Column Peter Middendorp

Misschien is het maar beter om je veilig te spelen tegen clubs die er geen last van hebben

Zoals mijn dochtertje van 8 in een horizontale kramp schiet en achterwaarts over de bank begint weg te kronkelen zodra stelletjes op tv beginnen te zoenen, zo ook, het achterhoofd het eerst, verdween ik vrijdagavond achter de bank toen NAC in de 88ste minuut alsnog de gelijkmaker inschoot (1-1).

We kwamen uit Emmen, we hadden een lange weg gehad, een reeks nederlagen achter de boeg, zes in getal, met een gelijkspel erbij. Sommigen hadden ons al afgeschreven. Het was voorbij, zeiden ze. Afgelopen. Gebeurd. We moesten blij zijn met het moois dat ons dit jaar al was voorgeschoteld, ons lot leren liefhebben.

Voorzichtig probeerde ik het al eens hardop te zeggen, gewoon, voor mezelf, bijvoorbeeld tijdens het tandenpoetsen, om alvast te testen of, en zo ja, hoeveel pijn het zinnetje zou doen: ‘Ach, degraderen is toch niet zo erg, de Keukenkampioen Divisie?’ – en dan was het steeds toch even alsof het licht in de badkamer zijn warmte verloor.

Maar toen kwam de grote ommekeer tegen Heerenveen. De grote, onverwachte, Drentse krachtsinspanning, waarop ik twee weken geleden hardop had gehoopt. De verdedigers verdedigden, de middenvelders verdeelden het spel, en Anco Jansen, de Messi van de Meerdijk, liet weer eens zien dat zijn leeuwenhart het grootst is.

De wereld zag er ineens heel anders uit. Beter. Rooskleuriger. Wij moesten tegen NAC, de hekkensluiter. Een zespuntenwedstrijd dus, waarmee we ons niet alleen definitief veilig konden spelen van directe degradatie, maar ook nog, omdat onze concurrenten tegen Ajax en PSV moesten, een gat konden slaan met De Graafschap en Excelsior, zodat het een negenpuntenwedstrijd werd, en eigenlijk twaalf, als je goed rekende.

Er was ook een andere werkelijkheid, die van NAC, dat vocht voor zijn leven, de allerlaatste kans. Het stadion kolkte tot Slagveer in de 15de minuut een bevrijdend doelpunt maakte, precies zoals ik een week geleden nog hardop had gehoopt.

Wat kunnen we verder zeggen over de wedstrijd, van de 15de tot de 88ste minuut, toen onze keeper een foutje maakte, wat altijd een keer kan gebeuren? Wij waren veel beter. Wij hadden moeten scoren. Zij niet, zij hadden geen kans gehad, geen mogelijkheid. Ik begon eerlijk gezegd al een klein beetje medelijden met NAC te krijgen. Zo was voetbal een Trumpiaanse zerosumgame; onze winst was hun verlies.

Het zicht van onze keeper werd belemmerd. Hij moest een stap opzij doen om te kunnen zien hoe de bal op het doel zou worden afgeschoten, om er daar, op zijn nieuwe positie, achter te komen dat de bal allang was geschoten. Hij maakte nog een slaande beweging naar de bal, een combinatie van redding en botsing, maar de bal intussen belandde met een vriendelijk boogje voor een NAC-speler, vlak voor open doel.

De twaalfpuntenwedstrijd eindigde in een gelijkspel, zodat tien punten altijd theoretisch zouden blijven. Voor NAC bleef degradatie even onvermijdelijk. En wij hadden de overwinning over de streep moeten trekken. Dit was erop. Maar misschien, zat ik te denken, was het sowieso wel beter om je veilig te spelen tegen clubs die er geen last van hebben – Willem II bijvoorbeeld, of FC Utrecht, hoopte ik maar vast hardop.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden