obama. Dat is niet zo. Meestal is het hoofd leeg terwijl het hart traag voort tikt. Lopen is rust.

Het is in wezen een solosport en ik hecht aan de eenzame focus in de kakofonie van New York. Wat me niet langer past, is de isolatie van de iPod. Coach Toby beschrijft in zijn boek More Fire hoe de Kenianen in groepen trainen. Ze verliezen hun individualiteit niet, maar ze zijn zelden alleen, en daar worden ze beter van. De competitie en het kameraadschap zijn in gelijke mate van belang.

En mijn pas veranderde dankzij advies van Toby: raak de grond zo kort mogelijk aan. Vlieg. Nu weet je het nooit met Toby. Dit is de man die als dakloze twintiger in Amsterdam in bomen sliep, die in 1999 al hardlopend in zijn naïviteit bijna de dood vond door een roofoverval.

Anderzijds is er in New York nauwelijks een positievere, vrijgevigere en minder zelfzuchtige persoon te vinden. Gezegend met een longcapaciteit groter dan wielerlegende Lance Armstrong – die een verdienstelijke marathonloper is geworden – houdt hij intens van lopen. De liefde, gekoppeld aan kennis van atletiek en mensen, maakt hem in New York zo populair. Zijn advies over eten, houding, ademhaling, omloopsnelheid en wat al niet, kan een groot verschil maken. Het lopen is voor hem een manier ‘om mensen te bereiken en samen te brengen.’

Het is half oktober en opeens is de herfst er. Terwijl wij veel eten en slapen en proberen niet te denken aan het niemandsland na de 30ste kilometer, tellen we af naar 1 november. Met Eddie loop ik een tempo-run van 10 kilometer in krap 42 minuten. Het regent, het is 5 graden. De korte broek was een vergissing. Als een wellicht lachwekkend duo van een compacte Koreaan en een lange Hollander maken we zwijgend en spetterend ons rondje. Het voelt snel en lekker.

De dag was al goed begonnen. Bij de ochtendmail zat een bericht van lopende collega Rolf. Hij heeft me door de jaren heen tips en moed gegeven. ‘Alle marathonlopers zouden boeddhisten moeten zijn’, schrijft hij vandaag.

Ook stuurde hij een gedicht van Rudyard Kipling:

If you can fill the unforgiving minute

With sixty seconds’ worth of distance run,

Yours is the earth and everything that’s in it

And – which is more – you’ll be a Man, my son!

Zet die woorden naast de opvatting van evolutie-bioloog Daniel Lieberman van Harvard, en wat valt er nog toe te voegen? ‘Als er een geheim middel bestaat om mensen gezond te maken’, weet Lieberman, ‘dan is het hardlopen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden