Reportage 40 jaar koersen

Na veertig jaar koersen in 82 landen vindt Lex Nederlof (53) het mooi geweest

Lex Nederlof. Beeld Freek van den Bergh / de Volkskrant

Volle bak rammen is er niet meer bij voor Lex Nederlof (53). Dus is de oudste wielerprof van Nederland na 40 jaar racen afgezwaaid. De NK wielrennen liet hij schieten. Het toeval wilde dat juist daar de jeugd (Fabio Jakobsen en Lorena Wiebes) de macht greep.  

Lex Nederlof zet zijn racefiets behoedzaam tegen een hekje voor het paviljoen aan het strand van Oostvoorne. Het was een kort ritje, krap twee kilometer vanaf zijn vakantiehuisje op het Kruininger Gors, een park vol stacaravans en chalets aan het Brielse Meer. Lekker ontspannen fietsen, de handen bovenop het stuur.

Volle bak rammen is er niet meer bij, na maar liefst bijna veertig jaar wedstrijden rijden. Nederlof is zowaar prof af. Het besluit om te stoppen viel eind vorig jaar. Toen lag hij ineens op het asfalt, in de Ronde van Indochina, een etappewedstrijd door delen van Vietnam, Laos en Cambodja. Hij had 50 kilometer in zijn eentje vooruitgereden, de groep pakte hem 3 kilometer voor de streep terug en toen reed iemand achter op hem in. Niks gebroken, maar wel hier en daar schaafplekken.

Ineens was er die gedachte. Lig ik weer op mijn bakkes. Laten we dan nu maar de knoop doorhakken. Het is mooi geweest. Mag het? Hij was 52. Bij zijn weten heeft het peloton geen prof geteld die ouder was.

NK

Op de NK zondag in Ede was hij er niet meer bij. De strijd om het nationaal kampioenschap was voor hem doorgaans het hoogste niveau waarop hij acteerde. Hij verbleef in de zomer altijd al op Voorne-Putten. Dan kon hij tonen dat hij nog meedeed. Daarbuiten fietste hij altijd elders, ver weg van de vergezichten op de polder. Laatst heeft hij het nog geteld: hij koerste in 82 landen. ‘Het is een respectabel aantal geworden.’

Vorig jaar in Hoogerheide reed hij achterin even naast Mathieu van der Poel, de latere winnaar; zelf werd hij 51ste. De renner met zijn in de tropenzon gelooide gelaat had gekscherend tegen de bleke jongeling gezegd dat-ie maar beter wat kon opschuiven. Dat die er zo serieus werk van maakte, had hij natuurlijk ook niet kunnen voorzien.

Hij betreedt het terras. De zwarte haren strak achterover gekamd, bijeengebonden in een staartje. Nederlof, 53 inmiddels, is terug in Oostvoorne. Daar begon het voor hem, eerst als 12-jarig jochie met zijn vader mee en later, als amateur, rijdend voor ploegen als Thijs Tapijtshop, Jo van Aarle Ecco Schoenen en Willebrord Wil Vooruit, waaruit later Fondas ontstond, de voorloper van Vacansoleil. Er was een intermezzo van tweeënhalf jaar in Luxemburg, bij ACC Contern.

Dringen

Eind jaren tachtig, begin negentig, ligt even een profbestaan voor het grijpen. Hij loopt stage bij Superconfex, de ploeg van Jan Raas, met onder anderen Rolf Gölz, Edwig van Hooydonck en Gerrit Solleveld. Tot een contract komt het niet. ‘Het was dringen voor een plek. In die tijd was er een grote lichting goede Nederlandse amateurs. De Muur was gevallen, er kwamen ook Oost-Europese renners deze kant op. Daar kwam je niet tussen.’ De verzoening met de amateurstatus komt als hij in 1993, rijdend voor Europolis, terugkeert in een koers waaraan hij vijf jaar geleden ook deelnam. ‘Toen reden dezelfde Italianen die ik er eerst afreed, me ineens als een straaljager voorbij. Het epo-tijdperk was begonnen.’ In dat jaar boekt hij wel zijn eerste belangrijke zege: de Flèche du Sud. Er zou er nog één volgen. In 2013 won hij de Melaka’s Governor’s Cup.

Even dient het kantoor zich als voorland aan. Na zijn studie bedrijfseconomie is hij bij vastgoedonderneming Rodamco beland, op de accountantsafdeling. Budgettering, de jaarrekeningen. Hij krijgt het er Spaans benauwd. ’s Middags moet hij steevast naar buiten, even ademhalen. Dat leidinggevenden zichzelf belonen met bonussen, maakt de onvrede er alleen maar groter op. Intussen loopt zijn relatie op de klippen. Het is tijd voor wat anders.

Beeld Freek van den Bergh / de Volkskrant

Vrijbuiters

Het daarop volgende zwerversbestaan op de fiets duurt zeven jaar, van 2005 tot 2012. Hij zoekt naar wedstrijden in Azië, Afrika, Zuid-Amerika, Nieuw-Zeeland en meldt zich aan bij de organisatie. Dan belt hij renners. Een Duitser, een Zwitser, een Deen, enkele Nederlanders. Kom op jongens, we kunnen rijden. Eventueel prijzengeld vormt het salaris. Een kledingleverancier uit Hongkong, CCN, waarvan hij de directeur tijdens een koers in China had leren kennen, geeft wat financiële steun.

‘Avonturiers waren we. Vrijbuiters die niet tegen het keurslijf van een ploeg kunnen, maar wel de instelling en de drive hebben er vol voor te gaan. Je moet ertegen kunnen dat niet alles perfect is geregeld.’ Zo rijden ze een meerdaagse wedstrijd vanuit het midden van China naar Lhasa, Tibet, langs een traject van een nog aan te leggen spoorlijn, op hoogten variërend tussen de drie en vijf kilometer.

‘Honderden kilometers door het grote niets. Je begon nergens en je eindigde nergens. Ineens lag er een streep. Dan werd je naar een militaire basis vervoerd en sliep je in stapelbedden, met de kleren aan om warm te blijven. Eten was scheppen uit de pan. Altijd een beetje rijst, met stukken vlees van een jak.’ De winnaar kwam uit zijn team, een Mongool. Die kon wel uit de voeten op zulk terrein. Vorige maand passeerde een bericht dat hij was omgekomen bij een auto-ongeluk.

Volwaardige prof

In 2012 komt het alsnog toch tot een bestaan als volwaardig prof - hij is dan 46. Volgens nieuwe regels van de internationale wielerfederatie worden willekeurig samengestelde ploegen uitgebannen. Voortaan moeten teams een vaste kern hebben. Het besluit valt voortaan in Zuidoost-Azië te rijden, met overwegend renners uit landen uit de regio. Chang-Mai in het noorden van Thailand wordt zijn uitvalsbasis.

Meer dan ooit is de Oostvoornaar de spil van de ploeg. Manager, reisagent, ploegleider, wegkapitein en intussen verkoopt hij CCN-tenues. ‘Ik had iets stáán, ineens.’ Ze rijden – de greep is willekeurig – de meerdaagse ronden van Singkarak, Banyuwangi Ijen, Siak, Thailand, Vietnam, Azerbeidzjan en de Filipijnen, en de Sri Lanka T-Cup. Niet zomaar wedstrijden: in Ijen, Oost-Java, beklimmen ze de vulkaan, 20 kilometer lang, alsmaar steiler, tot 25 procent aan toe. De eerste keer moet 90 procent van het peloton te voet omhoog.

‘Ik proefde respect’

Op de vraag waarom hij toch telkens in de pedalen klikte, is volgens hem maar één antwoord mogelijk: passie. Dat zat niet in het zelf najagen van de zege. ‘Zolang iemand van het team won, vond ik het best. Dat is eigenlijk altijd zo geweest. Misschien heb ik mezelf daarmee wat tekort gedaan. Maar zolang ik van toegevoegde waarde kon zijn voor de jongere renners had ik het naar mijn zin. Vertellen waar ze moeten rijden, dat ze bij de klim van voren moeten zitten, dat ze nooit meteen alles moeten geven als het bergop gaat.

Voelde hij zich op den duur niet de opa van het peloton? ‘Niet echt. Mijn focus lag op mijn eigen ploegje. Dat was mijn kindje. Ik wilde die jongens een stapje verder brengen, naar een groter team. Daar haalde ik mijn bevrediging uit. En ik proefde respect. Ik probeerde altijd voorop te gaan in de strijd. In mijn laatste UCI-wedstrijd was ik samen met een Japanner ontsnapt. Pas 200 meter voor de finish pakten ze me terug. Ik kon gewoon nog mee.’ Hij trainde tot op het laatst wekelijks 20 tot 25 uur, er zat altijd wel een tocht van 200 kilometer tussen.

Beeld Freek van den Bergh / de Volkskrant

Het niveau in de regio is volgens hem aan het stijgen. De wegen verbeteren, er zijn trainingsfaciliteiten bijgekomen, er komen coaches over van Europa, suikerooms voorzien teams van het beste materiaal. ‘Maar het ligt nog onder de Europese standaard. Fysiek zitten ze wel aan hun limiet. Veel Aziaten zijn drie turven hoog. Dan kom je op het hoogste plan toch wat tekort’.

Het vervolg

Na zijn vertrek is het team opgeheven, de renners zijn naar andere ploegen vertrokken. Zelf beraadt hij zich nog op een vervolg. Wat meer werk maken van de fietskleding, tochten in Thailand organiseren misschien. Vast staat wel dat hij de organisatie van de strandrace in Rockanje van zijn vader overneemt.

Wat hebben al die omzwervingen hem opgeleverd? ‘Toen ik in september 2005 de deur van Rodamco dichtsloeg, vroeg iedereen: wat ga je doen? Je laat alles achter je! Welnu, ik heb veertien jaar in alle vrijheid mijn passie beleefd, gedaan wat ik wilde doen. Anderhalf jaar geleden heb ik mijn zusje verloren. Een half jaar na de diagnose dat ze kanker had, was ze er niet meer. Ze was kort daarvoor nog met haar gezin bij me in Thailand geweest, we hebben twee weken rondgereisd. Het was voor mij een bevestiging dat je je hartstocht achterna moet gaan. Deze periode pakt niemand me meer af.’

Hij stapt deze dagen nog geregeld op de fiets. Dan gaat het met een groepje pensionado’s naar Westerschouwen. Dan let hij op dat het samen uit, samen thuis is. Een strak tempo onderhouden. Zorgen dat de boel bijeenblijft. Na de bocht even omkijken of iedereen kan aansluiten. Mooi, hè. Toch weer alles voor het team.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden